is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 31, 1950, no 9, 1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nooit meer dan twee voet, hetgeen van groot voordeel is voor de scheepvaart en de zeil- en zwemsport. De kust wordt ’s zomers veel gebruikt voor deze sporten, de bergen en bossen s winters om te skiën en voor het maken van tochten in voor- en najaar. Op een mooie Zondag kan het voorkomen dat 100.000 mensen de stad verlaten per openbare verkeersgelegenheid, terwijl andere lopen, fietsen of per auto er op uit trekken.

Geschiedenis

Oslo is een oude marktplaats uit de tijd der Vikings, naar men zegt in 1050 gesticht als stad door koning Harold Hardrade (gesneuveld in de slag bij Stamford in Engeland, in 1066). Deze bouwde een paleis en verschillende kerken aan één zijde van het gebied, terwijl de residentie van de aartsbisschop en andere kerken en kloosters aan de andere zijde werden opgericht. Zeer weinig sporen zijn overgebleven van deze middeleeuwse stad, daar zij herhaalde malen werd geplunderd in burgeroorlogen tussen de verschillende troonpretendenten. Het Ruin Park in het Oostelijk gedeelte van het centrum vertoont echter nog fundamenten van enige oude gebouwen)

In 1624 werd Oslo totaal door brand verwoest. Christiaan IV, koning van Denemarken en Noorwegen, besloot de stad op een andere plaats te herbouwen, achter de muren van het kasteel Akerhus, dat gebouwd is op een schiereiland ten Westen van de haven, op vaste rotsbodem. De barokstad werd Christiania genoemd. Zij werd aangelegd naar het voorbeeld van den Haag, met rechthoekig stratenplan en fortificaties. Dit stratenplan is heden nog onveranderd bewaard gebleven, en sommige oude koopmanshuizen en openbare gebouwen zijn blijven bestaan: de meeste zijn echter afgebroken, hoewel vele eerst na 1900, om ruimte te maken voor moderne zakenpanden. Sinds het einde van de 17e eeuw breidde de stad zich uit met krotten-voorsteden, die een voor een de stad werden ingelijfd. |

ïiTclë"jaren'na 1830 werd’doór de architect Linstow de Karl Johanstraat aangelegd in neo-klassieke stijl als een wig naar het paleis, dat in een groot park in het Westen was gelegen. Ten Noorden van deze straat werden de universiteit en andere gebouwen opgericht, en ten Zuiden strekt zich een park’ uit, de z.g. Studententuin, lopende tot het Parlementsgebouw’ fStortinai in het hart van het zakenkwartier. |

Afb. 2. Schema van de decentralisatie van de stedelijke functies

Met de komst van het spoorwegverkeer, de uittreiOing van] de haven en de zware industrie begon de ongunstige periodej voor de stedebouw. De grijze, vier-verdiepingen hoge huizen-, rijen, in smalle straten, die men in vele delen van de stad kan, zien, dateren uit dit tifdvak. I

Na 1900 werd door spoorwegverbinding met de voorsteden en het motorverkeer een omvangrijke emigratie naar het platteland mogelijk. De tuinstadbeweging had onder meer tot resultaat, dat de oude landgoederen opgedeeld werden tot kavels voor eengezinshuizen voor de middenstand.

In 1920 werden door het gemeentebestuur grote woning" bouwprogramma’s opgesteld en verscheidene projecten ten| aitvoer gebracht. De tuin-voorstad Ulleval, gelegen in het Noord Westen, is zeer de moeite van het bekijken waard.l Voorts het gebied van Torshov in het Noorden, _eii do hlejDti ituin-voorstad Lille-Töyen in het Oosten. i

Gedurende de jaren na 1930 is door coöperatieve woningbouwverenigingen en particulier initiatief een begin gemaakt met bouw op grote schaal van flatwoningen buiten het centrum van de stad. Enige goede voorbeelden hiervan zijn Hjortnes in het Zuid Westen en Ila in het Noorden. In het centrum zelf werd het gebied om het stadhuis herbouwd, tevens een gedeelte aan de binnenste cirkelweg, de Hendrik Ibsenstraat (met omgeving). |

[ In het tijdvak tusen de beide wereldoorlogen heeft belangrijk! fabrieksbouw plaats gehad in het Oosten. Na 1945 zijn wo» ningbouwprojecten op aanzienlijke schaal tot stand gekomel aan de rand van de stad. De volgende complexen zijn zeer di

moeite van een bezoek waard: Hovseter en Husby in het Westen, Sogn en Korsvoll in het Noorden, Keyserlökka en Etterstad in het Oosten, en Lille Ekeberg in het Zuid Westen.

Hoe groot zal de stad worden?

Dit probleem is er een van regionale omvang. Verschillende' berekeningen zijn voor Oslo gemaakt. Eén ding staat vast: binnen de gemeentegrenzen zullen niet meer dan 700.000 mensen zich mogen vestigen, gebaseerd op een gemiddelde dichtheid van 20 inwoners per acre in het gehele uitbreidingsgebied., .■ ■ ■!

In tfe woongebieden zullen lokale sociale en handelscentra komen, naar een scala van district, wijk-met-volksschool, wooneenheid en woninggroep. Een theoretisch diagram hierover is afgedrukt (afb. 2). Natuurlijk aangepast aan de topografie kunnen buitendistrictscentra opgericht worden voor woonwijken met drie lagere scholen, hetgeen een bevolking van ongeveer 25.000 betekent. Wooneenheden kunnen wisselen in grootte, maar mogen niet meer dan 1000^—1500 personen omvatten en zullen eigen centra voor de dagelijkse behoeften moeten bezitten. In de buurt van de districtscentra moet ruimte zijn voor werkplaatsen en enige kleine fabrieken. Waar voorwaarden voor transport en diensten en de plaatselijke gesteldheid gunstig samenvallen, zijn iets grotere districtszones gereserveerd. De voornaamste industriezone is langs de Oostelijke spoorweg geprojecteerd, vanaf de haven, en zal zich uitstrekken tot ver in het Oosten. Aan weerszijden van dit industriegebied zijn weer woongebieden geprojecteerd, met een oppervlakte vijf maal zo groot als de industriezone, waar niet alleen industriearbeiders gehuisvest zullen worden, zodat de lokale gemeenschap een samengestelde bevolking heeft-

De bevolkingstendenzen in de verschillende lokale gebieden zijn geanalyseerd, variërend naar leeftijd, geslacht en gezins-