is toegevoegd aan je favorieten.

De woningbouwvereniging, jrg 8, 1948, no 1, 1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Januari 1948

8e Jaargang – No. 1

De Woningbouwvereniging

Uitgave van de Nationale Woningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigingen

Verschijnt maandelijks

Adres voor Redactie en Abonnementen: Wouwermanstraat 27, Amsterdam Z., Telefoon 24298

Adres Toor Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam C., Telefoon 49128

Nieuwe bijdrageregeling

Er is een nieuwe bijdrageregeling voor de woningwetbouw verschenen. Zij is vervat in een wijziging van het Woningbesluit, tot stand gebracht bij Kon, Besluit van 30 December 1947 Nr. 65. De nieuwe regeling geldt met terugwerkende kracht voor alle woningwetwoningen, die na 31 December 1945 zijn gereed gekomen.

Zoals vanzelf spreekt, bestaat er in de kringen van gemeentebesturen en woningbouwverenigingen voor deze regeling grote belangstelling. Daarbij dringt in de eerste plaats de vraag zich op in hoeverre zij een verbetering betekent ten opzichte van het oude bijdragestelsel. Tegen dit stelsel toch bestonden nog al wat bezwaren. Laat ons daarom beginnen met een vergelijking te maken.

Volgens de oude regeling werd, voordat men ging bouwen, aan de hand van de exploitatiebegroting een z.g. maximumbijdrage vastgesteld. Nadat de woningen in exploitatie waren genomen, moest ieder jaar een exploitatie-overzicht worden ingezonden, aan de hand waarvan het Rijk het tekort en de definitieve bijdrage over dat jaar bepaalde. Was het tekort groter dan het destijds beraamde maximum dan ontstond er een z.g. extra-tekort, waarvoor geen dekking aanwezig was. Bedroeg het minder, dan werd ook de bijdrage evenredig lager gesteld. Veel misère is er uit dit systeem ontstaan. Wij kennen nog alle moeilijkheden in de vorm van ongedekte verliezen, administratieve rompslomp, geschrijf over en weer over de rechtmatigheid van bepaalde uitgaven en late uitkeringen der bijdragen.

De nieuwe regeling is veel eenvoudiger. Het onderscheid tussen maximum-bijdrage en definitieve bijdrage vervalt. De bijdrage wordt slechts eenmaal berekend en wel, naar wij mogen aannemen, op het tijdstip, waarop de woningen in exploitatie worden genomen. Is ze eenmaal vastgesteld, dan blijft ze voor ieder jaar gelijk behoudens in geval van huurverhoging of renteverlaging —, onverschillig de uitkomsten der exploitatie. Is men zuinig geweest en laat de exploitatie enig overschot dan kan dit in een reservefonds worden gestort. Is het tegengevallen en komt men te kort, dan moet men zich plaatselijk zien te redden. Het Rijk keert zijn bijdrage uit en daarmee basta, Geen voortdurende rijkscontróle meer op alle exploitatieposten, geen rijksambtenaren, die plaats nemen op de stoel van gemeente- of verenigingsbestuur, geen' tijdrovende uitwisseling van stukken en de bijdrage steeds op tijd.

Bij de oude regeling betaalde het Rijk 75‘% der bijdragen in enkele gevallen 90 % —, de gemeente moest voor de rest zorgen. De nieuwe bijdrage komt geheel ten laste van het Rijk! Dit is niet alleen royaal, het is ook karakteriserend voor de regeling. Het Rijk zegt op een gegeven ogenblik; dit is uw huur, dit zijn uw exploitatiekosten, ergo is dit het exploitatieverlies, dat een direct gevolg is van de oorlog. Dat verlies is voor rekening van het Rijk. Maar nu gaat gij exploiteren en die exploitatie brengt haar normale risico mee. Met dat risico bemoei ik. Rijk, mijl niet. Daarvoor is men plaatselijk verantwoordelijk.

Intussen wil het Rijk ook gaarne zien, dat deze plaatselijke verantwoordelijkheid geen phrase blijft en daarom is aan de nieuwe bijdrage een bijzondere voorwaarde verbonden. Het is de voorwaarde, dat ieder nieüw complex voortaan zal beschikken over een reservefonds. Gemeenten, die van het Rijk een 100% bijdrage aanvaarden, zien zich daarom verplicht te zorgen, dat deze reserve er komt. In hoeverre zij deze verplichting straks weer op de woningbouwverenigingen kunnen overdragen, zullen wij zien als nadere voorschriften bekend zullen zijn gemaakt.

Vestigen wij ten slotte de aandacht op de bepaling, dat het Rijk zich de bevoegdheid voorbehoudt om te eniger tijd de jaarlijkse bijdrage om te zetten in een uitkering ineens ten bedrage van de gekapitaliseerde waarde der jaarlijkse uitkering. Maakt het Rijk van deze bevoegdheid gebruik, dan is dus voor de gemeenten en verenigingen het oorlogsverlies op de woningen afgeschreven en de exploitatie weer zelfdekkend geworden.

Aldus in grote lijnen de nieuwe regeling. Er moeten nog nadere uitvoeringsvoorschriften komen, voordat wij haar volledig kunnen beoordelen. Zo willen wij graag nog weten welke normen bij de berekening der exploitatiekosten in acht worden genomen voor onderhoud en administratie en ook welke rente. Het zou zeer aanbeyelenswaardig zijn, wanneer de rente der rijksvoorschotten daarbij als vaste norm zou gelden onverschillig of misschien de gemeente elders tegen lager rente leent. Dit zou tweeërlei voordeel hebben. Voor de gemeenten zou het een prikkel zijn elders te lenen en het aldus verkregen rentevoordeel aan te wenden om haar verplichting tot vorming ener reserve te realiseren. Voor het Rijk zou het meebrengen vermindering van de staatsschuld. Naar wij verwachten, zal de nieuwe regeling, voorzover haar inhoud thans bekend is, in onze kringen met instemming worden begroet. Het is een stap in de richting van een gezonde verdeling van financiële verantwoordelijkheid tussen Rijk en plaatselijk organen.

J. Bommer

Huurverhoging in geval van samenwoning

Reeds in Juli 1943 is er van de zijde van de Inspecteurs van de volkshuisvesting op gewezen, dat, in geval van onderverhuur van woningwetwoningen, door de betreffende corporatie een verzoek om huurverhoging bij de betreffende Prijzenbureaux moest worden ingediend. De door deze huurverhoging ontstane hogere inkomsten zouden aan het onderhoudsfonds ten goede mogen komen.

In December 1945 is door de Minister van Openbare Werken en Wederopbouw er nog eens met klem op gewezen, dat de woningwetcorporaties verplicht waren huurverhoging aan te vragen in geval van onderverhuur. Aan de gemeentebesturen werd verzocht een onderzoek naar het aantal samenwon'ngen in te stellen.