is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 28, 1947, no 6, 1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goederen, welke uit de schepen worden gelost of ter verscheping moesten worden opgeslagen. Aan den voorkant, d.i. aan de grachtzijde, werden zij afgesloten met een muur, den zgn. werfmuur, die aldus als een voorgevel aan de werf kwam te staan. In dezen gevel werden zoowel'de vensters ter verlichting van de kelderruimten gemaakt als de deuren, welke als hoofdtoegang, in vele gevallen zelfs als eenige toegang dienst moesten doen. De werven zelf werden van de straat af toegankelijk gemaakt door middel van trappen en bovendien nog op sommige plaatsen, in het bizonder ten gerieve van het vervoer van goederen, door middel van zacht-glooiende afritten, de zgn. wedden. Van deze wedden, waarvan er vroeger verscheidene waren, bestaat er thans nog slechts één, n.l. het wed aan de Ganzenmarkt, dat rechtstreeks voerde naar de plaats, waar eens de stadskraan stond en dat dus wel tot de meest gebruikte zal hebben behoord.

Zoo ontstond dan geleidelijk een wonderlijk geheel van hoogen laaggelegen straten, van aaneengesloten keldergevels en van hooge, het water met forsche bogen overspannende bruggen, dat zonder twijfel als één van de meest karakteristieke eigenaardigheden van de Utrechtsche binnenstad moet worden beschouwd. Met recht is dan ook dit geheel zoowel in de gemeentelijke Monumentenlijst als in de van Rijkswege opgemaakte ~Voorloopige lijst der Nederlandsche Monumenten van geschiedenis en kunst” als één monument opgenomen. Uniek moge het beeld dan al niet zijn, in zooverre ook elders wel grachten met werven voorkomen, in dezen omvang en stijl geeft het toch aan Utrecht een zeer bizondere plaats in de rij van oude Nederlandsche ■— en ook buitenlandsche steden. Het effect ervan wordt nog verhoogd door het bewogen beloop vooral van de Oudegracht en, mede dank zij dit beloop, door de verrassende werking van den zich telkens weer anders in het grachtbeeld scharenden Domtoren.

Wanneer de eerste werven en de eerste kluizen werden gemaakt, is bij gebreke van historisch materiaal niet meer na te gaan. De oudste mij bekende stukken, waarin van de werven gewag wordt gemaakt, dateeren uit de 14de eeuw; over kelders aan de Oudegracht wordt gerept in een stuk uit de eerste helft van de 13de eeuw. Na het voorafgaande ligt echter de veronderstelling voor de hand, dat zoowel de werven als de kelders veel ouder moeten zijn; het ontstaan ervan moet zich in de nevelen, waarin het vroeg-middeleeuwsche Utrecht is gehuld, verliezen.

(foto Lauwers)

Afb. 6. Opstallen op de werven

In den tijd sinds ± 1800 hebben vrijwel alle Nederlandsche monumenten in andere landen was het al niet anders, doch dit blijve hier buiten beschouwing een zware beproeving moeten doorstaan. Vele zijn eraan bezweken, andere kwamen er min of meer geschonden doorheen en, al ligt de crisis al verscheidene tientallen jaren achter ons, nog steeds dreigt er zoo af en toe een ten onder te gaan. Gelukkig zijn er ook, die nog tijdig konden worden gered en die, dank zij de herleving van besef voor de beteekenis van de oude, overgeleverde cultuurwaarden, in hun ouden luister werden hersteld. Aldus zoowel de Domtoren als de Domkerk, voor welker restauratie, bijna een halve eeuw geleden begonnen, de Utrechtsche burgerij niet dankbaar genoeg kan zijn jegens hen, die hun kennis en doorzettingsvermogen in dienst van deze groote werken hebben gesteld. En toch zou die burgerij zich van dezen plicht werkelijk bewust zijn?

Het is niet aangenaam het te moeten zeggen, maar men kan moeilijk aannemen, dat dit bewustzijn inderdaad in eenigszins breede lagen van de stedelijke bevolking aanwezig is. Nog steeds schijnt slechts een klein percentage ontvankelijk te zijn voor de schoonheid van de groote sieraden der eigen stad. Dit wordt op weinig verheugende maar stellig zeer overtuigende wijze bevestigd door den staat, waarin het belangrijkste deel van het Utrechtsche grachtenmonument, de Oudegracht, door klaarblijkelijke onverschilligheid is komen te verkeeren. Dit is te bedroevender, omdat de, overigens moeilijk te overschatten, verarming, welke de gevels der grachtenhuizen hebben ondergaan, te dezer plaatse buiten beschouwing kan

(foto Lauwers)

Afb. 7. Opstallen op de werven

(foto Lauwers)

Afb. 8. Opstallen op de werven