is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 29, 1948, no 12, 1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indien propaganda daarvoor er werkelijk toe zou bijdragen om de wachttijd der hüwelijkscandidaten belangrijk te, verkorten.

Vermeerdering van woongelegenheid zou op de volgende wijze kunnen worden verkregen.

Indien van elk complex woningen van het normale type van 260 m 3 een zeker percentage bv. 50 % zou worden ingericht voor dubbele bewoning door jonggehuwden, verkregen wij in plaats van 100 woningen 150 woningen, waarvan 100 zouden ten goede komen aan jonggehuwden en 50 voor opvanging van de A-gevallen ter beschikking komen. De benedenverdieping dier speciale woningen zou onveranderd kunnen blijven, terwijl op de bovenverdieping een slaapkamertje zou moeten worden ingericht tot keuken en de douche tot toilet Beide woningen aldus ontstaan, zouden van afzonderlijke leidingen voor water, gas en electricteit moeten worden voorzien. In zo n huis kunnen twee jonge gezinnen onderdak vinden, het ene geheel boven, het andere geheel beneden. Een dergelijke woning blijft vier a vijf jaren bruikbaar. Er is geen gevaar, dat bij het groter worden der gezinnen deze samenwoning bestendigd zal worden, omdat de toestand eenvoudig onhoudbaar zou zijn. Het grootste der beide gezinnen krijgt dan de gehele woning, terwijl het andere gezin verhuist naar een hem passende woning. Zo zou er schot komen in het verstrekken van woningen aan jonggehuwden en ruimer uitzicht voor de wachtenden.

VIII. Krotopruiming

Het saneringsplan voor de Stokstraat en omgeving werd reeds genoemd. Dit plan omvat in hoofdzaak het oudste gedeelte van Maastricht, waar de Romeinen hun woonstede en een bezetting ter bescherming van de Maasovergang gehad hebben. Bij het graven van fundamenten en bij het leggen van leidingen stoot men nog regelmatig op overblijfselen uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Aanvankelijk lag het in de bedoeling dit stadsgedeelte grondig te zuiveren en rees de vraag of het niet de moeite waard zou zijn de Romeinse overblijfselen voor zover nog aanwezig bloot te leggen en het terrein te exploiteren voor vreemdelingenverkeer, zoals men dat ook elders deed. bv. in Trier. Zo werden reeds gevonden een huis met badinrichting, een bas-relief van een staande persoon, overblijfselen van zuilen en muurwerk, scherven enz. Dr. J. H. Holwerda, Directeur van het Rijks Museum voor Oudheden te Leiden, meende echter, dat het de moeite niet zou lonen. Daarop zijn plannen gemaakt om het terrein te bebouwen op een van de bestaande situatie geheel afwijkend bouwplan om met de naam ook de herinnering aan deze buurt aan de vergetelheid prijs te geven, en het zodoende mogelijk te maken naast het oprichten van zakenpanden bovendien woningen te bouwen. In de straten van dit saneringsgebied zijn er een aantal huizen, waarvan de gevel onmiddellijk uit oudheidkundig oogpunt de aandacht trekt. Het was jammer, dat deze zouden moeten verdwijnen, maar om ze niet geheei te verliezen, was een plan in voorbereiding deze gevels op een andere plaats in de nabijheid op te zetten voor aldaar nieuw te bouwen woningen. Tijdens de oorlog kwam het plan stil te liggen, maar trok het de belangstelling van Planologische dienst en Monumentenzorg, die het vroeg middeleeuws

arbeidskrachten en kapitaal, drie dingen waarmede wij nu juist zo bizonder zuinig moeten omspringen. Duplexwoningen zullen toch slechts sporadisch gebouwd worden op het platteland, waar ze trouwens alleen in verticale splitsing bruikbaar zijn, terwijl daar zeker verhoudingsgewijs het grootste .lantal grotere gezinnen voorkomt. Wanneer dit voornemen tot uitvoering zou komen, zou dat niet minder betekenen dan een ramp voor de toekomstige huisvesting van onze bevolking. Deze woningen zijn, wanneer het duplexkarakter er aan ontnomen wordt, zeer grote woningen in aantallen, waaraan geen behoefte bestaat. Men kan dus reeds bij voorbaat zeggen, dat die duplex-woningen nooit of te nimmer zullen omgebouwd worden tot simplex-woningen. Wij blijven dan voor goed zitten met tienduizenden, kleine duplex-woningen, wiaarin een christelijk gezin zich niet behoorlijk kan ontwikkelen. Voor maatregelen, die een blijvende verslechtering van het woonpeil ten gevolge hebben, mogen wij verschoond blijven.

stratenbeloop willen handhaven, de straatwanden restaureren en de binnenterreinen openleggen. Alhoewel dit plan op zich zelf zeer is toe te juichen, is daarmede voor de volkshuisvesting niets te bereiken. Vrij hoge huizen in smalle straten en vochtige scheidingsmuren tussen de panden zijn daarvoor geen goede voorwaarden. Als museumcomplex, waarvoor het echter veel te groot is, zou het overigens uitnemend geschikt zijn. Ook kantoren en kleine bedrijven zouden er wel een onderdak kunnen vinden. Voor winkels is dit onzeker, indien de straten niet naar alle zijden opengelegd worden. Of dit met de plannen van Monumentenzorg in overeenstemming te brengen is, is niet bekend. Trouwens uitvoering van een dergelijk plan zal nu wel geruime tijd op zich laten wachten. Ook in andere stadsgedeelten komen grotere en kleinere complexen voor sanering in aanmerking. Het openleggen van binnenterreinen stond voor de oorlog eveneens op het program. Een en ander zal voorlopig wel tot de vrome wensen blijven behoren.

Besluit

In het bovenstaande is getracht enkele suggesties te doen om zo vlug mogelijk uit de woningnood-impasse te geraken. Daarbij kon enige kritiek, opbouwend evenwel, niet achterwege blijven. Wij zijn er ons wel degelijk van bewust, dat met het voorgestelde alle mogelijkheden niet zijn uitgeput. Ongetwijfeld brengt ook bijna elke verbetering in een bepaald opzicht nadelen mee in een ander opzicht. Zolang een verbetering echter meer goed dan kwaad brengt, zal men het kwade op de koop toe moeten nemen. ledere oplossing is goed, mits men aan twee voorwaarden voldoet:

I. niet met principes marchanderen:

11. een zo groot mogelijk aantal woningen in de kortste tijd tot stand brengen.

De woning- en gezinstelling 1947 (II)

door A. J. A. Rikkert

In mijn eerste beschouwing omtrent de in het opschrift genoemde telling heb ik mij bepaald tot de gegevens omtrent de woningen. Thans volgen enige bizonderheden omtrent de bewoners der woningen en andere bewoonde ruimten, samengevat in de gezinsstatistiek, waaromtrent het Centraal Bureau voor de Statistiek o.a. het volgende mededeelt: De gezinsstatistie<k is eigenlijk een statistiek der huishoudingen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen huishoudingen van twee of meer personen, de z.g. huishoudens, en de alleenwonende personen. Als alleenwonenden gelden zij. die niet met anderen in huiselijk verkeer samenwonen (dus ook zelfstandige kamerbewoners met of zonder pension). Inwonend huis- en bedrijfspersoneel en kostgangers worden als leden van het huishouden gerekend.

In huiselijk verkeer samenwonende gezinnen moesten, indien de samenwoning als van tijdelijke aard kon worden beschouwd, als afzonderlijke huishoudens worden geteld. Bij de controle van het telmateriaal is nauwkeurig gelet op de opgegeven relatie tussen de in eenzelfde woning wonende personen, en naar aanleiding hiervan werd in verscheidene gevallen een huishouden gesplitst in twee of meer afzonderlijke huishoudens, terwijl herhaaldelijk ook het omgekeerde fs voorgekomen.

Waar gesproken wordt van ~kinderen”, zijn hieronder, behalve de eigen kinderen, ook de inwonende stief- en pleegkinderen gerekend.

Thans komende tot de bespreking van de in de in mijn eerste beschouwing bedoelde mededeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek, welke de derde is van de serie betreffende deze materie, wil ik de volgende beschouwingen omtrent de huishoudens en de alleenlevenden geven.

. _—“ jj»- ■ —• Allereerst dan de alleenwonende en de samenwonende huishoudingen in de verschillende provincies.