is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 30, 1949, no 11, 1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behalve in ontginningsgebieden sledhts op beperkte schaal voordoen. De leeftijdsopbouw van de boerderijen zal zich dus onafhankelijk van de particuliere huizen gedragen en vooral is een sterk uiteenlopen te wachten in gemeenten met groeiende bevolking. De volgende tabel geeft het resultaat weer.

Procentuele verdeling van de boerderijen

Vergeleken met de tabel van de particuliere woningen een smalle basis van de pyramide en zeer sprekend bij Heumen (32% boerderijen van na 1919 tegen 62% bij de particuliere huizen). Tussen de drie gemeenten onderling is weinig verschil. De top van de pyramide is breed en breder dan bij de particuliere woningen. Zo is in Deil 59% van de boerderijen ouder dan 100 jaar en in Dodewaard is dit zelfs 60 %. Te vrezen is, dat een soortgelijke ongunstige pyramide voor de boerderijen in veel streken gevonden zal worden en dat belooft niet veel goeds voor de kwaliteit van de woongedeelten. Voorshands is hier geen verbetering te verwachten, want met de huidige bouwkosten is het volstrekt ónmogelijk, dat het bijbehorende land de kosten van een nieuw bedrijfsgebouw annex woning kan dragen. Dit is wel een zeer ongezonde toestand.

De woningen met winkels en niet-agrarische bedrijfsgebouwen betreffen zeer kleine aantallen (Heumen 55, Deil 33 en Dodewaard 55) en de resultaten komen dicht overeen met die van de particuliere woningen, zodat het de moeite niet waard is om de procentuele verdeling in tabelvorm weer te geven. |

Het schrijven van dit artikel heeft geen andere bedoeling gehad dan om op een minder gebruikelijke wijze nog eens de aandacht te vestigen op de woontoestanden ten plattelande als de bevolking niet toeneemt. De huidige verdeling van de nieuwe woningen dreigt de toestand nog erger te maken en daarom is het gewenst, dat naast het woningtekort ook de kwaliteit van de woningen een factor vormt bij de toewijzing van bouwvolume. Als illustratie van de toestand in een stationair gebied haal ik de volgende passage aan uit een artikel van Ds. F. Bloemhof over ~Het arbeidersgezin in de Z.W. hoek van Friesland” in Sociologisch Bulletin no. 2 van 1949- De schrijver zegt daar: ~De een-kamer-woning is voor de arbeider op het platteland normaal. In deze kamer woont, eet, slaapt men, D,w,z. de ouders en de jongste kinderen gebruiken de bedsteden, de oudere kinderen slapen op de zolder, soms, maar lang niet altijd, jongens en meisjes in aparte kamertjes. Heel dikwijls is een gordijn de enige afscheiding. Alle huishoudelijke werkzaamheden worden vaak iin deze ene kamer verricht, terwijl men ’s winters bijna in geen arbeidersgezin kan komen, waar niet natte was hangt te drogen rond de kachel aan een z.g. spin boven de kachel of zoals wij het herhaaldelijk aantroffen aan drooglijnen boven de ledikanten op de zolder. Dikwijls is het dak niet beschoten”. |

[ Deze beschrijving past niet alleen op de Z.W. hoek vaß iFrieslandJ

Periode Heumen Dell Dodewaard 1. 1935 en later 11 6 15 2. 1919—1935 21 19 16 3. 1900—1919 18 15 9 4. 1850—1900 21 31 23 5. 1800—1850 15 17 21 6. voor 1800 14 12 16 100 Too IÖO

Het voorlopige structuurplan voor Groot-’s-Gravenhage (’s-Gravenhage, Rijswijk en Voorburg) en de actieve openlucht-recreatie

door H. Cleyndert Azn.

Bevordering van lichamelijke ontwikkeling is zowel uit het oogpunt van volksgezondheid als van sociaal standpunt bezien van eminent belang. Niet alleen 'echter voor de jeugd, ook voor volwassenen dient de sport te worden gestimuleerd en de gelegenheid daiartoe te worden uitgebreid. In de huidige maatschappij hebben de eentonigheid van de arbeid van grote groepen van de bevolking en de eenzijdige geestelijke arbeid van andere groepen een intensieve lichamelijke ontspanning meer dan ooit tot een levensnoodzaak gemaakt. Helaas blijft de gelegenheid tot sport en lichamelijke ontspanning verre ten achter bij de behoefte. Tallozen moet de toetreding tot sportclubs worden geweigerd wegens gebrek aan velden; vele schoolkinderen kennen ternauwernood gymnastiek in |

(Z.E. Minister S. L. Mansholt in „Een Welkomstwoord”, in het eerste nummer van het maandblad „Actieve Recreatie”. Maart 1949.)

Nu van verschillende grote steden in ons land, welke door de oorlog zwaar geteisterd zijn, basisplannen voor de wederopbouw voor de verwoeste gedeelten, en in verband daarmede ook nieuwe uitbreidings- (ontwikkelings) plannen voor die gemeenten in haar gehéél zijn ontworpen, en tevens gedeeltelijk reeds voldoende zijn uitgewerkt om ze te publiceren, en ze dus aan de beoordeling van de belangstellende burgerij voor te leggen, zoals met het Voorlopige Structuurplan voor Groot-’s-Gravenhage, ontworpen door de Heer Dudok, het geval is, bestaat de gelegenheid, enkele belangrijke onderdelen dier plannen aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Tot die onderdelen, welke een dergelijke beschouwing waard zijn, kan n.m.m. zeker worden gerekend de voorziening in de behoeften aan recreatie in de open lucht, in het bizonder de actieve recreatie: de beoefening van sport en spel. |

Ik gevoel mij gedrongen mijn desbetreffende beschouwingen naar aanleiding van het bovengenoemde Structuurplan te beginnen met de verklaring, dat wij n.m.m., hoewel over, deels vrij belangrijke, détailpunten verschil van mening kan bestaan, verplicht zijn de grootste waardering te uiten èn jegens de ontwerper, voor de in het algemeen royale en grootse wijze, waarop hij de ganse openlucht-recreatie- en groenvoorziening van het gebied van Groot- s-Gravenhage heeft opgevat en uitgewerkt, èn jegens de gemeentebesturen van de betrokken gemeenten voor het feit, dat deze zich met deze grootse opzet in algemene zin accoord hebben willen verklaren. Zij hebben daarmede aan de andere gemeenten van ons land, die voor hetzelfde probleem staan, een voorbeeld gegeven, dat ongetwijfeld navolging verdient en deze, naar wij moeten hopen, ook inderdaad zal vinden. |

De bedoeling van de hierna volgende beschouwingen is dan ook allerminst in enige mate afbrekende, doch alleen, naar ik hoop, enige aanvullende en mogelijkerwijs opbouwende critiek te doen horen, welke voor de juiste oplossing van het' in het hoofd dezes genoemde vraagstuk, dat der actieue recreatie, wellicht een enkele bijdrage zal kunnen leveren. |

Vuorts hoop ik er in te kunnen slagen aan de hier volgende opmerkingen een zoveel mogelijk algemeen karakter te geven, opdat zij behalve voor den Haag en omgeving, ook voor andere Nederlandse gemeenten wellicht toepasselijk kunnen blijken te zijn. |

Dit algemene karakter dan heeft vooral betrekking op het voor de gehele Nederlandse stedebouw m.i. zo belangrijke vraagstuk van de voor de actieve recreatie (speciaal die voor spcart en spel) vast te stellen juiste normen van oppervlakten aêri grond voor dit doel per inwoner, welke normen voor het Haagse Structuurplan te laag zijn genomen.

Ik moet hier direct bij zeggen, dat mijn desbetreffende