is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 31, 1950, no 12, 1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarde en gebruikswaarde als grondslag van onteigeningsvergoeding de laatste kiest. Tegen de gedachte om het doel te bereiken door handhaving van de prijsbeheersing heeft de Commissie bezwaar, met name omdat dit tot moeilijk te controleren ontduikingen zou leiden. Mocht echter blijken dat de prijzen in het vrije verkeer zich aanmerkelijk boven die bij onteigening zouden verheffen, dan zou öf een waardevermeerderingsbelasting öf een hernieuwde prijsbeheersing dit moeten herstellen. Voorlopig stelt de Commissie dus een beperking van het beginsel van de gebruikswaarde als norm voor tot de onteigening.

Zij erkent dat de moeilijkheid bij de invoering hiervan schuilt in de overgangsregeling. Een tegemoetkoming terzake van de op het ogenblik van invoering van de nieuwe regeling reeds aanwezige surpluswaarde is onmisbaar. Een punt van overweging is geweest of deze regeling beperkt dient te blijven tot goederen, waarvoor vroeger al meer is betaald of bij boedelscheiding in rekening gebracht. Ten slotte is aan een ruimere oplossing de voorkeur gegeven. De meerderheid van de Commissie wil dit verwezenlijken door voor alle

gronden, die daarvoor in aanmerking komen, bij het totstandkomen van de wet de volledige verwachtingswaarde te doen vaststellen. Dit kan gebeuren volgens het gebruikelijke terugrekeningsstelsel. Men schat dan de waarde, die de grond waarschijnlijk in de toekomst zal krijgen en het tijdstip, waarop de realisering van de waarde waarschijnlijk geacht moet worden. Uiteraard moet in dit systeem bij uitkering van de overgangsvergoeding een rente-aftrek worden toegepast. Volledige vergoeding van de verwachtingswaarde kan echter naar de mening van de Staatscommissie niet worden geëist. Er is nu eenmaal een surpluswaarde over veel groter oppervlak terrein dan in werkelijkheid in gebruik zal komen als bouwterrein. Een reductie is dus redelijk. Bovendien zou het onjuist zijn, aldus de Staatscommissie, met een verder verwijderde toekomst rekening te houden. Zij neemt hiervoor een limiet aan van 20 jaar. Beide overwegingen, die van de reductie en die van de limiet van 20 jaar, zijn nu verenigd in een systeem van geleidelijke aftrek van de verwachtingswaarde, waardoor deze ten slotte na 20 jaar volledig is geliquideerd.

Het schema van de overgangsregeling is dus als volgt: a. binnen twee jaar na het in werking treden van de wet kan een ieder bij de bevoegde rechterlijke instantie een verzoekschrift indienen, teneinde de verwachtingswaarde van zijn grond en het tijdstip van vervulling, te doen vaststellen;

b. bij onteigening binnen 20 jaar na het inwerkingtreden van de wet wordt boven de gebruikswaarde tevens uitbetaald de vastgestelde verwachtingswaarde (of de contante waarde daarvan), verminderd met de door de wet vastgestelde reductiefactor.

Weet de onteigenende partij aannemelijk te maken dat de verwachtingswaarde niet of slechts gedeeltelijk gerealiseerd zou zijn, dan kan de rechter de toekenning van de verwachtingswaarde geheel of gedeeltelijk achterwege laten.

Het rechterlijk orgaan, dat deze aangelegenheden moet behandelen en dat tevens belast zal worden met schadekwesties in verband met de vaststelling van plannen, zal zijn een bij elk Gerechtshof in te stellen onteigeningskamer, bestaande uit een raadsheer-president en twee niet tot de rechterlijke macht behorende personen. Het is de bedoeling dat deze bijzitters worden gezocht in de kringen van deskundigen op het gebied van ruimtekunde, volkshuisvesting en grondpolitiek.

Verdeling woningcontingent 1951

Bizonderheden over deze verdeling zijn vermeld in een persbericht, dat het volgende zegt.

De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting heeft in een brief aan Gedeputeerde Staten van de provinciën medegedeeld, dat hij voor het jaar 1951 en volgende jaren een precies uitgemeten verdeling van woningen en kubieke meters niet meer gewenst acht. De omvangrijke financiële lasten, die de woningbouw met zich meebrengt, en de financiële positie van het Rijk maken het echter onmogelijk, dat elke aanvraag om financiering van een woning zonder meer kan worden gehonoreerd. Dientengevolge kan ook nu nog een zekere regulering niet worden gemist.

In overeenstemming met het advies van de Subcommissie, belast met de verdeling van het woningcontingent van het Centraal Orgaan van de Wederopbouw en de Bouwnijverheid heeft de Minister daarom richtcontingenten vastgesteld voor de periode 1951 tot en met 1953, gebaseerd op de geraamde provinciale woningbehoeften.

Rekening houdend met het in deze jaren geraamde beschikbare woningbouwvolumen zijn de volgende richtcontingenten voor de provinciën vastgesteld:

1951 t/m 1953 gemiddeld

In de hierboven genoemde contingenten is begrepen de bouw van woningen in de „vrije sector” welke dus niet meer buiten het toegewezen contingent worden gehouden . en de herbouw van door oorlogsgeweld verwoeste woningen. Voor deze beide soorten woningen zal echter na 1 Januari 1951 de Rijksgoedkeuring door de gemeenten zelfstandig worden verleend.

De Gedeputeerde Staten zullen de hun toegewezen richtcontingenten over de gemeenten verdelen. De door de gemeenten ingediende plannen zullen, voor zover zij blijven beneden het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde jaarlijkse gemiddelde, zo nodig, worden gefinancierd en goedgekeurd. In gevallen van grote urgentie zal soepelheid worden betracht, terwijl anderzijds bij gevaar voor te grote druk op de arheidersvoorziening zal worden afgeremd. Hieromtrent zal de Minister later een meer exacte mededeling doen.

Bouw van Noodwoningen Noord Holland

De neiging om zich woonruimte te verschaffen door eenvoudige bouwsels, soms in de vorm van woonwagens, blijkt nog steeds aanwezig. Gedeputeerde Staten van Noord Holland houden zich met dit onderwerp bezig in een circulaire aan de gemeentebesturen d.d. 25/31 October 1.1. Zij hebben opgemerkt dat sommige gemeentebesturen vergunning ingevolge het Ketenbesluit 1924 verlenen, zonder dat aanvragers voldoende aannemelijk hadden gemaakt dat het bouwwerk voor tijdelijke bewoning van niet langer dan vijf jaar zal dienen. In sommige gevallen was ook met de overige bepalingen van het Ketenbesluit niet voldoende rekening gehouden. Dit leidde tot teleurstelling en financieel nadeel voor belanghebbenden. nadat de Inspecteur van de Volkshuisvesting krachtens artikel 73, vierde lid, voorziening had gevraagd bij Gedeputeerde Staten. Met het oog hierop vestigt het College er de aandacht op dat het wenselijk is belanghebbenden erop te wijzen dat zij goed doen met de aankoop van materialen of met de houw te wachten tot de termijn van veertien dagen, die voor voorziening is opengelaten, verstreken is. Verder dringt het College er op aan na te gaan of de vergunning in overeenstemming met de wettelijke voorschriften kan worden verleend en of niet een andere oplossing, b.v. door toepassing van art. 20 der Wederopbouwwet, in het belang van de aanvrager de voorkeur verdient.

Woningtekort Amsterdam

Aan een publicatie van de gemeentelijke Woningdienst aldaar, bevattende enkele gegevens over de stand van de woningmarkt te Amsterdam aan het einde van September 1950, ontlenen wij dat het woningtekort eind Augustus van dat jaar 31.010 bedroeg. Misschien van meer betekenis nog dan het absolute cijfer is de omstandigheid dat het cijfer beschouwd over de periode sinds het begin van het jaar nog een langzame stijging vertoont. Op 1 Januari was het tekort namelijk 30.663.

De douche in de bouwverordening Den Haag

Bij de gemeenteraad van Den Haag is door B. en W. een voorstel tot wijziging van de bouw- en woonverordening ingediend, waarbij o.a. een bepaling is opgenomen, die, waar geen badkamer aanwezig is, een doucheruimte verplicht stelt van doelmatige vorm met een oppervlakte van ten minste 0.9 en indien deze uitsluitend toegankelijk is van een gang, portaal of andere gemeenschappelijke ruimte uit, voorzien van een kleedportaal van ten minste 0.9 Daarmee zal, als de RaaSd accoord gaat, de verplichte douche dus binnenkort ook in Den Haag haar intrede doen.

Huisvesting gerepatrieerden Den Haag

Uit het schriftelijk antwoord van B. en W. van Den Haag op vragen van een gemeenteraadslid, blijkt dat aldaar tot 1 October 1950 zich 34.045 personen komende uit Indonesië hebben gevestigd, terwijl daarnaast een groot aantal gerepatrieerden zich zonder aangifte bij het Bevolkingsregister ter plaatse gevestigd heeft. In Amsterdam bedraagt het overeenkomstige cijfer (voor het tijdvak van 1 Januari 1946 tot en met 30 September 1950) 19.285, in Rotterdam tot 1 September 1950 8.041.

Stadsuitbreiding en Tuinbouw Den Haag

B. en W. van Den Haag hebben mededelingen gedaan, naar aanleiding van vragen van een raadslid, over hun bemoeiingen in zake de verplaatsing van tuinbouwgronden in het uithreidingsplan-Waldeck. Zij hebben in de lijn van het z.g. tuinbouwrapport aan de Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening voorgesteld een rijkscommissie te willen instellen, die tot taak zou hebben het vraagstuk in studie te nemen van de compensatie elders in den lande voor de binnen het structuurplan vallende tuinbouwgronden. De Minister heeft hierop afwijzend geantwoord, op deze grond, „dat hij de vaststelling en goedkeuring van uitbreidingsplannen het zwaartepunt ligt bij de planologische coördinatie, dat eerst daarna het vraagstuk van het realiseren van de plannen komt en dat, indien daarbij gronden moeten worden onteigend, waarop o.m. zeer intensieve cultures worden geteeld, het de taak van de Gemeente is een oplossing te zoeken voor degene, wiens gronden worden onteigend." In verband hiermee kon de Minister ~uit beleid.soverwegingen”, niet tot instelling van

Groningen per jaar 1.541 Friesland 1.479 Drenthe 1.273 Overijssel .... 10.291 3.430 Gelderland 4.736 Utrecht 3.063 Noord Holland .... 24.096 8.032 Zuid Holland ... 33.042 11.013 Zeeland ........ .... 1.563 521 Noord Brabant .... .... 20.033 6.678 Limburg .... 12.702 4.234