is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 28, 1947, no 1, 1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewust blijven dat in de groote stad veel niet tot zijn recht komt. Spr. wijst op het contact van den mensch met de natuur. Toen spr. den Heer van Tijen de wijze hoorde uiteenzetten, waarop dit contact blijkens zijn schema in de verschillende eenheden van opklimmende grootte wordt verzorgd, kwam bij hem de booze gedachte op dat men neiging zou voelen uit deze sectoren weg te loopen om ruimte en vrijheid te vinden. Spr. zet dan ook een groot vraagteeken bij de stelling dat alle facetten van het menschlijk leven in een organisch gelede stad tot bloei kunnen komen.

Men mag ook niet uit het oog verliezen dat gemeenschap niet in alle opzichten als het hoogste kan worden aangemerkt. Het is evenzeer een vraagstuk, hoe men kan bereiken dat de mensch alleen kan zijn, als hij daaraan behoefte heeft. Alleen-zijn en eenzaam-zijn moeten allerminst gelijk gesteld worden.

De Heer Drs. W. F. Geijl legt verband tusschen de wijkgedachte en het ideaal van de ontplooiing van het individu als volledig mensch. De huidige beschaving met haar specialisatie gaat (;en koste van die ontplooiing. De huidige mensch is soms enkel maar werkezel, of enkel levend voor vermaak, terwijl het ideaal is dat ieder inderdaad actief deelneemt aan zooveel mogelijk van alle facetten van het menschelijk leven. Dit laatste is alleen in de kleine eenheden mogelijk, zooals de dorpen dit te zien geven. Spr. wil er nog op wijzen, dat ook in materialistisch opzicht de toepassing van de wijkgedachte beteekenis heeft. Het leven kan er praktischer, gemakkelijker, veiliger door verloopen, met minder tijdverlies. Het geheele overheidsapparaat en allerlei andere voorzieningen kunnen doelmatiger zijn. Zoo kan in een planmatige economie de wijkgedachte een element van beteekenis zijn. Spr. denkt bijv. aan een doelmatige verspreiding van de winkels, waaraan thans nog dikwijls zoo veel ontbreekt

De Heer Ir. J. de Jong wijst op het faScineerende dat voor de stedebouwers in de wijkgedachte schuilt. Men moet echter de vraag stellen of deze gedachte alleen bij de stedebouwers leeft of ook verder. De Heer Bos heeft gewezen op de zeer groote verantwoordelijkheid bij degenen, die de plannen maken. Wij weten eigenlijk niet goed of plannen in dezen geest door de maatschappij gewenscht worden. Spr. heeft den feitelijken grondslag voor de wijkgedachte gemist. Deze zou kunnen liggen in een bestuurlijke splitsing, waardoor het wijkverband veel meer tot de bevolking gaat spreken. In de Katholieke streken is dit reeds eenigszins aanwezig in het parochieverband.

Een tweede vraag is deze. wanneer men de menschen nader tot elkaar brengen moet, dit gebeuren moet naar geografisch verband of veeleer maatschappelijk of cultureel. De wijkgedachte kiest het eerste. Dan wil spr. de vraag opwerpen of hier niet een versnippering dreigt van de steden. Hij vreest voor het gevaar dat men het groote verband van de stad zelf uit het oog zal verliezen.

De Heer Mr. J. In ’t Veld sluit aan bij de opmerking van den Heer van Tijen, dat het vraagstuk van de wijkgedachte niet uitsluitend verbonden is aan de groote stad, maar dat het er een is van de geheele menschheid. De bezwaren door den Heer Proost ontwikkeld, tegen de vereenzaming, het tekort aan activiteit, ook de verzwakking van het normbesef, gelden voor de menschheid als geheel. Zij zijn symptomen van de geestelijke crisis, waarin wij verkeeren. Ook in de kleine gemeenten moet men zich rekenschap geven van de wijze, waarop de bevolking opnieuw burgerzin kan worden bijgebracht, waarop een synthese kan worden gevonden van gemeenschapszin en eigen activiteit. In verschillende gemeenten is getracht, dit op te lossen door de vorming van plaatselijke gemeenschappen, waaraan, wat het sociale en cultureele aspect aangaat, overwegingen van gelijken aard ten grondslag liggen als aan de wijkgedachte. Zoo bijv. in Zaandam. Men is ervan uitgegaan, dat er een sterke activiteit bestaat van allerlei aard, maar de belangstelling is eenzijdig gericht, bijv. uitsluitend op muziek, op voetbal, enz. 'Wat wij willen is veelzijdigheid. Er moet verband worden gebracht in het vereenigingsleven, een groot verband dat het geneele cultureele en sociale leven omvat. Een overzichtelijke kring van een kleine gemeente of een wijk in een groote gemeente, is hiertoe de voorwaarde.

'Vervolgens staat spr. stil bij de gedachte van een hiërarchischen opbouw. Ook op het platteland dient deze gedachte te worden toegepast: dorp, streek, gewest, maar noch bij de stad noch bij het gewest mag men blijven stilstaan. De geheele volksgemeenschap moet in dezen zin worden samengevat. Dit is de bedoeling van het Nationaal Instituut, maar dit doel is nog maar zeer ten deele bereikt. Er zal echter zeker een centraal punt moeten komen. Ook bij de nationale gemeenschap zal men niet mogen blijven staan. De wereldgemeenschap, zooals die belichaamd is in de Unesco, moet het einddoel zijn.

De Heer B. Merkelbach wijdt in de eerste plaats eenige woorden aan de stelling van den Heer Bos, dat de stedebouwkundige als het ware tot een premature vormgeving moet komen van wat aan de toekomstige behoeften van de samenleving beantwoordt. Spr. vraagt zich af of dit juist is. Verder wijst hij op de aanvaarding van de splitsing van onze bevolking in Katholieke, Christelijke waarmede men blijkbaar bedoelt Protestantsche en humanistische groepen. Moet hier niet meer op een samengroeien worden gerekend?

De Heer Proost heeft gesproken over een terugkeer van de ambachtskunst in de wijk. Is dit niet een streven tot herstel van wat onherroepelijk verloren is? Verder zal men zich moeten hoeden voor het idealiseeren van de dorpsche verhoudingen. Er is daar bijv., zooals spr. uit ervaring weet, een kletsgeest, die allesbehalve aanlokkelijk is. Tenslotte waarschuwt spr. tegen het uitleven van den vormwil door de

architecten. Hun taak moet voor alles zijn een redelijken achtergrond te geven aan wat maatschappelijk gerechtvaardigd is.

De Heer Ir. D. Habraken wil de hiërarchische opeenvolging van eenheden nog eenigszins uitbreiden door te beginnen met de gemeenschappelijke trap, vervolgens de straat, ongeveer beantwoordend aan het bouwblok, dan -de buurt, dan de wijk enz.

De nadruk is sterk gelegd op de wijk van ongeveer 20.000 inwoners. Hiermee verplaatst men echter de moeilijkheid. Men kan zich ook in een dergelijke eenheid zeer eenzaam voelen. De verbetering van de activiteit kan men zoeken eenerzijds in een verbetering van de menschen, andererzijds in een verbetering van de omstandigheden. Het is begrijpelijk dat de stedebouwkundige het laatste in het oog vat. Maar de menschelijke factor is van groote beteekenis. Dit merkt men al bij de kleinste eenheid, de gemeenschappelijke trap, die soms reeds een gemeenschap vormt, soms in het geheel niet, al naar mate al dan niet een persoonlijkheid aanwezig is. die leiding kan geven. Men zal zich meer moeten toeleggen op de sociale werkzaamheid vian den mensch.

Spr. waarschuwt tegen het star vasthouden aan de wijkindeeling. Men krijgt dan dergelijke reacties als nu bij de schoolindeeling, die bijv. ten gevolge heeft de oprichting van neutrale bizondere scholen, alleen omdat sommige ouders geen genoegen nemen met de automatische aanwijzing van de scholen voor hun kinderen, op grond van de wijkindeeling. De wijk mag niet tot een hinderlijk keurslijf worden.

In Delft, waar spr. werkzaam is, bestaat een duidelijke huurtindeeling. De ervaring met buurtvereenigingen is dat een eenheid van 500 tot 1500 gezinnen, overeenkomend met de R.K. parochie, voor het meerendeel van de bevolking het meest geschikt is.

De Heer L. van der Wal sluit aan bij de reeks, door den Heer In ’t Veld opgesteld, van het individu tot de Unesco. Men moet bedenken dat de groei van dit alles van onderaf, van het individu uit is geschied. Dit geldt ook voor de bewoning. De woningbouwvereenigingen hebben hier reeds belangrijk werk gedaan. |

Het beheer door zelfgekozen bestuurders, de organisatie van allerlei sociaal en cultureel werk, maakt van de woningcomplexen van de vereenigingen werkelijke eenheden. Als men bedenkt hoe vroeger elk persoonlijk contact in de woningblokken ontbrak, is het duidelijk dat de woningbouwvereenigingen reeds belangrijke stappen hebben gedaan. Wat zij thans noodig hebben is uitbreidingsplannen, waarin zij hand in hand kunnen gaan. In Amsterdam is hiervan reeds sprake. Tal van dingen, die hel leven rijker en aangenamer kunnen maken, kunnen in dergelijke complexen door de woningbouwvereenigingen verzorgd worden. Dan zal niet alleed het individu in de nieuwe woningen tot zijn recht komen, maar ook de gemeenschap.

De wijkgedachte wil spr. dan ook gaarne principieel aanvaarden.

De Heer Dr. Ir. Z. Y. van der Meer maakt een tegenstelling tusschen het dorp, waar in de reeks eenheden van den Heer van Tijen, beginnend met het individu, de onderhouw goed is en de stad, waar dit niet het geval meer is. Individu en gezin zijn hier wel aanwezig, maar de volgende eenheden, buurt en wijk, ontbreken.

De volkshuisvesting heeft hier een belangrijke taak bij den opbouw van de woonblokken en de wijken. Spr. sluit gaarne aan bij het betoog van den Heer van der Wal, met deze uitbreiding dat niet alleen de woningbouwvereenigingen hier een taak hebben, maar dat de geheele woningbouw zich in deze richting moet ontwikkelen. Men zal veel meer in de woonblokken allerlei sociale voorzieningen moeten opnemen en in de wijken eveneens.

Het moment is hiervoor gunstig, gezien de in de naaste toekomst te verwachten bouwactiviteit, van 700.000 woningen in de eerstvolgende 10 jaren, dat is Vs van den thans aanwezigen voorraad. Spr. is het dan ook niet eens met Prof. van Poelje dat alleen een veel grootere dan de voorgenomen bouwactiviteit inderdaad de wijkgedachte tot toepassing zou kunnen brengen.

De Heer Ir. A. Bos beantwoordt in de eerste plaats de opmerking van Prof. van Poelje over het nieuwe van de wijkgedachte. Op een bepaalde wijze gezien is de wijkgedachte inderdaad niet nieuw, anders zou er ook geen aanknoopingspunt te vinden zijn. Nieuw is het verband tusschen het stedebouwkundige element en het maatschappelijk leven.

Met de opmerking van den Heer Habraken dat verbetering zoowel van de omstandigheden als van den mensch kan uitgaan, is spr. het eens. Verder zijn opmerkingen gemaakt over de vormgeving met het oog op maatschappelijke veranderingen. Spr. handhaaft de stelling dat de stedebcuwer het recht en den plicht heeft aan zijn verwachtingen ten aanzien van de toekomstige behoeften van de maatschappij in de plannen vorm te geven. Wij moeten trachten de veranderingen dynamisch op te vangen. Er zal een zekere plooibaarheid in de plannen moeten blijven. Nu de mogelijkheid tot bouwen er is, zullen wij de kansen moeten grijpen om de wijkgedachte in de plannen te verwerken.

De Heer Ir. W. van Tijen beantwoordt de vraag, in hoeverre de wijkgedachte werkelijk leeft, d.w.z. buiten den engen kring van stedebouwers en maatschappelijke hervormers. Spr. betoogt dat ook geheel los van deze kringen de wijkgedachte inderdaad een realiteit is, zooals bijv. bleek op Katendrecht. waar geheel van de bevolking zelf uit de wijkvorming ter hand genomen is. De Katholieke parochie is een voorbeeld van hetzelfde. De Hervormde Kerk heeft dit vroeger ook gekend, maar heeft deze indeeling in de 19e eeuw losgelaten en streeft nu opnieuw naar herstel. Ook in Velsen, waar spr. werkzaam is, ontmoet hij de wijkgedachte hij de bevolking.