is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 31, 1950, no 4, 1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stadsgewest en over het verschil in agrarische ontwikkeling tussen de klei' en de zandprovincies.

Toch ontkom ik niet aan de indruk, dat deze strijd'tegen de ScHes een Onevenredig groot deel van/ het onderzoek en het rapport in beslag heeft genomen. Eveneens vraag ik mij af of bij de diagnose niet teveel met fOlatieve en te weinig met absolute cijfers is gewerkt. Dit is m.i. duidelijk merkbaar bij de interpretatie van de afname van de bevolkingstoeneming in het Westen. Deze wordt n.l. in verband gebracht met een verlangzaming in de expansie der werkgelegenheid. IDeze verlangzaming kan niet ontkend worden, maar is zij niet noodwendig en vanzelfsprekend? Het proces van industrialisatie in het Westen eiste een bepaald arbeidspotentieel, dat bij voorbaat een grens moest bereiken. Hoe meer bevolking in het Westen geconcentreerd werd, hoe meer arbeidskrachten de industrie uit de eigen West-Nederlandse bevolking kon putten. Efe industrialisatie eist een absoluut aantal arbeidskrachten; niet de relatieve toeneming van een bepaalde bevolking, maar de absolute omvang van een bevolkingstoeneming is hier vaö belang; deze omvang kan groot zijn door een sterke relatieve bevolkingstoeneming, maar zij kan ook samenhangen met de omvang van de bevolkingsconcentratie, welke zelfs bij een laag geboortecijfer alleen door haar aantal een belangrijke absolute bevolkingstoeneming veroorzaakt.

Wanneer op blz. 18 betoogd wordt, dat het vertrek naar elders uit de ~zandprovincies” naar verhouding van minder betekenis was, is dit juist, maar onvolledig, want de absolute omvang van deze migratie was van 1880—1900 ongeveer gelijk aan de migratie uit de kleiprovincies. In het begin van dit hoofdstuk worden de begrippen „migratievervangende geboorten" en „geboortevervangende migratie” gelanceerd. Deze begrippen, welke ik overigens weinig gelukkig acht, zijn alleen bruikbaar, wanneer men ook met absolute cijfers werkt. .. . ,

De diagnose van de bevolkingsontwikkeling is meer demographisch dan •economisch. Al besef ik het voorlopig karakter van het rapport, de uitslag van de diagnose is m.i. onbevredigend gebleven door de verwaarlozing van de economisch-historische diagnose. De lezer blijft in het onzekere over de verschillende stadia van de industrialisatie en haar betekenis voor de bevolkingsverspreiding, terwijl ook de functie van de stuwende handel en verkeer in dit opzicht niet nader bestudeerd is. Terecht wordt gewezen op de vestiging van een nieuwe categorie van arbeidsintensieve industrieën in het Z. en O. van het land, zonder echter dit punt nader uit te werken.

Ook de prognose blijft zuiver demographisch. Men komt tot de conclusie, dat van het bevolkingsaccres in de komende 20 of 25 jaren groot 2/z millioen, ongeveer a 1 millioen (volgens een minderheid is 1% milhoen niet uitgesloten) in de „Randstad Holland" zal worden opgenomen. Deze demographische prognose blijft een zeer voorlopig karakter behouden, zolang een economische prognose ontbreekt. Men kan verschillend oordelen over de mogelijkheid van zulk een economische prognose, een nadere bestudering van de vraag, welke industrieën niet en welke wel ontwikkelingsmogelijkheden bezitten zou toch nuttig zijn. Ik heb de indruk, dat men een beperkt aantal mogelijkheden kan vaststellen ten aanzien van „het karakter, dat de nieuw te vestigen industriële bedrijven in technischéconomisch opzicht zullen bezitten”. Op het belang van deze kennis wordt in het rapport zelf gewezen (hlz. 36). Is het h.v. niet denkbaar, dat, wanneer de chemische industrie zich sterk 2i3\ ontwikkelen, deze ontwikkeling vooral plaats zal hebben in de centra der chemische industrie? Gezien de beperkte waarde van deze prognose, welke in principe een marge van 500.000 inwoners openlaat voor de „Randstad , is het begrijpelijk, dat het hoofdaccent in dit rapport kwam te liggen op het normatieve, op de waardering van de verdeling en de concentratie der Nederlandse bevolking, zoals de titel luidt van het derde hoofdstuk. Dit hoofdstuk valt uiteen in vier delen.

Het .eerste deel is gewijd aan de kosten, die verbonden zijn zowel aan een zeer sterke bevolkingsconcentratie op de veengronden in het Westen als ook aan de grote omvang van de stedelijke agglomeraties. Wat dit laatste betreft, ook hier acht ik de strijd tegen een fictie gewonnen. Inderdaad stijgen de kosten per inwoner van het gemeentelijk bestuur en beheer, naarmate een agglomeratie groter is, maar deze kosten gaan gepaard met een grotere behoeftenbevrediging. „Het vraagstuk van optimale stadsgrootte heeft slechts academische waarde , zo is de conclusie op blz. 46.

Een belangrijke conclusie is m.i. echter, dat de kosten der volkshuisvesting op poldergrond en in de grotere steden aanmerkelijk hoger zijn dan elders. Merkwaardig is echter, dat deze conclusie, zo belangrijk m deze tijd van armoede en van noodzakelijk zuinig beheer, geïsoleerd hiijtt staan. Ik vraag mij af, wat is de consequentie* van deze conclusie. Doch laten we het slot afwachten. , . , . . Zeer juist zijn de opmerkingen op blz. 45 omtrent de industrialisatie van het platteland en van de kleine steden, welke m.i. terecht ingaan tegra de Prae-adviezen inzake een welvaartsplan voor de provincie Noord- Brabant (1947).

Het tweede deel is gewijd aan het vraagstuk van de physieke gezondheid in stad en land. Gelukkig is ook hier afgedaan met de fictie van de zo ongezonde stad. Of deze condusiei echter v,an zulk groot helang is voor de beantwoording van de vraag naar de gewenste bevolkingsverspreiding, is een tweede. Verstedelijking zal toch plaats hebben en het onderzoek naar de veelal denkbeeldige bezwaren tegen verstedelijking is zeer interessant, maar in dit verband overbodig. De vraag is niet: is wrstedelijking gewenst of niet, maar: waar is stadsvorming gewenst. Ditzelfde bezwaar geldt het derde deel, gewijd aan de sociaal-psychologische gesteldheid van stad er? land. Ik moet uitdrukkelijk vaststellen, dat ik dit

deel het boeiendste en beste vind van bet gehele rapport. Het is een voorbeeld van voorzichtige sociologische interpretatie van het empirisch verkregen materiaal. Duidelijk blijkt hoe weinig er nog op het gebied van het sociologisch onderzoek gedaan is in Nederland en hoe weinig bruikbaar de plaats gehad hebbende meer encyclopaedische, sociographische onderzoekingen blijken te zijn. Tegelijk blijkt echter ook, dat a priori aan deze empirische onderzoekingen aanzienlijke beperkingen inhaerent zijn. De vraag naar de voorkeur voor een groot-stedelijke, klein-stedelijke en dorps-levensvorm is reeds bij voorbaat zinloos. Gelukkig blijft hier nog plaats voor een individuele keuze van een van deze levensvormen en het noodzakelijk bestaansrecht van elk van deze levensvormen steekt vanzelf]

Planologisch van belang wordt eerst de nadere differentiatie van deze levensvormen en speciaal van de stedelijke levensvorm. Ik betreur daarom het achterwege blijven van een nadere typologie van de verschillende steden. Zoals ook een definitie van de stad ontbreekt, ontbreekt ook een: nadere studie over de eenzijdige stadsvormen. In het bizonder de eenzijdige industriestad vormt een probleem, dat .alle aandacht verdient. Voor een gedeelte is in de behoefte aan deze nadere differentiatie voldaan in het belangrijkste vierde deel van dit hoofdstuk, waar de gevolgen van; snelle veranderingen der' sociale structuur in stad en land onder de loupe worden genomen. Dit deel is stellig het belangrijkste van het gehele: rapport. Immers, deze gevolgen zijn in vele gevallen inderdaad zeer bedenkelijk. Ik mis daarom het trekken van de consequentie uit deze beschouwingen ten opzichte van de vraag of een toenemende industrialisatie in het Oosten en Zuiden van ons land geen bezwaren heeft, omdat hiermee een snelle, eventueel te snelle ontwikkeling van ongedifferentieerde industriesteden gepaard zou kunnen gaan. Ik doel hier met zozeer op overigens zeer gewenste differentiatie van de industrie zelf, als wel de verhouding van de industrie ten opzichte van de overige welvaartsbronnen en op de verhouding onderling tussen de stedelijke functies. Ik moge hier ook verwijzen naar de opmerking v«B Van den Berg in het verslag van het congres over de gevolgen van dt bevolkingsvermeerdering (blz. 70), waarbij hij wijst op de stedelijl» traditie en de positieve waarden van de stadscultuur in het West . Dit aspect wordt in het rapport niet genoemd. Ik stel daarom de vraafl of de stedelijke traditie en cultuur van het Westen de niet beter kunnen opvangen dan de nog jonge, en sterker dan het WesM gespecialiseerde industriegebieden in het Oosten en het Zuiden vergete niet, dat de provincies Overijssel en Noordbrabant een hoger aantal industriële beroepsbevolking herbergen dan de westel jk* provincies.

'Hoofdstuk IV bèv-at de samenvatting van de voorafgaande beschouwingen, toegespitst op de vraag naar „de wenselijktieid van van de geografische verdeling der Nederlandse bevolking en de daarbij te stellen richtlijnen. Uit het voorafgaande zal men begrijpen, dat deze samenvatting biLnder behoedzaam gesteld is en in de gees van een meer of minder. In het algemeen acht men een zder voorzichtige stimulering van de industrialisatie in het Oosten en het Zuiden gewenst. Het Is onmogelijk deze samenvatting, welke reeds zeer gecomprimeerd en welke ook de auteurs in de Enge'se „summary” niet w. den verkorten te *k”l «er .. T,W)ke problem» Ipien Ik mooe alleen nog deze conclusie aanhalen. „H-t lijkt daaro wenselijk te bevorderen, dat de ontwikkeling van het bedrijfsWen i iedere itreek gelijke tred houdt met de natuurlijke aanwas der bejoePS' probleemstellingen.

I. Is er in het Westen en speciaal in de Randstad een grenssituatie a een onherstelbaar verlies van de beste cultuurgrond, vldlke bezitten- een advies van bodemkundigen ware zeker gewenst gewiesf dat deze vraag in het rapport niet gesteld is, heeft mij verbaasd, weest, aai uezc 9 J.Z, „nnr de stadsbewoner in

b is een minimum van contact met oe naiuiu het Westen ook in de toekomst nog te waarborgen, c is bij een stijgend welvaartsniveau een opvoering van net peil \a het woonmilJu (bebouwingsdichtheid!) in het Westen mogelijk zowel financieel (het rapport suggereert: nee; maar dan de consequentie) als technisch: hierbij heeft men zich een ideaal stadsbeeld voor ogen te stellen.

ÏDe beantwoording van deze drie vragen lijkt mi] van het hoogste belang, 'mogelijk en noodzakelijk. Het rapport zal dan een minder abstract en theoretisch en een meer concreet en practisch karakter krijgen. Ue verwaarlozing van de geografische en planologische gezichtshoek wreekt zich in dit opzicht. Men heeft teveel aandacht besteed aan de sociologische aspecten van sociale structuur en mobiliteit en men is te weinig ingegaan op de probleemstelling van de ruimtelijke structuur, het ruimtelijk opnemingsvermogen en het gebruik van de grond. M.i. is deze probleemstelling de essentiële bij het vraagstuk van centralisatie en decentralisatie,| mls bil de meeste, zo niet alle planologische vraagstukken.

n Hoe* is het, bedrijfs-economisch gezien, gesteld met de mobiliteit der industrie? Evenals de geografen ontbreken de bedrijfseconomen in di| orkest. De maar al te bekende controverse tussen planologen en econom« dient opgelost te worden en deze oplossing kan alleen in onderling samenwerking geschieden. Hierbij sluit aan de reeds eerder bedrijfs-economische prognose der industrialisatie. ;