is toegevoegd aan je favorieten.

De woningbouwvereniging, jrg 7, 1947, no 10-11, 1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t.a.v. de technische levensduur der woningen. Bezwaar heeft spreker tegen de huurpolitiek Van de Regering. De huur, welke thans wordt vastgesteld en waarvan het heet, dat deze in overeenstemming is met het prijsniveau van Mei 1940, is te hoog. Wanneer de huidige stichtingskosten door 2,8 of 3 worden gedeeld, dan zijn de aldus verkregen bedragen belangrijk hoger dan de stichtingskosten in Mei 1940, hetgeen spreker heeft kunnen controleren aan de practijk, omdat zijn vereniging juist in 1940 en ook na de oorlog een complex woningen heeft gebouwd. Spreker wijst er verder nog op, dat het niet juist is, dat arbeiders, die thans een nieuwe woping krijgen toegewezen, van dikwijls slechtere kwaliteit, daarvoor een hogere huur moeten betalen dan arbeiders, die in een woning van vóór de oorlog wonen. Dit acht spreker onbiiUijk en ook reeds daarom is huurverhoging van de oude woningen gerechtvaardigd.

De Heer REINALDA richt enige woorden van dank tot de inleider en zegt, dat dit betoog getuigt van een diep doordenken. Toch heeft spreker behoefte aan het maken van enige opmerkingen. Wij hebben, vervolgt spreker, in ons land ruim 40 jaar woningwetzorg. Toepassing van de Woningwet gedurende deze periode is zeer sterk onderhevig geweest aan de hele conjunctuur, waaronder ons volk heeft geleefd. Dank zij de toepassing van de Woningwet na 1918 was het mogelijk in ons land in betrekkelijk korte tijd uit de woningnood te geraken. Ons land is tengevolge van de oorlog sterk verarmd en het is een gemeenschappelijke taak van het gehele Nederlandse volk om uit deze positie te komen en dit kan alleen worden bereikt wanneer door arbeid het totale productievermogen van ons volk wordt vergroot. Het is sprekers standpunt, dat alles wat het Nederlandse volk aan economische goederen bezit, gemeenschappelijk bezit is. Ik, aldus spreker, verdedig deze stelling, daar iedere verwarring omtrent dit bezit zich wreekt op het Nederlandse volk. Ook het woningbezit is gemeenschappelijk bezit en het is een landsbelang, dat het zo goed mogelijk wordt onderhouden; dit geldt niet alleen voor de woningen van woningbouwverenigingen, maar ook ten aanzien van de woningen van particulieren., Geld, dat wordt uitgegeven voor goed onderhoud van woningen is in wezen een besparing. Het is de taak van de Staat er voor zorg te dragen, dat het woningbezit goed wordt onderhouden en vooral, dat het verval der woningen geen dag langer duurt, onafhankelijk van de vraag, op welke wijze een en ander wordt gefinancierd. Spreker voelt er voor, dat van de Nationale Woningraad de actie uitgaat, dat het onderhoud der woningen zo spoedig mogelijk op peil wordt gebracht. Daarvoor is echter niet nodig, dat de huren worden verhoogd. Wij vertegenwoordigen het woningbezit van gemeente- en woningwetwoningen. Wanneer wij verdedigen, dat huurverhoging noodzakelijk is voor de financiering van het onderhoud, dan staan de particuliere huizenbezitters gereed om zich bij die eis tot huurverhoging aan te sluiten, ook voor de duizenden krotten, waarvoor voor de oorlog al geen cent aan onderhoudswerk werd besteed. Spreker zegt, dat het Nederlandse volk alles moet doen om te geraken uit de cirkel van prijs- en loonsverhoging. Hier zijn vraagstukken, welke wij breed dienen bekijken. Huurverhoging vlan b.v. 20% zal een derde loonronde met zich brengen, met alle nadelige gevolgen daaraan verbonden. De Nederlandse Staat stort reeds jaren lang honderden millioenen in het Landbouwcrisisfonds om te voorkomen, dat de prijzen van levensmiddelen te worden^voor de bevolking en deze post komt ieder jaar op de Staatsbegroting voor. Daarom dient voor de financiering van het ondertioudswerk een extra-bijdrage door het Rijk te worden verleend of eventueel de annuiteitsjaren van 50 op 75 jaar te worden gebracht. Daarmede steunen wij de Regering. Spreker waarschuwt met Idem tegen iedere poging om de kosten van het levensonderhoud van het Nederlandse volk te vergroten.

De Heer BOMMER deelt mede, dat het zijn bedoeling is een enkel woord te zeggen over ~de huurverhoging als middel voor de financiering van de hogere onderhoudskosten”. De situatie is op het ogenblik zo, dat de woningen geheel vervallen, zodat dit bij uitstek gemeenschapsbezit in gevaar komt, terwijl er geen geld is om dit te voorkomen. Door de gestegen kosten is thans de verhouding tussen de uitgaven en de inkomsten zoek. Nu ligt het voor de hand, wanneer men zegt, dat de onderhoudsnormen moeten worden verhoogd, dat men in de eerste plaats tracht de inkomsten zodanig op te voeren, dat die hogere uitgaven voor onderhoudskosten worden gedekt. Voor alles moet men thans meer betalen dan voor de oorlog en iedereen accepteert dat als onvermijdelijk, maar als wij spreken van verhoging der huurprijzen van de woningen, dan kan dat niet. Blijven thans de huurprijzen op het oude niveau gehandhaafd, dan betekent dit dat verhoging van de prijzen van alle andere producten ten koste van de huren gaat. Het is goed, als men dit voor ogen houdt.

Vlissingen : W.b.v. „Goed Wonen". Na de droogmaking van Walcheren en rta herstel van de schade door beschieting. (Foto J. Visser)

Er is voorgesteld om de aflossingstermijn van 50 jaar te stellen op 75 jaar. Dit komt practisch hierop neer, dat de huidige tekorten worden betaald uit gelden, welke anders na 50 jaar vrij zouden komen. Wij zullen echter, zegt spreker, die gelden welke dan vrij komen, hard nodig hebben voor grondige restauratie der woningen. Bovendien bekent de voorgestelde regeling, dat'dan 25 jaar langer rente moet worden betaald.

Thans, zegt spreker, wil hij het vraagstuk van de huurverhoging nog even in het algemeen behandelen. Hetgeen ik thans opmerk, zegt hij, neem ik geheel voor mijn persoonlijke rekening. Verschillende sprekers hebben tegen huurverhoging waarschuwingen laten horen. De weg, welke op het ogenblik in Nederland wordt gevolgd, als onderdeel van de prijs- en loonpolitiek, waarbij de huren kunstmatig op een te laag peil worden gehouden, is de weg van de minste weerstand en hieruit kan een gevaar voortvloeien voor de volkshuisvesting. Dit moeten wij heel goed voor ogen houden. In Amsterdam, vervolgt spreker, is voor enkele dagen een voorstel aangenomen voor de bouw van een aantal nieuwe woningen. De huurprijs van deze woningen is vastgesteld op f 9, per week, de kostprijshuur zal bedragen f 21, per week. Hier moet dus wekelijks een bijdrage van f 12, per woning worden betaald. Dat is op de duur onhoudbaar en de Staat zal op deze wijze niet kunnen voortgaan. De financiering van de woningbouw is een enorm probleem en met de oplossing staat of valt de verbetering van de volkshuisvesting. Een der middelen ter vermindering van de financiële lasten van de Staat acht spreker een huurverhoging van het oude bezit, welke niet ten goede komt aan de huiseigenaars, maar welke in een speciaal fonds zal moeten worden gestort. Huurverhoging thans is in het belang van de verbetering der volkshuisvesting in de toekomst. Vroeger stond men op het standpunt, dat op het platteland de huur een zesde a een zevende deel van het inkomen mocht zijn. Momenteel is een huur van f 2,50 voor een arbeiderswoning op het platteland normaal, terwijl de lonen zeker op gemiddeld boven de f 30, kunnen worden gesteld. De huur is thans dikwijls een vijftiende deel van het inkomen. Dat acht spreker abnormaal en onhoudbaar. Verbetering van de volkshuisvesting is alleen mogelijk bij een redelijk huurpeil. De vraag is gesteld, moet de Nationale Woningraad nu voorstellen, dat de huren worden verhoogd? Spreker vraagt, maar als de Nationale Woningraad. dit niet voorstelt, wie moet het dan doen? Spreker is van mening, wanneer de hurenpositie zo enige tijd voortglaat, de volkshuisvesting een ontzaglijk gevaar tegemoet gaat en daarom is het de plicht van de Nationale Woningraad, hierop te wijzen. Ik heb gemeend, zegt spreker, deze waarschuwing te moeten laten horen.

De VOORZITTER zegt, dat het in onze kringen zelden voorkomt, dat van achter de bestuurstafel twee meningen worden verkondigd. In de vergadering van het bestuur is het voorstel tot huurverhoging met algemene stemmen aanvaard. De Heer Reinalda was in die vergadering echter niet aanwezig en daarom heeft spreker gemeend de Heer Reinalda gelegenheid te moeten geven zijn standpunt in deze vergadering te verdedigen. Thans, zegt de voorzitter, wil ik ook een enkel woord over deze materie zeggen. Ik ben, zegt hij, 35 jaar bestuurslid van een woningbouwvereniging, die ruim 3.500 woningen in exploitatie heeft. Onze vereniging heeft voor de oorlog woningen gebouwd tegen een gemiddelde huurprijs van f 5,50 per week, daarboven betalen de bewoners nog een bedrag van f 1,60 a f 1,75 voor centrale verwarming en warmwatervoorziening. Juist voor het uitbreken van de oorlog hebben wij een nieuw complex aanbesteed en in de eerste oorlogsjaren afgebouwd. De woningen doen een huur van f 7, per week en zijn minder van kwaliteit. Is het nu niet onbillijk, dat de bewoners der oudere woningen, welke beter zijn, minder huur betalen ? Spreker gelooft niet, dat tegen verhoging van de huren Van die woningen bezwaar kan bestaan. Het voorstel van de Nationale 'Woningraad is gerechtvaardigd. De voorzitter geeft daarop het woord aan de Heer In 't Hout voor het beantwoorden van de gestelde vragen.

De Heer IN ’T HOUT zegt, dat door de uitvoerige beschouwingen van de Heren Reinalda en Bommer over het voor en tegen van de voorgestelde huurverhoging, het hem gemakkelijk is gemaakt, zodat hij hierop niet nader meer behoeft in te gaan. Ten aanzien van de ~Financieringsregeling Woningbouw 1947" zegt spreker, dat deze regeling door hem niet is voorgesteld, als zijnde zo bizonder gunstig voor de woningbouwverenigingen. Maar vergeleken bij de huidige regeling op grond van de Woningwet, is de „Financieringsregeling 1947” te prefereren, omdat ze voordeliger is voor de gemeente, een grotere zelfstandigheid geeft ten opzichte van het Rijk en ruimere exploitatiemogelijkheden. Als voorbeeld is spreker afgegaan op het voorbeeld van Delft, waar op een plan van 128 woningen, de gemeente f 5,11 van de bouwkosten per m® voor haar rekening neemt, maar toch nog een voordelig saldo verkrijgt van ongeveer f 10.000,—, welke dus ook voor de toekomst nog wel enige ruimte geeft, al zouden de bouwkosten