is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 28, 1947, no 1, 1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De denkbeelden van de groep zijn voor een belangrijk deel neergelegd in de wijkstudie van Ir. van Tijen, welke hier ook is tentoongesteld.

De Heer Dr. K. F. Proost wijst erop, dat een kwartier zeer kort is om het hem toegewezen onderwerp te behandelen. Als uitgangspunt zou spr. willen kiezen de passiviteit van den mensch en de activiteit. De groote stad dwingt tot passiviteit. De jacht en het geroezemoes van de groote stad leiden tot een gevoel van eenzaamheid. Oogenschijnlijk is het een tegenstelling dat de mensch zich juist in de menigte eenzaam voelt, een zielige eenzaamheid die geen uitweg te vinden weet. In de massale intocht en uittocht, zooals wij die 's morgens en ’s avonds in onze groote steden zien, is het moeilijk de individualiteit te handhaven. Vereenzaming en het ontbreken van menschelijke persoonlijkheid zijn de teekenende verschijnselen.

De mensch wordt in de groote stad overal geholpen als een nummer. Hij kan niet meer in vrijheid zoeken, ten hoogste in vereenigingsverband en ook daarin wordt hij weer een nummer. In de wijk nu zijn we in een wereld met kleinere afstanden, waar de mensch zich thuis kan voelen. De mensch zoekt graag de beveiliging in den kleinen kring, het gezin, de buurt, de wijk. Hier zijn levensmogelijkleden te vinden. Zooals het hooggebergte voor vele Nederlanders een ■■.chaal heeft, die zij moeilijk kunnen verwerken, is het ook met de verhouding tot de groote stad. |

praktische vraag is hoeveel de mensch in dit verband kan overzien, Zoo is de groep tot een ruwe norm van 20.000 inwoners gekomen. Hiel behoeft de mensch niet langer een nummer te zijn. Het cultureele leven kal in dit verband eigen vormen aannemen. De mensch kan hier in eenvoudigi vormen de kunst beoefenen. Hier moet men niet verwachten de topprestaties, niet het perfectionnisme, maar de eigen activiteit van den liefhebber, In de overzichtelijke wereld van de wijk kan de 'activiteit van den mensch weer een grootere rol sßelen.

Men moet zich hoeden voor een goedkoope tegenstelling tusschen de groote stad en de kleine wereld van de wijk. De groep bedoelt volstrekt niet een uitvallen van de stad in dorpsachtige eenheden, zij bedoelt ook niet de wijken te maken tot doode plaatsen, zooals de forensenplaatsen na het uittrekken van de werkende bevolking in den morgen een doodsch karakter hebben. In de wijken behoort iets van het industrieele en ambachtelijke leven aanwezig te zijn. Het is van beteekenis dat dit zijn geluid kan doen hooren in de wijken.

Ook zonder een cultureel centrum laten de wijken zich niet denken. Er is veeleer een nauwe verbondenheid tusschen het leven van den actieven mensch in de wijk en het cultureele centrum in de stad. De sprong naar het centrum, dat tevens verbindingsschakel is met de groote wereld buiten de stad, zal door de activiteit in wijkverband vergemakkelijkt worden. Een groote stad laat zich niet denken zonder dat centrum, evenmin 'als men zich een stad als Rotterdam zou kunnen voorstellen zonder de haven en de schepen.

Tenslotte maak spr. een tegenstelling tusschen de sfeer van het bekende en die van het onbekende, die beide in de stad haar plaats hebben, de eene in het kleine verband van de wijk, de andere in het centrum.

De Heer Ir. W. van Tijen wijst op den geest, waarin men in Engeland onderwerpen als dit behandelt. Deze is concreter, nuchterder dan de geest hier te lande. Een typische uiting daarvan is, dat men in de Engelsche literatuur vergeefs zoekt naar een woord voor wijkgedachte. Men richt zich meer op het eenvoudige en op de praktische verwezenlijking. Deze wijze van werken heeft haar voordeelen, maar ook haar bezwaren. De studie-groep heeft gewerkt met een hiërarchische opeenvolging van eenheden. De mensch zoekt kringen ter beveiliging. Het beeld van de groote stad. zooals zich dat vertoont aan den bezoeker van Parijs, die de stad van den heuvel van Montmartre overziet, bergt een te groote spanning in zich. Die kringen zijn in volgorde van grootte, het gezin, de buurt, de wijk en het stadsdeel. De Engelsche wijze van behandeling van het onderwerp vertoont een tekort aan systematiek. Weliswaar gaat elke systematiek mank, maar zij is toch van waarde.

Spreker demonstreert vervolgens een schema, dat met het oog op het Engelsche bezoek in September geteekend is, waarin de beteekenis voor elk van de opeenvolgende eenheden in allerlei verband is vastgelegd. Spr. stipt daaruit aan als voorbeelden de kunstbeoefening en het groen. Beide hebben in de onderscheidene eenheden hun vertegenwoordiging. Zoo is het groen in het gezinsverband vertegenwoordigd door een eigen tuintje, in de buurt door het kleine buurtplantsoen, in de wijk door het grootere wijkpark, in het stadsdeel of de stad door het park van groote afmeting. De groep heeft alleen over de groote stad gesproken, maar ook in de steden van middelbare grootte vertoont zich hetzelfde amorfe karakter. Het zou jammer zijn als daar ook niet een soortgelijke geleding tot stand kwam. Er is een algemeene behoefte aan geleding en structuur.

Mevr. Dr. L. M. Mispelblom Beyer-van den Bergh van Eysinga bespreekt het wetenschappelijk onderzoek ten behoev.e van den stedebouw. De vervulling van de taak van den stedebouw, het hervormen van bestaande wijken en het bouwen van nieuwe, vooronderstelt beantwoording van de vraag voor wie wij bouwen, d.w.z. wij moeten den mensch in het middelpunt plaatsen, als levend lid van een levende gemeenschap. Dit stemt overeen met de denkbeelden van Mumford in zijn Condition of Man. Wat weten wij van den mensch als bewoner van onze nederzettingen? In allerlei statistieken is hij geteld als administreerbare eenheid, maar zij geven geen beeld van den levenden mensch. Leven is wisselwerking, tusschen menschen onderling en tusschen mensch en omgeving. Het onderzoek van al deze contacten is de taak van de sociale wetenschappen, waarmee ons land nog achter is. Uitgangspunt van de survey ten behoeve van den stedebouw is: hoe leeft de mensch? Dan komt de vraag: leeft hij men.sch-

waardig, en het vaststellen van wat er ontbreekt. Het onderwerp vraagt een synthetische methode, al is een zekere mate van analytisch onderzoek noodig voor een eersten glohalen indruk. Het boek van de studiegroep is een eerste begin in de richting van de synthetische methode. De menschen in de stad moeten zelf meedoen a'an het onderzoek, bijv. bij het opinie-onderzoek. Dit heeft ook een sociaal-paedagogische zijde; de bewoners krijgen belangstelling voor buurt, wijk en stad, en nemen actief deel aan de voorbereiding der plannen. Middlesbrough, Cleveland, Hamilton in Canada en blijkbaar ook de herbouw van Berlijn leveren voorbeelden hiervan.

De geestelijke en sociale actie-radius is voor ieder mensch verschillend. De gelede stad biedt mogelijkheden voor verschillende typen van menschen en voor verschillende ontwikkelingsstadia van individu en gezin. Het onderzoek is voorloopig gericht op de wijk als een goed gemiddelde in de reeks van opklimmende grootte. Bij de voorloopige survey van Rotterdam zijn de voorzieningen op allerlei gebied per wijk verzameld. Voor het boek zijn twee wijken onderzocht en alle voorzieningen op een kaart ingeteekend, om de kernvorming na te gaan. Van belang is de actie-radius van allerlei instellingen te onderzoeken. Voor dergelijk onderzoek is samenwerking van verschillende deskundigen noodig in teamverband zooals in Middlesbrough en Knutsford. De leider van het team moet voldoende kennis hebben om alle afzonderlijke gebieden te beoordeelen en een ruime visie. Zijn zware taak wordt echter juist verlicht door de samenwerking van deskundigen. Zoo behoort ook de sociale deskundige zijn aandeel in het onderzoek ten behoeve van den stedebouw te leveren. Uit de resultaten zijn verschillende problemen duidelijk gewerden, maar dan moet de mensch ook in het middelpunt staan. Daaraan 'heeft Nederland een eigen plaats, al zijn de sociale wetenschappen hier ook nog niet ten volle erkend. Spreekster brengt ten slotte dank aan het Instituut voor de gelegenheid voor het Rotterdamsche team om voor deze vergadering op te treden.

Na heropening van de vergadering verwelkomt de Voorzitter den Heer Dr. Ir. F. Bakker Schut, Directeur van het bureau van den Rijksdienst voor het Nationale Plan en geeft vervolgens gelegenheid tot gedachtenwisseling.

De Heer Prof. Dr. G. A. van Poelje spreekt zijn voldoening uit over zijn terugkeer in den kring van het Instituut en uit den wensch dat het Instituut in dezen tijd een even belangrijke rol zal kunnen spelen als in zijn beste dagen onder de leiding van Mr. Hudig.

De wijkgedachte, zoo merkt spr. op, is in wezen niet nieuw. In de oude Amerikaansche plannen met hun civic center, in de Amsterdamsche tuindorpen en het Tuinstadrapport, ia de Haagsche plannen van voor den oorlog met hun complex van speel- en sportterreinen, scholen, badhuis, leeszaal enz., kwam dezelfde gedachte reeds aan den dag. De oorlogsomstandigheden, met name de moeilijkheden bij het verkeer, hebben aan het wijkverband een verhoogde beteekenis verleend. De vraag is of deze beteekenis, nu het verker weer functionneert, nog aanwezig is. Spr. trekt een parallel met de decentralisatie in het staatsbestuur, welke zich territoriaal of naar de functies kan voltrekken. Aanvankelijk is de eerste gevolgd en nu komt de functioneele op den voorgrond. In de groote stad is het omgekeerd gegaan. Eerst thans begint men zich daar op de territoriale decentralisatie te bezinnen.

Spr. werpt echter de vraag op of het niet psychologisch gemakkelijker is de menschen ertoe te brengen ook bij hetgeen zij vrijwillig doen, zich aan te sluiten bij hun dagtaak in plaats van deze vrijwillige activiteit in nieuwe verbanden te brengen. In het eene geval activeert men de aanwezige bereidheid, in het andere geval moet men de bereidheid nog aankweeken. Dit schijnt spr. een groote moeilijkheid toe bij het toepassen van de wijkgedachte.

Spr. wijst op de bekoring van het Rotterdamsche boek, van zijn probleemstelling en beminnelijke geestdrift. Een en ander zal stellig van grooten invloed zijn. De beteekenis is vooral dat voor een oud probleem een nieuwe naam is gevonden, die inslaat.

Deze beteekenis mag er echter allerminst toe leiden de bestaande uitbreidingsplannen los te laten. Spr. is geschrokken van het aan de wijkgedachte gewijde Tijdschriftnummer, dat den indruk wekt dat sommige ontwerpers, zooals zij vroeger ideale stadsplannen ontwierpen, thans aan de teekentafel ideale wijkplannen ontwerpen.

De praktische verwezenlijking hangt af van het tempo van aanbouw. Willen wij over 30 jaar in de meeste gemeenten hieraan toe zijn, dan zal de aanbouw ten minste het dubbele moeten bedragen van het door den Heer van Beusekom berekende. Niet 'alleen aan de periferie zal naar de wijkgedachte gebouwd moeten worden, maar er zal saneering op groote schaal moeten plaats hebben, waardoor buurten als de Haagsche Zeeheldenbuurt en Schildersbuurt vernieuwd worden. De primaire vraag is, hoe voor het geheele volk een hooger peil van huisvesting kan worden bereikt. Deze raag door de wijkgedachte niet naar den achtergrond worden geschoven.

De Heer Dr. S. Hofstra begint met op te merken dat hij het in het algemeen roerend eens is met de beschouwingen van de groep. Wat zij opmerkt over het verband tusschen stedebouwkundige en psychologische en maatschappelijke vraagstukken is spr. uit het hart’ gegrepen. Toch wil spr. deze gelegenheid benutten om iets in het midden te brengen over wat men kan noemen den wereldbeschouwelijken kant van het onderwerp. Spr. vraagt zich af, of de groote stad niet te veel geidealiseerd wordt. Men mag de groote stad niet uitsluitend zien van den top, van den kant van de geestelijke leiders, maar zij heeft evenzeer een andere donkere, sinistere zijdè. Allerlei wat in de stad ethisch te veroordeelen is, wordt door de lyriek op de groote stad bemanteld. Men moet zich