is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 29, 1948, no 7-8, 1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derland een drie duizend van deze eerste-hulp-bij-ongelukkenwoningen gekregen. En we waren er dankbaar voor en zijn dat nog steeds, want de eerste hulp bij een ongeluk moge niet afdoende zijn, toch is zij noodzakelijk, want zonder dit komt in veel gevalllen de verlener van de afdoende hulp niet aan bod, omdat de patiënt gestorven in dit verband mogen wij zeggen gekrepeerd is.

Zo was de toestand in 1945. Het ging niet meer om eisen van welstand of gemak, maar het ging om een onderdak te vinden teneinde in leven te blijven. De opdracht van het Commissariaat Noodvoorziening was te zorgen, dat er niemand in de winter van 1945 op 1946 zou omkomen. In deze situatie zijn de noodwoningen ontstaan en daarin passen zij, maar zij staan er ook nu nog en zullen er over tien jaar nog staan. Er is geen enkele klacht over noodwoningen gerechtvaardigd als men niet eerst begint met de dank uit te spreken aan de regering, die in 1945 de moed en het plichtsgevoel had om in de toekomst verantwoordelijk gesteld te worden voor de last, die de noodwoningen ons nog eens zullen bezorgen. En die last zal niet gering zijn.

Als men gemeenten vindt als Groesbeek, Bemmel en Echteld, waar 10% van de woningvoorraad uit noodwoningen bestaat en in Hedel zelfs belangrijk meer, dan weet men vooruit, dat wij in deze gemeenten in een niet te verre toekomst voor een krottenprobleem zullen staan van ongekende grootte. Dit probleem is in 1945 willens en wetens geschapen. De enige verontschuldiging was maar deze is dan ook afdoende dat men niet anders mocht doen. En er zijn in Gelderland nog wel krepeergevallen, dus men heeft niet teveel noodwoningen gebouwd. Naar de nood van 1945 veel te weinig en naar de nood van thans nauwelijks genoeg. Ook dit moet worden uitgesproken en vastgelegd om sterk te staan tegenover de bezwaren, die hoe langer hoe luider verkondigd zullen worden. De regering heeft getoond een warm hart te bezitten toen zij de noodwoningen mogelijk maakte en zij gaf blijk van een koel hoofd toen zij besloot ermee op te houden. Zij heeft behoorlijk gelaveerd tussen ~the devil and the deep sea”.

Wij hebben de tijd gehad, dat men in de oorlogsgebieden van Gelderland vond, dat er te weinig noodwoningen kwamen en wij zullen de tijd beleven, dat men zal vinden, dat er veel te veel gebouwd zijn. Thans drie jaar na de bevrijding leven we tussen deze twee waarderingen in. Men is er nog blij mee, maar heeft toch ook al weet van de komende klachten en bezwaren. Wat ~men” zo vindt van de noodwoningen is een goede waardemeter voor de vordering van de wederopbouw wat de woningen betreft.

Het is nu wel de tijd om een tussentijdse balans op te maken. Een van ons (Mej. M.) heeft de complexen noodwoningen bezocht te Arnhem, Nijmegen, Wageningen, Oosterbeek, Huissen, Eist, Kesteren, Ochten, Groesbeek en Hedel. Dat zijn niet alle Gelderse gemeenteen, maar hier staan er toch een kleine 1700, dus meer dan de helft en men kan wel eenvoudigweg zeggen, dat de andere helft net zo is. Zeker voldoende om enig inzicht te geven in de toestand en de klachten. Natuurlijk worden vooral de gebreken opgesomd en de klachten geuit en de bewoner vergelijkt ze met de nieuw gebouwde permanente woningen. Wij willen niet als luidspreker voor deze klachten fungeren en volstaan met enkele opmerkingen te maken, die opvielen.

De noodwoningen zijn in de regel gebouwd in complexen van 50 tot 100 bij elkaar, Nijmegen heeft zo een noodwoningdorp van 200 huizen. Voor de steden was dit onvermijdelijk, terwijl dit voor de dorpen niet in die mate dwingend was. Het economisch motief van het goedkopere bouwen heeft het hier gewonnen van het sociale inzicht, dat blijkbaar bij de wederopbouw onvoldoende aanwezig was. In de Over-Betuwe in Eist, Huissen en Bemmel staan ze verspreid en dat is een daad van wijs beleid geweest. De blokkenbouw is een fout geweest, die men had moeten voorkomen, want bij de bouw was reeds te voorzien, dat dit zich moest wreken. Men wist, dat men woningen bouwde, die snel in waardering zouden inboeten, en dus geleidelijk en zelfs vrij spoedig, bewoners met een lage

woonbeschaving zouden gaan herbergen, woningen die snel zouden declasseren en dan aanleiding geven tot buurtjes van minder sociale elementen.

In de stad met haar woonwijken, gescheiden naar sociale laag. is dit onvermijdelijk, maar wat heeft men daar ook niet een lastvan de opeenhopingen van de onmaatschappelijke gezinnen. De prijs is hoog, die men op deze wijze betaalt voor de planologische consekwenties van onze in sociale en culturele lagen gedifferentieerde bevolking. Het echte dorp kent dit niet en de verschillende standen hebben zich ruimtelijk niet van elkaar gedistancieerd. Dit is van een zeer grote gemeenschapvormende waarde.

Bij de noodwoningbouw in complexen heeft men een lange jammer voor de toekomst gesticht. Dat blijkt nu reeds. Bij de aanvankelijke selectie heeft men zoveel mogelijk de minder goed bekend staande gezinnen geweerd, maar als het een krepeergeval gold. kon men ze toch niet laten kreperen. Men ziet nu het verschijnsel, dat de sociaal zwakke gezinnen het verst van de hoofdweg, dus wat achteraf gehuisvest zijn, terwijl de betere gezinnen ~aan de weg” wonen. Maar de mot zit in het complex en onherroepelijk zal deze van het voeteneind uit. het geheel sociaal aanvreten. Daarvoor is het een geheel. Zijn de noodwoningen verspreid door het dorp in kleine groepjes, dan merkt men dat de sociale selectie, die bij de eerste toewijzing bewust is toegepast, zich nu spontaan zonder ingrijpen, voortzet. Dit is een veel gelukkiger oplossing, want men vermijdt de opeenhoping en uitstoting van de sociaal zwakke gezinnen uit de dorpsgemeenschap en de declassering van veel noodwoningen wordt tot veel later uitgesteld en dit is meer dan economische winst. In de Gelderse dorpen in het rivierengebied staan een ontstellend aantal krotten, maar deze, en evenmin de bewoners, zijn gedeclasseerd en dat komt, omdat zij verspreid zijn over dorp en omgeving. Indien zij op een kluitje bij elkaar zouden staan, zouden de sociale gevolgen veel ernstiger zijn. Men ziet dat telkens, waar sprake is van buurtjes van slechte woningen en dat zijn er nog maar enkele. In de toekomst krijgen wij dit rampzalige verschijnsel te zien bij de, voor dorpse verhoudingen, massale opeenhoping van noodwoningen. Symptomatisch is dat in een gemeente thans de vox populi reeds spreekt in galgenhumor van „Buchenwalde”.

Opgemerkt is al, dat betere gezinnen uit de noodwoning overgaan naar de permanente woningen. In theorie heeft de gemeentelijke overheid het in haar hand om de bevolking van de noodwoningcomplexen sociaal gemengd te houden, maar in de praktijk strandt de hantering van deze bevoegdheid op onzichtbare krachten, die altijd sterker zijn.

De blokkenbouw heeft met zich mee gebracht, dat men geen grond bij de woning heeft. De plattelander heeft deze nodig als zóne ter verdediging van zijn woonvrijheid, als isoleringsstrook, maar ook om een en ander te verbouwen. Zaken, die

„Buchenwalde”, Opheusdem