is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 30, 1949, no 11, 1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijwel alle andere gemeenten met min of meer stedelijk karakter de huurwoning overheerst. Opvallend is echter, dat op het platteland in het centrum van Zuidholland en in het Westen van Utrecht het percentage door eigenaars bewoonde woninqen eveneens laag is.

Voor de overige provincies is o.m. nog vermeldenswaard, dat in Zuid- jen Noord Kennemerland, in de zuidelijke randgemeenten van Amsterdam en in het Gooi, dus in de gëurbaniseerde gebieden, belangrijk minder woningen door de eigenaar worden bewoond dan in de rest van Noordholland.

In Limburg vertoont de mijnstreek een afwijkend karakter: in Gelderland voornamelijk de Veluwezoom; in Overijssel vallen hogere percentages op voor het centrum en voor de kop van deze provincie, welke in dit opzicht weer aansluit op de aangrenzende gemeenten in Friesland.

Met deze voorbeelden zij hier volstaan. In het algemeen kan worden aangenomen, dat in kleine, langzaam groeiende gemeenten, waar overwegend wordt gebouwd naar aanleiding van individuele behoeften, het bewonen van een eigen woning meer zal voorkomen, dan in grote of zich snel ontwikkelende kleinere gemeenten, waar gehele complexen arbeiders- of middenstandswoningen gelijktijdig

verrijzen. Dit geldt in het bizonder wanneer daarbij sprake is van gemeente- of verenigingsbouw.

Voor de boerderijen en tuindersivoningen blijkt, dat daarvan in Overijssel, Gelderland, Noordbrabant en Limburg rond 75 % door de eigenaar wordt bewoond. In het Zuiden sluit Zeeland hierop aan met_7o

‘ln Groningen, Friesland en Drenthe zijn de percentages (resp. 59, 53 en 61) belangrijk lager. In Utrecht, Noord- en Zuidholland liggen zij rond de 60 %.

Hoewel de telling slechts betrekking had op de eigendom van de woning en niet op de voor de bedrijfsuitoefening in gebruik zijnde gronden en de verzamelde cijfers dus niet zijn bedoeld om een beeld te geven van de pacht- en eigendomsverhoudingen in het agrarisch bedrijf, toch valt het op, dat in het Oosten en Zuiden van het land, grotendeels zandgronden, waar het kleinbedrijf, tevens veelal eigenbedrijf, overweegt, een groot aantal boerderijen door de eigenaar worden bewoond. Dit laatste in tegenstelling tot b.v. Groningen en Friesland, waar vooral het grootbedrijf, dikwijls tevens pachtbedrijf, een belangrijke plaats inneemt.

Men mag dan ook zeker aannemen, dat er verband bestaat en dat de hierboven voor de provincies genoemde afwijkingen mede aan de bestaande verhouding tussen pacht en eigendom moeten worden toegeschreven.

Ë’n en ander vindt in grote'lijnen zijn bevestiging in het tweede cartogram. Men lette op het lage percentage door eigenaars bewoonde boerderijen in de Friese weidestreek, in de Noordwesthoek van Groningen, in de Haarlemmermeer, in de Wieringermeer, enz. Daartegenover blijkt het omgekeerde o.m. voor de tuinbouwgebieden in Noordholland (Streek, Langedijk), voor het Westland, enz.

Overigens laat ook dit cartogram weer zien, dat binnen de provinciale grenzen belangrijke verschillen bestaan, die hoofdzakelijk verband houden met verschillen in de agrarische structuur.

Voor de groep -overige bedrijfswoningen is geen afzonderlijk cartogram samengesteld. Wel is het aantal daaronder, dat door de eigenaar wordt bewoond belangrijk hoger dan voor de woningen zonder bedrijf (47 tegen_l9%), doch dit geldt voor alle provincies (zie staat 1, kolom 2 en 4). Bovendien echter gaan voor beide categorieën de onderlinge afwijkingen tussen de verschillende provincies, met een enkele uitzondering, geheel in dezelfde richting.

De woningveroudering op het agrarische platteland

door R. Hornstra, arts, Direcfcaur van de Stichting Gelderland voor Maatschappelijk Werk

Bij de beschrijving van de loop en de toestand van een bevob king is de leeftijdsopbouw, dus de verhouding in omvang van de verschillende leeftijdsgroepen, een biologische index van veel betekenis. De grafische voorstelling daarvan, de bevolkingspyramide, doet met een oogopslag allerlei bizonderheden zien. De pyramidevorm met de grootste breedte aan de voet is een bewijs van gezondheid, want dat betekent, dat jongere jaarklassen van voldoende sterkte gereed staan om in de toekomst hun plaats in de productieve leeftijdsgroepen in te nemen. Reeds lang voor de toestand op het Franse agrarische platteland zo ernstig was, dat het land door gebrek aan mensen niet meer bewerkt kon worden, wees de voortdurend versmallende basis van de bevolkingspyramide ondubbelzinnig op de aanstaande catastrofale situatie. Alle landen ter wereld waar de moderne gezondheidszorg meer of minder intensief beoefend wordt, vertonen een veroudering van de bevolking. De levensduur wordt verlengd en dus de top van de pyramide verbreed. In veel gebieden, met name in West-Europa, werd dit verouderingsproces nog op gevaarlijke wijze versneld door een sterk dalend geboortecijfer en dus zag men naast verbreding van de top een versmalling van de basis. |

Dit beeld”van de bevolkingspyramide met zijn minder gunstige configuratie als de basis smal wordt is tot op zekere hoogte bruikbaar als illustratie bij de beoordeling van de toestand van de woningvoorraad. Ook hier geldt in het algemeen, dat de kwaliteit van een woning daalt met de verlenging van de bestaansduur. Oud en bouwvallig is een dikwijls voorkomende combinatie. Daarbij komt nog dat nieuwere woningen beter dan de oudere beantwoorden aan de moderne eisen die aan een woning gesteld worden. Het probleem van de ongewilde woningen, dat slechts tijdelijk verdwenen zal zijn, bewijst het.

De leeftijdsopbouw van de woningvoorraad is alleen maar gezond te noemen, wanneer een voortdurende nieuwbouw zorgt voor de brede basis van de pyramide. Wij hebben ons hierover in Nederland nooit bizondere zorg gemaakt en er geen opzettelijke aandacht aan geschonken, omdat de bevolkingstoename ons wel verplichtte veel nieuwe woningen te bouwen. Toch moeten wij op onze hoede zijn, dat door dit behoorlijk gemiddelde geen minusvarianten weggegeneraliseerd worden.

Het komt mij voor, dat dit het geval was en nog meer is met betrekking tot agrarische streken met stilstaande bevolking. Hier ontbreekt de absoluut dwingende noodzaak tot nieuwbouw van betekenis, want bet aantal gezinnen blijft vrijwel stationnair en de generaties kunnen achter elkaar door dezelfde woningen schuiven. Daarbij komt, dat de prikkel om versleten en ouderwetse huizen door nieuwe te vervangen niet sterk is als gevolg van het zo schaars voorkomen van nieuwe navolgenswaarde voorbeelden. Bovendien neigt het dorp waar geen groei in zit in het algemeen tot conservatisme. De ouderen geven er meer de toon aan dan de jongeren en het geboorteoverschot, dat geheel afgesloten wordt, is in doorsnee niet het minst ondernemende. Voegt' men hierbij nog, dat de langzame, bedachtzame gang van de agrarische productiewijze kenmerkend is voor de levensstijl van deze dorpen, dan is dit eveneens een aanwijzing, dat men er een voorzichtige politiek, ook van de gemeentelijke overheid, moet verwachten. Als zeer belangrijke factor, welke deze behoudende richting versterkt, moet nog gewezen worden op de schandelijk lage inkomens van boer en landarbeider voor de oorlog.

Daarom was het niet bizonder Verwonderlijk, dat bij hJ Gelderse woningonderzoek in het rivierengebied tijdens dij