is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 30, 1949, no 11, 1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezetting de streken zonder een groeiende bevolking de hoogste aantallen ongeschikte woningen opleverden. Een gunstig demografisch verloop liep vrijwel altijd parallel met een gunstige woningsituatie, en omgekeerd. In dit verband zij terloops gewezen op de eveneens erbarnielijke woonverhoudingen in de oude dode kleine steden.

De ongunstige leeftijdspyramide van de bevolking ging geregeld samen met een ongunstige leeftijdspyramide van de woningen. Na de oorlog zijn de verhoudingen er niet gunstiger op geworden. Wel is de welvaart bij boer en landarbeider toegenomen, maar de mioeilijkheid om deze te benutten voor de vervanging van oude woningen bestaat vrijwel niet. Het beschikbare bouwvolume gaat naar de gemeenten met bevolkingsaanwas en dient voor aanvulling van het woningtekort en men komt bijna nog niet toe aan vervanging. Dit is begrijpelijk en het kan ook niet anders, maar hierbij mag niet over het hoofd worden gezien, dat deze een brede en steeds breder basis leggen voor de woningpyramide, terwijl de stilstaande gemeenten deze nog smaller en ongezonder krijgen. Onder de dwang van de huidige woningbouwpolitiek neemt het verouderingsproces van de woningvoorraad op het agrarische platteland nog toe. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat tege/i de tijd, dat de beperkende bepalingen voor het bouwen opgeheven zullen zijn, de conjunctuur in de landbouw weer zoveel ongunstiger zal geworden zijn, dat ook dan van inhalen geen sprake is.

De boven ontwikkelde gedachtengang leidde mij er toe om een onderzoek in te stellen naar de ouderdom van de woningen in een paar plattelandsgemeenten met zeer ongelijke loop van de bevolking. Hiervoor werden gekozen Heumen, Deil en Dodewaard met aantallen inwoners op 31 Dec. 1947 van 2854, 2503, resp. 2771. Heumen is een plattelandsgemeente in het Rijk van Nijmegen met een bevolkingstoename van 44% gedurende de periode van 1915 tot 1940. Deze toename is voor een deel niet reëel, n.l. voor zover zij voortvloeit uit het domicilie kiezen van schippers in de gemeente Heumen. Voor een ander deel is zij het gevolg van de aanleg van het Maas-Waalkanaal in de jaren omstreeks 1927 en van de nabijheid van Nijmegen. Deil is een agrarische gemeente in de West-Betuwe, waar de bevolking van 1915^—1940 met 2 % afnam. Dodewaard met een teruggang van 1 % van 1915^ is een Waalgemeente in de Over-Betuwe. De structuur is zeker niet uitsluitend agrarisch, want men vindt er een paar niet onbelangrijke bedrijven (jam, scheepsbouw), doch door allerlei oorzaken, o.a. de verplaatsing van een sigarenfabriek naar Veenendaal heeft Dodewaard zijn geboorteoverschot niet kunnen vasthouden. Omdat de resultaten van het onderzoek in deze laatste gemeente anders zijn dan verwacht werd, vergelijken wij eerst Heumen met Deil. Bij de bespreking van Dodewaard kan dan worden ingegaan op de bizondere factoren, die het als voorbeeld op het eerste gezicht minder geschikt maken, maar die tegelijk een waarschuwing vormen, dat men het materiaal bij enquêtewerk nooit critisch genoeg kan beschouwen.

Voor een fraaie geometrische vorm van de woningpyramdde is het nodig, dat men gelijke groepen van jaarklassen neemt, b.v. van 5 of 10 jaar. De omvang van de woningproductie heeft evenwel zo belangrijke markeringspunten als gevolg van de oorlogen in deze eeuw, dat het beter is om daar de grens te leggen. Zo werd de periode van na de eerste wereldoorlog verdeeld in twee groepen, n.l. van 1935 tot de tijd van het onderzoek (eind 1948) en van 1919—1935. Als derde groep werd gekozen 1900—1919. Dan van 1850— 1900, van 1800^ en als oudste groep de woningen gebouwd voor 1800. Wanneer een belangrijke verbouwing met het karakter van modernisering had plaats gehad werd het jaar van de vernieuwing als bouwjaar genomen. De woningen werden in drie categorieën onderscheiden, n.l. particuliere woningen, woningen annex bedrijf of winkel en woningen annex land- of tuinbouwbedrijf. De gemeentebesturen hebben zorg gedragen voor het materiaal met behulp

van locale deskundigen. Bij veel oudere woningen kon, zoals begrijpelijk is, het stichtingsjaar slechts benaderend juist worden bepaald in verschillende gevallen. Gaarne dank ik nog hier de drie burgemeesters voor de moeite, welke zij zich gegeven hebben hiervoor. Door een dergelijke samenwerking tussen een provinciaal instituut als de Stichting Gelderland met gemeentebesturen zal er veel noodzakelijk researchwerk zonder veel kosten kunnen gebeuren.

Periode Heumen Deil Dodewaard 1. 1935 en later 23 9 20 2. 1919—1935 39 20 30 3. 1900—1919 14 17 12 4. 1850—1900 12 26 12 5. 1800—1850 4 14 18 6. voor 1800 8 14 8 100 100 100

De volgende tabel geeft de procentuele opbouw van de particuliere woningen van de zes onderscheiden periodes. Het betreft hier totalen van 209, 347 en 281 voor Heumen, Deil en Dodewaard.

In Heumen dateert alzo 62 % van het totaal van de particuliere woningen van na 1919, terwijl dit in Deil slechts 29% is. Wel een zeer duidelijk voorbeeld van een brede en een smalle basis van de twee pyramides. Omgekeerd zijn in Heumen slechts 24% van de bewoonde particuliere huizen een eeuw en ouder, terwijl dit percentage van de meer dan 100- jarigen in Deil 54 is. Dit is wel een zeer sprekende illustratie van de relatieve veroudering van de woningen in Deil, vergeleken met Heumen.

Men vergelijke dit resultaat met dat van het Gelderse woningonderzoek in 1942. Deil leverde daarbij 13% krotten en ongeschikte, niet te verbeteren woningen en bovendien nog 8% ongeschikte, wel te verbeteren woningen. In Heumen waren deze percentages 3 en 1. In Deil woonde dus 21% van de bevolking in ongeschikte huizen en in Heumen slechts 4%. En de eisen van beoordeling waren zeer mild, zodat een woning niet gauw als ongeschikt werd gekwalificeerd. Hier dringt zich de aan de biologie ontleende spreuk, dat ouderdom met gebreken komt, zeer duidelijk op en daarmee de grote waarde, die gehecht moet worden aan een ~gezonde” woningpyramide.

Bij Dodewaard zou men een resultaat als bij Deil verwachten op grond van hetzelfde gebrek aan groei der bevolking, maar de voorgaande tabel vertoont een middenpositie tussen Heumen en Deil. Hiervoor zijn enkele bizondere oorzaken verantwoordelijk. Dodewaard is een door de oorlog getroffen gemeente, waarbij 87 huizen verwoest zijn en hiervan dateerden 71% van voor 1919 en 29% van latere tijd. De oorlog heeft dus relatief veel oudere woningen opgeruimd. Daarbij komt, dat Dodewaard na 1945 wat meer nieuwbouw heeft gehad dan Deil. In dit verband zij opgemierkt, dat de noodwoningen te Dodewaard buiten het onderzoek zijn gehouden. Dit zijn wel nieuwe woningen, doch met ernstige ~aangeboren gebreken”. Als derde factor, die het afwijkende resultaat van Dodewaard verklaart, moet gewezen worden op het bestaan van 31 Woningwetwoningen van voor 1940 tijdens het onderzoek (16 zijn vernield door de oorlog), terwijl in Deil de sociale woningbouw voor 1940 geheel onbekend was. Deze grote activiteit van Dodewaard vooral na de vorige oorlog is te danken aan het initiatief van het bedrijfsleven en de gemeente. Dat dit gebeuren kon wijst op het bestaan van een zeker industrieel klimaat.

Het resultaat bij de boerderijen is ondanks de niet grote aantallen (Heumen 227, Deil 162 en Dodewaard 100) zeker de vermelding waard. Door het gebrek aan cultuurgrond voor de agrariërs is er nooit sprake van een overschot van boerenwoningen. Men splitst meer bedrijven dan dat men deze combineert. De nieuwbouw als gevolg van splitsing kan zich