is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 29, 1948, no 3, 1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het wederopbouwplan af te wijken, aan het gemis eindelijk van een regeling terzake van onderling aansluitende wederopbouwplannen voor naburige gemeenten waar zich aaneengeschakelde vernielingen hebben voorgedaan.

Een aanvulling van het artikel in deze opzichten lijkt ons zeer wenselijk. Een eigenaardig voorschrift is dat van de laatste volzin van het eerste lid, waar een onvoldoende regeling van het welstandstoezicht als grond voor het onthouden van goedkeuring aan een wederopbouwplan is vermeld. Tegen deze figuur moet ernstig bezwaar worden gemaakt, aangezien op deze wijze de goedkeuring van een wederopbouwplan afhankelijk zou worden van omstandigheden, die los van het plan staan. Wil de Regering zich invloed verzekeren op de welstand, dan dient dit afge.scheiden te worden van de goedkeuring van de wederopbouwplannen, immers de behoefte aan welstandstoezicht is van ruimer strekking dan de wederopbouwgebieden en verder dient dit niet bij deze wet te geschieden. Gewezen worde hier op de regeling terzake, die de Staatscommissiei-Frederiks in haar wetsvoorstel had opgenomen.

Art. 5

Begrijpelijkerwijs is hier de goedkeuring van alle werken onderworpen aan een vergunningsrecht, maar ook in dit voorschrift is naar de mening van adressant nog te nauw aangesloten bij de bestaande constellatie, waarin de centrale goedkeuring als de normale figuur geldt, terwijl thans met de voorgenomen decentralisatie voor ogen veeleer burgemeester en wethouders als het aangewezen beslissende orgaan, zij het ook gebonden aan centrale richtlijnen, hadden dienen te worden erkei.d, onder het voorbehoud overigens dat de Minister in bepaalde gevallen de goedkeuring aan zich moet kunnen trekken. Een wijziging van het voorschrift in deze zin schijnt meer met een gezonde taakverdeling in overeenstemming.

Het artikel geeft overigens geen duidelijk antwoord op de vraag op welke wijze aanvragen om goedkeuring worden beoordeeld. Het wetsontwerp tot wijziging der Woningwet kon de verwachting doen ontstaan, al was ook dit ontwerp hierin niet duidelijk, dat het Rijksbouwprogramma, dat daarin een elementaire regeling had gevonden, bedoeld was als toetssteen voor alle werken, maar in het nu ingediende ontwerp wordt over het Rijksbouwprogramma gezwegen (behalve dat in de toelichting het „z.g. bouwplan” en het „woningbouwprogramma” worden genoemd) en in plaats daarvan worden in het derde lid van art. 5 richtlijnen genoemd, welke de Minister in overleg met enige van zijn ambtgenoten vaststelt, zonder dat deze richtlijnen intussen bindend blijken te zijn. Dit alles maakt een uitermate verwarde indruk, waaraan alleen een onderlinge aanpassing van beide ontwerpen en een duidelijke uiteenzetting van de wijze van toetsing van aanvragen een einde kan maken.

Overigens trekt het de aandacht dat de verbodsbepaling van het eerste lid, die de kring van strafbare personen zeer ruim trekt, een gewrongen karakter heeft, doordat hieraan nog niet de eis van een schriftelijke goedkeuring is voorafgegaan.

Adressant meent Uw Kamer te mogen verzoeken bij de behandeling van dit ontwerp van wet wel met het bovenstaande rekening te willen houden. Hij veroorlooft zich nog hieraan toe te voegen dat het z.i. zeer te betreuren zou zijn als de bedenkingen en opmerkingen, waartoe het voorstel aanleiding geeft, er toe zouden leiden dat de totstandkoming van een wettelijke regeling nog lang op zich zou doen wachten, te betreuren in het bizonder, omdat daardoor een regeling van de onteigening als de voorgestelde, voorlopig niet ten dienste van de gemeentebesturen zou komen, die daaraan niet zelden met het oog op de woningbouw dringend behoefte hebben. Mocht er toch onverhoopt vertraging van betekenis ontstaan, dan zou adressant zich kunnen voorstellen dat de regeling van de onteigening bij wijze van noodoplossing, zij het ook dat dit op zichzelf verre van aantrekkelijk is, van de rest werd afgescheiden en bij afzonderlijke wet tot stand gebracht.

Met verschuldigde hoogachting

Namens het bestuur

(w.g.) M. J. I. de Jonge van Ellemeet Voorzitter

(w.g.) H. van der Weijde Secretaris-Directeur

Binnenland

De nieuwe Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting

Wij zijn niet gewoon in deze rubriek melding te maken van de wisseling in de opperste leiding van het Departement, waaraan volkshuisvesting en stedebouw zijn toevertrouwd. Van ouds is de Minister, die deze onderwerpen behartigt, wij moeten zeggen helaas —, een bewindsman geweest, die zijn aandacht over vele aangelegenheden had te verdelen, die dus dikwijls minder dan de hoogste hoofdambtenlaren door de mensen uit de praktijk gezien werd als de drager van het Regeringsbeleid, een bewindsman ook, wiens aandacht een enkele gelukkige uitzondering daargelaten niet door een van ouds bestaande belangstelling juist naar deze onderwerpen getrokken werd.

Bij het optreden van de Heer Mr. J. in ’t Veld als Minister is de toestand in beide opzichten anders. Op het Departement vormen de onder-

werpen, die het Instituut zich aantrekt, de hoofdzaak, duidelijker nog dan onder Minister Neher, nu de posterijen, telegrafie en telefonie daarvan zijn afgescheiden. Men kan zonder overdrijving zeggen dat volkshuisvesting en stedebouw nu een eigen Minister hebben. En de voldoening over deze emancipatie is te sterker, omdat de nieuwe Minister een oude bekende is op deze gebieden, een medestander van onze woninghervormers en stedebouwers.

Als oud-hoofdambtenaar van de gemeente Rotterdam, belast met deze aangelegenheden, als burgemeester van een gemeente met een grote arbeidersbevolking met ernstige huisvestingsproblemen, .als voorzitter van de administratief-stedebouwkundige kring van het Instituut uit de oorlogsjaren, heeft Mr. in ’t Veld op allerlei wijzen ten duidelijkste doen blijken vian zijn kennis en zijn activiteit op deze gebieden.

Spreken wij de wens uit dat hem gedurende een ruime ambtsperiode de gelegenheid zal worden geboden die kennis en activiteit ten volle aan te wenden op de belangrijkste post, die de Nederlandse volkshuisvesting en stedebouw kennen.

}hr. Ir. J. de Ranitz

Wij moeten hier nog mededeling doen, getrouw aan de gewoonte, dat omtrent het aftreden van de Inspecteurs in het Tijdschrift wordt bericht, van het eervol ontslag met ingang van 1 Januari 1.1., aan de Heer Jhr. Ir. J. de Ranitz als Hoofdingenieur-Directeur van de Volkshuisvesting in Zeeland.

Hoewel de Heer de Ranitz in leeftijd tot de jongere inspecteurs behoorde, moet hij tengevolge van de vele veranderingen van de laatste jaren in het corps inspecteurs worden gerangschikt onder de weinige.n, die over ervaring beschikken uit de tijd, toen de uitvoering van de Woningwet nog het terrein van de Inspecteur was en zijn taak nog geheel beantwoordde a.an het stelsel va,n Woningwet en Gezondheidswet. Nog geheel afgescheiden van de persoonlijke kwaliteiten van deze Inspecteur, betreuren wij dit afscheid ook hierom, dat temidden van de zoveel verruimde werkzaamheden van de Inspecteurs, opgedragen aan ambtsdragers, die van meet af de nieuwe taak moeten vervullen, in feite een vernauwing van de aandacht dreigt, een verwaarlozing van de sociale achtergrond van alle bemoeiingen, die nu actueel zijn. Alleen de continuïteit met de periode, waarin de Inspecteurs dagelijks met die achtergrond in aanraking kwamen, kan dit verhelpen, en deze continuïteit is steeds minder verzekerd, naarmate een van de oude Inspecteurs vertrekt. H. V. d. W.

Indiening ontwerp-Wederopbouwwet

Bij Koninklijke Boodschap van 28 Februari 1.1. is bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakt een wetsontwerp, dat beoogt het Kon. Besluit F 67, van 7 Mei 1945, de wettelijke grondslag van de wederopbouw, te vervangen.

Het ontwerp regelt een viertal onderwerpen, en wel de Rijksdienst voor Wederopbouw en Volkshuisvesting, de onteigening in het belang van wederopbouw en economisch herstel, de stedebouwkundige wederopbouwplannen en de beoordeling van werken uit een oogpunt van doelmatige leiding van de bouwnijverheid.

De bepalingen inzake de genoemde Rijksdienst zijn uiterst beknopt. Ze houden slechts in dat een zodanige dienst werkzaam is onder de bevelen van de Minister en dat de werkzaamheden van Inspecteur en Hoofdinspecteur van de Volkshuisvesting zolang de wet in werking is, zullen worden uitgeoefend door ambtenaren van deze dienst, terwijl de verdere inrichting wordt overgelaten aan een algemene maatregel van bestuur. Verder geeft de toelichting een negatieve aanwijzing, namelijk dat het College van Algemene Commissarissen, waaronder de bestaande dienst, althans voorzover de wederopbouw betrof, formeel ressorteerde, wordt opgeheven. De strekking van deze bepalingen is klaarblijkelijk de inmiddels sinds de oorlog uitgevoerde reorganisatie, die een tweeledig karakter had, namelijk de omzetting van de oude Inspectie in een zelf beslissend en handelend orgaan onder leiding van een Directeur-Genenaal en Hoofdingenieurs-Directeur, en de samenvoeging op het Departement en in de provincies van de diensttakken van volkshuisvesting en wederopbouw, een wettelijke grondslag te geven. Over de wenselijkheid van deze reorganisatie noch over het feit dat het beoogde niets nieuws is, maar in feite al is voltrokken, zwijgt de toelichting.

Het tweede onderw.erp, de onteigening, heeft nu een regeling gekregen, die aanmerkelijk dichter bij de normale rechtsgang komt, zonder de voordelen van een snelle procedure los te laten. De onteigeniing zal geschieden bij raadsbesluit onder goedkeuring van de Minister, terwijl de inbezitneming onmiddellijk daarna kan volgen. De bepaling van de schadeloosstelling is opgedragen aan de rechter, maar de lange duur van de hiermee gemoeide procedures is uiteraard minder bezwaarlijk, aangezien de onteigenende partij zich inmiddels in het bezit kan stellen van het goed.

Zeer opmerkelijk is de ruime strekking van deze procedure. Behalve het motief van de wederopbouw wordt namelijk dat van het economisch herstel des lands als grond voor deze onteigening aangege.ven, waarbij volgens de toelichting met name gedacht is aan belangrijke industrieën, waarvan men de vestiging om economische redenen wil bevorderen. Het accent van deze onteigening komt dus geheel anders te liggen dan in de geldende regeling van het Kon. Besluit F 67, die wel geen enkele beperking behelsde, maar in de praktijk toch sterk gebonden was aan het kader van de wederopbouw, biet accent van de nieuwe regeling valt nog te meer buiten de wederopbouwgebieden, aangezien een speciale ont-