is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 31, 1950, no 11, 1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woningen in het laatste jaar toe, wordt in herinnering gebracht. Hiermee is het gemiddelde van het tijdvak 1930 tot 1939 overschreden. Het verslag gaat na welke toeneming de behoefte hiertegenover vertoont, en wijst op de grote netto-aanwas van het aantal gezinnen en op de noodzaak van een bescheiden vervanging van oude woningen. Ook hier wordt 1965 genoemd als het jaar, waarin, mits de productie tot 55.000 kan worden opgevoerd, de woningnood overwonnen zal zijn. Daarna zal de vervanging groter plaats moeten innemen. Sterker differentiatie van de woningen naar de grootte, waar de etagewoning heerst en bouw als duplex-woningen van eengezinshuizen, worden als hulpmiddelen gereleveerd, waarbij wordt gewezen op de beperking van het duplex-beginsel, die schuilt in de uiteindelijke behoefte aan woningen van ongeveer 290 m'*.

Belangwekkend is een tabel, die de verdeling van de woningen naar de opdrachtgever vermeldt.

Deze tabel vertoont duidelijk de na-oorlogse verschuivingen in het aandeel van de drie categorieën: het sterk domineren van de Woningwetbouw en daarin met name van de gemeentelijke woningbouw, met een geleidelijke terugkeer tot de toestand van voor de oorlog. Voor het verslagjaar werd bij de Woningwetwoningen gemiddeld ƒ 400 als bijdrage verleend, bij de particuliere woningen gemiddeld ƒ 350. (In dit laatste bedrag is geen aflossing begrepen). Een woningbouwprogramma, zoals in het verslagjaar werd uitgevoerd, vordert zodoende een bedrag van 16 millioen gulden aan jaarlijkse bijdragen.

Na deze algemene beschouwingen komen de verschillende onderwerpen die de aandacht hadden, achtereenvolgens aan de beurt. Bij de bouwverordeningen wordt herinnerd aan de instelling van een Studiecommissie-Bouwvoorschriften, die hierin meer eenheid zal moeten brengen. Bij het nagaan van de samenstelling van deze commissie springt opnieuw in het oog dat èn het sociale én het stedebouwkundige element hierbij is verwaarloosd.

Enkele door de gemeenten zelf tot stand gebrachte herzieningen van de bouwverordeningen worden vermeld, soms strekkende tot verlaging van de minimale verdiepinghoogte, soms tot het terugnemen van de verplichting tot advies van de provinciale schoonheidscommissie, soms tot een algemene modernisering, zoals in sommige Zeeuwse gemeenten.

De tegenstand tegen de Voorlopige Wenken van de zijde der architecten wordt als overwonnen beschouwd. Wat het peil van de eisen betreft, die in de Wenken zijn neergelegd, wijst het verslag erop dat dit in Drenthe en Friesland als onbereikbaar hoog wordt ondervonden, terwijl in Zeeland en Overijssel, waar de kloof tussen het bestaande en het geëiste peil minder diep is, blijkbaar wel de mogelijkheid bestaat om zich tot het niveau van de Wenken op te heffen. Een en ander leidde in beide eerstgenoemde provincies tot de bouw van woningen met geringer inbond (200 a 165 voor zes personen) voor moeilijke of a-sociale gezinnen, voor bewoners van krotten en plaggenhutten e.d.

Jaar woningbouwverenigingen gemeenten particulieren totaal 1945 27 37 325 389 1946 162 207 1224 1593 1947 2210 3592 3441 9243 1948 11824 17599 6968 36391 1949 14051 15400 13263 42714 28274 36835 25221 90330

Enkele passages wijzen er op dat de Centrale Directie zich ernstig bezig houdt met de z.g. woningresearch, o.m. door het houden van enquêtes en door het volgen van de resultaten van de woningresearch in het buitenland.

De plannen voor normale woningen vinden nog slechts weinig weerklank, zelfs die van de Bouwkas Noord Nederlandse Gemeenten. Een eigen plan, al is dit minder goed bestudeerd, wordt meestal geprefereerd. Bij het onderwerp Duplexwoningen werd herinnerd aan de prijsvraag, die de B.N.A. in samenwerking met de Centrale Directie hieromtrent heeft uitgeschreven. Een bizondere moeilijkheid bleek het gemis aan waterleiding te zijn, waardoor dus het water niet op de verdieping kan worden gebracht, met name in Drenthe. Men richt daar nu de duplexwoningen zo in, dat beide woonkamers of keukens op de begane grond komen. Er had verder een nauwe samenwerking plaats tussen de Centrale Directie en de Studiegroep Efficiënte Ook het vijftigtal proefwoningen te Voorburg, waarbij samenwerking met Ratiobouw plaats heeft, wordt gereleveerd. Bij de woningen voor bejaarden trekt het de aandacht dat de combinatie van speciale woningen voor deze groep met een verzorgingstehuis meer en meer voorkomt. Het voordeel hiervan is dat de opschuiving van de eigen woning naar het tehuis hierdoor zeer wordt vergemakkelijkt. Ook uit financiële overwegingen gaat de voorkeur thans sterk naar deze combinatie uit. Enkele gevallen van verbouwing van bestaande tehuizen, waarbij met behulp van de premieregeling steun werd verleend, werden behandeld.

Enkele nieuwe coinbinaties van bouw- en woningtoezicht voor meer gemeenten gezamenlijk, kwamen tot stand. In het algemeen kon worden vastgesteld dat in vele gemeenten beter onderlegd personeel werd aangesteld. Een grote invloed op de vorming van nieuwe kringen had het Kon. Besluit van 3 Juni 1949, No. 12 inzake het niet toetreden van de gemeente Numansdorp tot een combinatie van gemeenten in de Hoekse Waard. Hierbij werd beslist dat deze gemeente het onderwerp zelf kan regelen en dat haar toetreding niet nodig is. Op dit besluit werd herhaaldelijk een beroep gedaan door andere gemeenten.

In het gedeelte van het verslag, dat gewijd is aan de aangifte omtrent het aantal woningen, worden allerlei studies vermeld van statistische aard. De wijze van voorbereiding van het woningbouwprogramma wordt in herinnering gebracht, op de grondslag van het z.g. acute woningtekort. Het aantal onbewoonbaarverklaringen nam toe. Het bedroeg over 1947 166, over 1948 314, over 1949 663.

Het aantal nieuw toegelaten verenigingen bedroeg 14, dat van de nieuwe stichtingen 9. Een aantal verzoeken van deze aard kon niet worden ingewilligd, aangezien de toelating niet doelmatig werd geacht, mede omdat ter plaatse werkzame corporaties reeds voldoende in de behoefte konden voorzien.

Onder het hoofd Ketenhesluit wordt gewag gemaakt van de sterke drang op de gemeentebesturen om voor allerlei kwasi-tijdelijke bouwsels vergunning te verlenen. Op de pogingen tot ontduiking door dergelijke verblijven op wielen te plaatsen, wordt gewezen. Op de stedebouwkundige gedeelten van het verslag hopen wij in het volgend nummer terug te komen.

H. V. d. W.

Buitenland

België

Overlijden Emile Vinck

Het overlijden, één dag voor zijn tachtigste verjaardag, van de Belgische woninghervormer Emile Vinck, zal velen ook in Nederland de herinnering aan deze bezielende figuur klaar voor ogen hebben gebracht. Ook Vinck behoorde tot de generatie van eerste woninghervormers, die hun gehele leven aan de zaak van de volkshuisvesting trouw zijn gebleven. In zijn eigen land stond hij op vele plaatsen vooraan, in de Bond van Belgische Steden en Gemeenten, als voorzitter van de Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken en van de Raad voor Stedebouw, door zijn werk in de senaat ten gunste van een wettelijke regeling van de Stedebouw. Maar wij kennen Vinck toch in de eerste plaats als voorman in de internationale beweging, zelden of nooit ontbrekend op de congressen van de Internationale Federatie en altijd met ijver en bezieling deelnemend aan de beraadslaging. Ook degenen die hem niet kenden, werden onmiddellijk geboeid door deze kleine, uiterst levendige en pittige figuur. Op het congres te Amsterdam heeft hij nog als leider van een studiegroep, die op zijn aandrang aan het programma toegevoegd was, de bewondering van vele deelnemers gewekt, door de wijze, waarop hij het onderwerp inleidde en persoonlijk de discussies vertaalde.

Het was bekend dat Senator Vinck bezig was zich terug te trekken uit allerlei bestuursfuncties, maar de wijze waarop hij die posten tot het laatst vervulde, liet geen ruimte voor de gedachte dat het de druk der jaren was die hem tot aftreden bracht.

De internationale beweging heeft een van haar leiders verloren, die veel tot haar ontwikkeling heeft bijgedragen.

Verenigde Staten

Stedebouwkundig beleid

Het American Institute of Planners heeft een verklaring uitgegeven over het stedebouwkundig beleid in de Verenigde Staten, waaruit wij enkele grepen doen.

Ondanks hun grote rijkdom kunnen de Verenigde Staten, zo wordt opgemerkt, zich vele van de huidige vormen van stedelijke groei niet langer veroorloven. De overbevolkte woonwijken, de zakenwijken met verkeersopstoppingen, volgepropte industriewijken, onvoldoende wegenstelsels, tijdrovend en kostbaar vervoer naar en van voorsteden, dit alles is een toenemende bedreiging voor het nationaal economisch bestel. Bovendien verhoogt de toenemende concentratie van bevolking en industrie de kwetsbaarheid in de moderne oorlog.

Degenen die in de steden wonen en werken, zijn daardoor zwaar gehandicapt. De concentratie in de HO stedelijke districten neemt echter toe. Reeds nu woont twee derde van de bevolking in steden of binnen het bereik daarvan. De steden zijn een hoofdbron van nationale rijkdom en van de cultuur. Het is dringend nodig voor de nationale welvaart en veiligheid dat verbeterde wijzen van stadsontwikkeling en -herbouw in toepassing worden gebracht. Het gebrek aan leiding is oorzaak dat het karakter van de stedelijke structuur vrijwel statisch gebleven is in een tijdvak van diepgaande verandering in de eisen, die eraan werden gesteld, terwijl de snelle bevolkingsaanwas de vraagstukken sneller heeft doen groeien dan de oplossingen, die toegepast zijn.

Als middelen om dit te verbeteren noemt de verklaring: een voortgezette sanering van grote stedelijke centra tot groepen van wijkeenheden, die elk speciaal aangelegd worden voor de bizondere functie in het geheel van de metropolis; de ontwikkeling naar goede plannen van bestaande kleine steden tot steden van matige grootte, blijvend gescheiden van andere steden: en de vestiging van goed aangelegde nieuwe steden van beperkte grootte, zowel in voorstads- als in landelijke gebieden. Er zijn al aanwijzingen dat de bevolking in de Verenigde Staten zich van de bovenmatige congestie begint af te wenden, De voorstadsgebieden groeien sneller dan de steden zelf: de kernen groeien weinig meer of nemen af. Het industriegebouw met één verdieping op ruim terrein in de