is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 29, 1948, no 3, 1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Algemeen

De verschijning van dit ontwerp, dat moet worden beschouwd als een poging tot terugkeer van het noodrecht, vervat in het Kon. Besluit F 67, naar een bij beproefde beginselen van bestuursrecht en -organisatie aangepaste regeling, verdient als zodanig alle instemming. In sommige opzichten regeling van de onteigening, opdracht van de vaststelling der wederopbouwplannen aan de gemeenteraden kan deze poging in hoofdzaak als geslaagd worden beschouwd, in andere opzichten echter niet. Een bezwaar van de overgelegde regeling is dat zij fragmentarisch is, dus niet beantwoordt aan het intitulé en de considerans, doordat andere regelingen, met name het aanhangige ontwerp tot wijziging der Woningwet, ook belangrijke bepalingen omtrent de regeling van wederopbouw en bouwnijverheid bevatten. De splitsing van de materie tussen het evengenoemde ontwerp en het thans ingediende schijnt niet gemotiveerd, althans adressant heeft vergeefs gezocht naar een zakelijk criterium, dat bij deze verdeling is gevolgd. Men moet zich afvragen en aan een bevestigend antwoord op deze vraag schijnt niets in de weg te staan of het niet verre de voorkeur heeft beide regelingen samen te voegen, te meer, omdat op sommige punten bij de samenstelling van dit ontwerp het onderlinge verband uit het oog verloren schijnt te zijn.

Een tweede bezwaar is dat de regeling van het ontwerp weinig uitgewerkt is en veel overlaat aan algemene maatregel van bestuur en ministeriële beschikking (organisatie Rijksdienst, wederopbouwplannen, richtlijnen ter toetsing van bouwplannen), waardoor het onmogelijk is zich van de beoogde organisatie en wijze van werken een duidelijk beeld te maken, In de derde plaats moet het worden betreurd dat de toelichting uiterst beknopt is en op menig punt geen enkele opheldering verschaft. Adressant komt hierop bij de artikelsgewijze bespreking terug.

Wat de systematiek van het ontwerp betreft, zou het, naar adressant meent, uit een oogpunt van logische opeenvolging der onderwerpen de voorkeur verdienen het wederopbouwplan voorop te stellen, vervolgens de onteigening, daarna, de bouwvergunning en ten slotte de Rijksdienst te regelen of wel eerst deze dienst en daarna de overige onderwerpen in de aangeduide volgorde.

Art. 1

Het eerste lid van dit artikel bevat een bepaling, waarvan de strekking niet duidelijk is. Gaf het ontwerp een volledige regeling van het onderwerp, dan zou dit voorschrift op zichzelf juist, m-ar overbodig zijn. Thans is het, gelet op het fragmentarisch karakter van de regeling niet juist, terwijl het gevaar niet denkbeeldig is dat dit voorschrift zou worden uitgelegd als een beletsel voor gemeentebesturen om aanvullende verordeningen vast te stellen.

Artt. 2 en 7

In deze beide summiere en weinig toegelichte bepalingen wordt het zeer belangrijke onderwerp van de organisatie van het Rijksapparaat voor de wederopbouw en de volkshuisvesting aan de orde gesteld. Voor een goed begrip kan het dienstig zijn in herinnering te brengen dat oorspronkelijk de Inspectie van de Volkshuisvesting, berustende op de Gezondheidswet en nader geregeld in het Gezondheidsbesluit, werkzaam was als een stimulerend, toezicht houdend en adviserend orgaan, waarvan de positie echter bij een Kon. Besluit van 18 Maart 1946 ingrijpend is veranderd, in die zin, dat als nieuwe figuren de Hoofdingenieur-Directeur van de Volkshuisvesting in de provincies en de Directeur-Generaal van de Volkshuisvesting zijn ingevoerd, die onderscheidenlijk werden belast met de waarneming van het ambt van Inspecteur en Hoofdinspecteur, een en ander blijkbaar als uitdrukking van een verandering in de feitelijke aard van deze functies, waardoor het zwaartepunt kwam te liggen bij het zelf beslissen en zelf handelen. Deze verandering werd versterkt, doordat de Dienst van het College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw geleidelijk, zowel wat zijn centrale gedeelte als wat de provinciale bureaus betreft, met de dienst van de volkshuisvesting werd verenigd, vooruitlopende op de voorgenomen opheffing van het College. Thans beoogt men aan deze, voorzover adressant bekend is, geheel uitgevoerde reorganisatie achteraf een wettelijke grondslag te verlenen, zonder dat dit uit de toelichting blijkt en zonder dat de reorganisatie 'zakelijk wordt gemotiveerd.

Tegenover deze poging kan men zich op het standpunt stellen dat de thans geboden gelegenheid tot herstel van een wettelijke toestand ten aanzien van het Rijksapparaat dankbaar moet worden aangegrepen. Men zou dan echter een volledige uiteenzetting moeten verlangen van de motieven, die voor de beoogde organisatie pleiten. Men kan ook het standpunt innemen . en adressant meent dat dit de voorkeur moet hebben dat een goed gefundeerd oordeel over de wettelijke regeling van het Rijksapparaat eerst kan worden gevormd in het kader van een rustige overweging van de gehele wettelijke regeling van volkshuisvesting en stedebouw in ruime zin, zoals die thans is opgedragen aan de Staatscommissie tot herziening van de Woningwet. Bij een noodregeling kan de sfeer van zorgvuldig beraad, die voor een ver reikende beslissing als de thans door de Regering verlangde wenselijk is, moeilijk worden gevonden. Het onlangs opgeworpen voorstel tot overdracht van de taak, die tot dusver door het Rijksapparaat in de provincies wordt vervuld, aan de provincie als bestuursorgaan, een voorstel, dat zeker nog nadere toetsing en bestudering vergt, kan in de thans onvermijdelijke haast moeilijk tot zijn recht komen. Verder ontstaat het gevaar dat de Staatscommissie de invloed zou ondergaan van een uitspraak van de Volksvertegenwoordiging over de nu voorgestelde regeling, ook al is deze uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld.

Op deze gronden zou adressant tegen een zodanige uitspraak bij deze gelegenheid bedenking hebben.

Art. 3

Adressant stemt in grote lijnen in met de ontworpen regeling, die met behoud van een snelle procedure aan eisen van rechtszekerheid tegemoetkomt en juicht het in het bizonder toe dat aan deze regeling een ruime strekking is gegeven, waardoor zij in het belang van de wederopbouw en het economisch herstel des lands ook buiten de eigenlijke wederopbouwgebieden kan worden toegepast. De vraag is echter hoe ver de strekking van deze bizondere onteigening gaat. Is het de bedoeling dat elke voorgenomen onteigening moet voldoen aan de beide in de aanhef van het eerste lid gestelde eisen, of moeten deze als alternatief worden gezien? Er kan verder twijfel heersen over de vraag of voor woningbouw buiten het wederopbouwplan van deze regeling gebruik kan worden gemaakt. De toelichting noemt dit geval niet met name, hoewel de omschrijving van het eerste lid onder b op een bevestigend antwoord wijst. Adressant zou er in het belang van een vlotte bestrijding van de woningnood grote waarde aan hechten dat deze mogelijkheid boven twijfel zou komen te staan. Op deze wijze zou immers het tekort aan bouwterrein, dat niet zelden vertragend dreigt te werken op de woningbouw, snel kunnen worden overwonnen.

Tevens zal dan de mogelijkheid dienen te worden geopend om hij de onteigening als sub b bedoeld, ook gebouwde onroerende goederen te betrekken, aangezien anders elke opstal, van hoe geringe betekenis ook. op een te onteigenen terrein als een enclave zou moeten worden ontzien en de gehele onteigening zou kunnen verijdelen.

Bij vergelijking van de beide gevallen, in het eerste lid onder a en b gesteld, treft het dat de onteigening in het eerste geval ondergeschikt wordt gemaakt aan een stedehouwkundig plan, in het tweede geval niet. Adressant meent dit in het belang van een goede stedebouwkundige orde te moeten betreuren, immers de vestiging van belangrijke industrieën, die in de toelichting wordt genoemd, en ook dringende woningbouwplannen zouden aanleiding kunnen geven tot onteigening van terreinen in afwijking van het geldende uitbreidingsplan, waardoor deze| plannen in zo sterke mate een voldongen karakter krijgen, dat het bezwaar van strijd met het uitbreidingsplan wel eens onvoldoende gewicht in de schaal zou kunnen werpen. \Vij noemen hier in het bizonder de vestiging van industrieën, omdat hieraan veelal ingrijpende gevolgen verbonden zijn; uitbreiding van de bevolking en de woningbouw ter plaatse, verandering van het landelijk karakter, aantasting van landbouwgronden en natuurruimten. Aan de andere kant moet met de klemmende noodzakelijkheid van deze afwijking of van het vooruitlopen op een nog niet goedgekeurd of vastgesteld plan rekening worden gehouden. Een aannemelijke oplossing voor deze tegenstelling lijkt een bepaling, dat voorzover de onder b beoogde onteigening geschiedt buiten een goedgekeurd uitbreidingsplan of in afwijking daarvan Gedeputeerde Staten de voorlichting inwinnen van de provinciale planologische dienst en het advies van deze dienst overleggen.

Ten slotte doet de hier geregelde onteigeningsprocedure de vraag opkomen hoe de verhouding is tot de afwijkende procedure van het wetsontwerp op de materiële oorlogsschaden. Aangenomen dat een splitsing, met erlei regeling, onvermijdelijk is ook in dit opzicht zou een meer beredeneerde toelichting op haar plaats zijn —, schijnt het vreemd dat voor sommige goederen, namelijk die bedoeld in art. 23, tweede lid onder b van laatstbedoeld ontwerp, de keuze tussen beide procedures min of meei arbitrair ter beslissing aan de Minister is overgelaten. Een scherper afbakening van beide regelingen schijnt raadzaam.

Art. 4

De regeling van het stedebouwkundig wederopbouwplan in dit artikel maakt de indruk te veel gebleven te zijn in de sfeer van de uiterst beknopte regeling van het Kon. Besluit F 67 en te weinig aanpassing te hebben gezocht bij de regeling van het uitbreidingsplan in de Woningwet, waarmee dit plan toch op één lijn kan worden gesteld. Adressant veroorlooft zich te herinneren aan het schema voor een Wederopbouwwet, samengesteld door een commissie uit de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Instituut onder voorzitterschap van de Heer C. G. Matser, welke schema aan de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting is overgelegd err gepubliceerd in de Nederlandse Gemeente van 11 April 1947. In dit schema was de analogie met het uitbreidingsplan zoveel mogelijk aangehouden, waardoor de daarin voorgestelde regeling op vele punten van de hier geopperde verschilt. Wij denken aan het ontbreken in het wetsontwerp van een omschrijving van de inhoud van het wederopbouwplan, waarbij met name gedacht moet worden aan een formulering, die de bestemming en het gebruik van gronden en gebouwen omvat, aan het gemis van een. bepaling over een uitwerking van het plan in kaart en verordening, aan de onvoldoende afbakening van de territoriale sfeer van het wederopbouwplan, waardoor blijkbaar de mogelijkheid ontstaat dit plan ook ver buiten de wederopbouwgebieden te hanteren, aan het ontbreken van een bescherming van het wederopbouwplan tijdens de voorbereiding door het nemen van een voorbereidingsbesluit in de trant van dat van art. 36, vierde lid, der Woningwet, aan het ontbreken van de gelijkstelling van de in een wederopbouwplan opgenomen bouwlijnen met rooilijnen op de voet van art. 2, derde lid, der Woningwet, aan het verzuim dat het wederopbouwplan ook niet als uitbreidingsplan wordt beschouwd in de zin van het besluit van 15 Mei 1941 inzake de Rijksdienst voor bet Nationale Plan, waardoor de mogelijkheid zou zijn ontstaan van een bescherming van het wederopbouwplan in voorbereiding door het maken van bezwaar door de President van die dienst, aan de afwezigheid van een bepaling, die B. en W. de bevoegdheid verleent op onderdelen