is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 29, 1948, no 9, 1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het algemeen zal het zo zijn, dat per jaar 7 % van de jaarhuur zal worden gereserveerd, totdat een reserve van viermaal deze jaarhuur is verkregen. Op zichzelf vormt dit maximum inderdaad een belangrijk bedrag, doch daarbij moet niet vergeten worden, dat het een lange tijd zal duren voor het wordt bereikt. Immers, aan de ene kant bestaat wel de mogelijkheid, dat door een voordelig renteverschil, zo de gemeente dit aan de reserve ten goede zal laten komen, de reserve sneller zal groeien dan met 7 % per jaar, doch aan de andere kant valt uit hetgeen hiervoren door mij werd betoogd af te leiden, dat er reeds in een niet te verre toekomst nadelige factoren kunnen optreden, welke de groei van de reserve zullen belemmeren.

De gemeentebesturen kunnen besluiten, dat de helft van de reserve door de verenigingen zelf zal dienen te worden gevormd, zulks teneinde het verantwoordelijkheidsgevoel bij de verenigingsbesturen te stimuleren. Het zal dan echter zo moeten zijn, dat de desbetreffende verenigingen over de middelen beschikken om aan de hun opgelegde verplichting te kunnen voldoen. Indien nu de vereniging het gedeelte van 31/2 %, hetwelk zij zelf zou moeten bijdragen, niet van het begin af op de huur mag zetten, wat nergens uit blijkt, dan komt het er op neer, dat de vereniging bedoelde middelen zal moeten nemen uit haar algemene winst of uit een verhoogde heffing van haar leden. Het gevolg hiervan zal zijn, dat een kapitaalvergroting van de vereniging of een algemene reserve nu wordt omgevormd tot een reserve met bizondere bestemming, en dat, in haar geheel bezien, de financiële positie van de vereniging slechts zal worden versterkt met het bedrag van de storting door de gemeente in deze nieuwe reserve. Hierdoor zouden middelen, waarover de verenigingen vroeger min of meer de vrije beschikking hadden, thans onder toezicht en contró'e van Burgemeester en Wethouders worden gesteld. Een en ander leidt naar mijn mening wel tot de conclusie, dat. indien men het gestelde doel, nl. een grotere financiële zelfstandigheid van de verenigingen, werkelijk wil bereiken, de gemeentebesturen zorg zullen moeten dragen voor het vormen van de gehele reserve. Hierbij kan natuurlijk het voorbehoud worden gemaakt, dat, indien de gemeente deze zorg voor de reserve op zich heeft genomen, een eventuele storting van het voordelig renteverschil daarbij zeker in aanmerking genomen zal mogen worden. Uit de circulaire van de Minister bhjkt, dat de gemeenten de bevoegdheid krijgen om voor het beheer en de belegging van de reserve regelen te stellen, hetgeen naar mijn mening ook zeker noodzakelijk is. Indien toch het beheer van de reserve juist zal zijn, dan zal dit moeten worden gericht op het geste’de doel en zal bedoelde reserve bovendien zo liquide moeten ziin, dat zij realiseerbaar is op ieder ogenblik, waarop dit in verband met dit doel noodzakelijk is. In deze regelen zal dan tevens moeten worden vastgesteU, op welke wijze het toezicht en de controle door Burgemeester en Wethouders worden uitgeoefend.

Het voorgaande samenvattende kom ik tot de conclusie, dat de nieuwe bijdrageregeling zeker een grote verbetering betekent ten opzichte van de bestaande. Inderdaad zal een grotere zelfstandigheid van de verenigingen worden verkregen, terwijl meer verantwoordelijkheidsgevoel bij de verenigingsbesturen zal worden aangekweekt. Voor de gemeentebesturen lijkt mij de regeling in vergelijking met de bestaande niet onvoordelig, hoewel hier het voorbehoud moet worden gemaakt, dat een aantal factoren, welker ontwikkeling in de toekomst thans niet is te overzien, de mogelijkheid scheppen voor belangrijke financië'e risico’s voor de gemeenten. Of deze risico’s in de toekomst groter zullen zijn dan de bedragen, die de gemeenten ingevolge de oude bijdrageregeling zouden moeten betalen, is niet te voorspellen. Wel kan nog worden geconcludeerd, dat bij de nieuwe regeling de goede kansen al'e voor het Rijk zijn, terwijl de slechte kansen voor de gemeente komen, onafhankelijk van het feit, of deze die kwade kansen zelf zal dragen of ze zal afwentelen op de te vormen reserve.

Wederopbouw-plannen – Wederopbouw-illusies

door Ir. E. }. de Maar

In de nummers 4 en 5 van April en Mei 1948 van ~Maatschappij Be'angen” verschenen een tweetal artikelen van Ir. C. Wolterbeek onder de titel ~Wederopbouw-illusies”. De lezing daarvan geeft te denken. Vele vraagstukken over maatschappij en mens, ambtenaren-heerschappij, formulierenmisère enz. worden door hem aangeroerd. Met sympathie las ik het de eerste keer. Schrijver moet zich na beëindiging opgelucht hebben gevoeld. En wie heeft in deze tijd niet behoefte aan afreageren?

Een tweede lezing leert evenwel dat niet alleen vele details onjuist zijn weergegeven, doch dat ook het geheel min of meer door overdrijving het doel mist. En dat doel is verkrijgen van meer vrijheid op bouwgebied, minder beklemming, een doel, dat door velen in het bouwvak is gesteld.

Ir. Wolterbeek’s betoog is in twee delen gesplitst en wel:

a. critiek op het beleid van het Ministerie van Wederopbouw:

b. richtlijnen voor beleid van genoemd ministerie. Ziehier zijn tegenstellingen.

Door het vrijlaten van de maatschappelijke krachten zal vanzelf een financiële barrière worden opgeworpen tegen bouw' die niet rendeert.

Hij voorziet derhalve een urgentie als volgt: 1. industriebouw;

2. zwarte bouw;

3. woningbouw (als aanvulling).

Nu is het eigenaardig, dat door hem de industriebouw als No. 1 wordt geplaatst, niet omdat de rentabiliteit daarvan zo vaststaat, doch omdat dit in ’s Lands belang voor deviezen en evenwicht van onze betalingsbalans zo wenselijk zou zijn.

Er is hier blijkbaar een motief door hem gebezigd dat hij voor de woningbouw verwerpt.

Als de urgentie wordt bepaald door het vrije spel, dan is de eigenaardige situatie te verwachten, dat bij uitschakeling van de arbeiders-woningbouw, niet speciaal de export-industrie onder gunstige omstandigheden zal gaan bouwen, doch dat allerlei bouwerijen (bars, dancings, ijstenten, als voorbeelden van verwerpelijke uitersten) ter hand worden genomen.

Trouwens meen ik te moeten opmerken, dat wanneer gesproken wordt over wederopbouw of opbouw van de exportindustrie, men niet in de eerste plaats moet .denken aan het zetten van fabrieksgebouwen. ~Wederopbouw” van de industrie kan wel deze enge betekenis hebben, doch het is niet de enige, noch de gebruikelijke.

Als voorbeeld kunnen de door Ir. Wolterbeek genoemde Philips fabrieken te Eindhoven dienen. Ondergetekende heeft als chef van het Philips Woningbureau tot voor kort de woningbouw van genoemd bedrijf verzorgd. Ondanks de bombardementen van 6 Dec. 1942 en Maart 1943 was de beschikbare vloeroppervlakte spoedig groot genoeg om 23.000 arbeiders te werk te stellen, slechts weinig minder dan in de topjaren 1925^ toen er 26.000 arbeiders en belangrijk meer dan voor 1940 werkzaam waren. De zorgen van de Directie waren na de bevrijding gericht op het opvoeren van de arbeidsprestatie en zoals opgemerkt, wordt hiervoor de uitdrukking ~wederopbouw” gebezigd. De arbeidsprestatie was direct na de bevrijding in Sept. '44 zeer gering. Onvoldoende voedsel, onvoldoende kleding waren en bleven de prestaties drukken. Zo spoedig mogelijk werd ook de woningbouw ter hand genomen voor de arbeiders en op bescheiden schaal voor de hoger gesalarieerden. Men kan zeggen dat na voedsel en k'eding het eerst nodige de huisvesting te noemen is. Zonder voldoende huisvesting blijft de arbeidsprestatie laag. Zo gold voor Philips de woningbouw als bottleneck. En niet voor Philips geldt dit alleen, dit geldt voor de gehele Nederlandse samenleving.

De abnormale omstandigheden vragen abnormale maatregelen. Daartegen zijn zeker bezwaren aan te voeren. Hoe eerder