is toegevoegd aan je favorieten.

De woningbouwvereniging, jrg 10, 1950, no 4, 1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drachten verleent voor de bouw van woningen of bij dergelijke opdrachten op enigerlei wijze betrokken is, met het bovenstaande wilde rekening houden.

De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting voor deze, De Directeur-Generaal,

(w.g.) W. C. J. Polman

WONINGBOUW IN FEBRUARI 1950

Volgens gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek kwamen in Februari 1950 3158 nieuwe woningen gereed. In de maanden Februari van de jaren 1946 t/m 1949 werden resp. voltooid 29, 69, 1528 en 2821 woningen.

De in Februari 1950 gereedgekomen woningen waren als volgt over de provinciën en de grote steden verdeeld (tussen haakjes de cijfers van Februari 1949).

Groningen 112 (207); Friesland 183 (101); Drenthe 165 (201); Overijssel 193 (106); Gelderland 334 (529); Utrecht 98 (93); Noord-Holland (excl. Amsterdam) 511 (194); Zuid-Holland (excl. Rotterdam en ’s-Gravenhage) 308 (307); Zeeland 137 (302); Noord-Brabant 396 (343); Limburg 243 (206); Amsterdam 158 (52); ’s-Gravenhage 211 (49); Rotterdam 73 (130); N.O. Polder 36 (1); Nederland 3158 (2821).

In Februari werd begonnen aan de bouw van 3854 (in Febr. 1949 aan 1793) woningen. Daar er veel minder woningen gereedkwamen dan het aantal waaraan begonnen werd steeg het aantal in uitvoering zijnde woningen op het eind van de maand belangrijk, n.l. van 38.744 tot 39.579.

In Februari 1949 bedro'eg het aantal nieuw begonnen woningen en het aantal in uitvoering zijnde woningen resp. 1739. en 38265.

Het aantal in uitvoering zijnde woningen is in de provincie Zuid-Holland het hoogst, n.l. 4785, daarna volgt met 4326 de gemeente ’s-Gravenhage. Deze gemeente had eind Februari zelfs meer woningen in aanbouw dan de provincie Noord-Brabant (4043).

Persbericht no. 30 van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting, afd. Voorlichting. 14 April 1950.

FINANCIËLE AFWIKKELING VAN WONINGWETBOUW

Inleiding.

Tot dusver kon nog slechts voor een zeer gering gedeelte van de vele duizenden Woningwetwoningen, die na de oorlog zijn gebouwd, de definitieve vaststelling der bouw- en grondkosten plaats vinden. Naar mij is gebleken, moet dit worden geweten aan het feit, dat omtrent bepaalde posten nog geen overeenstemming kon worden verkregen, hoewel de desbetreffende woningen reeds lang gereed en bewoond zijn. Ik acht dit een ongewenste toestand. Niet alleen brengt deze mede, dat dikwijls aanzienlijke renteverliezen moeten worden verrekend, maar bovendien wordt het nemen van juiste beslissingen, omtrent omstreden posten steeds moellijker, naar mate de tijd verstrijkt.

Ik-ben daarom voornemens de financiële afwikkeling van de van de laatste jaren met kracht ter hand te nemen. Aangezien mij gebleken is, dat op een aantal punten onzekerheid bestaat omtrent de regelen, welke daarbij dienen te worden in acht genomen, zal ik in het hierna volgende een en ander nogmaals duidelijk in het licht stellen. Ik houd mij bij voorbaat overtuigd van Uw medewerking aan mijn streven om, na de krachtige inspanning om te geraken tot de bouw van zoveel mogelijk woningen ter leniging van de woningnood, thans ook de administratieve zijde van deze aangelegenheid in een vlot tempo te regelen.

Formulieren voor het definitief vaststellen der stichtingskosten. (zie circulaire d.d. 20 Aug. 1948, no. 874720).

Bij nevenvermelde circulaire werd medegedeeld dat voor bet definitief vaststellen van toegezegde Rijksvoorschotten formulieren in tweevoud moeten worden ingediend via de Directie van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting in de provincie (voor de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en ’s-Gravenhage rechtstreeks bij mijn Ministerie): deze formulieren zijn naar de zojuist gemaakte onderscheiding verkrijgbaar bij de genoemde Directie of bij mijn Ministerie. Zij dienen voor het verschaffen van de gegevens, die nodig zijn voor het vaststellen van de juiste bedragen der toegezegde voorschotten en jaarlijkse bijdragen. Daar ook, indien de bouw niet met Rijksvoorschotten wordt gefinancierd, de juiste stichtingskosten bekend moeten zijn om het bedrag van de jaarlijkse bijdrage te kunnen vaststellen, dienen de formulieren in dat geval eveneens te worden ingediend.

Ik dring er ten sterkste bij U op aan, voor zover dit nog niet is geschied, de formulieren voor de gereedgekomen complexen zo spoedig mogcUjk in te dienen en dit ook in de toekomst te doen, telkens wanneer een complex gereed is.

In verband met het vorenstaande breng ik U in herinnering, dat de beschikkingen, waarmede de Rijkssteun voor voorgenomen bouwplannen wordt toegezegd, slechts een voorlopig karakter dragen. Deze dienen zo spoedig mogelijk na het gereedkomen van de bouw door definitieve beschikkingen te worden vervangen, waarin de exacte bedragen van de Rijkssteun worden vermeld en welke de basis vormen van de gedurende 50 jaren te handhaven financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten terzake van de desbetreffende woningen.

Meerwerk-, stagnatie en risicoveiTekening.

(Zie circulaire d.d. 16 Juli 1948, no. 71830/Bijdr.).

Het lijkt mij waarschijnlijk, dat het indienen der formulieren in veel gevallen nog achterwege is gebleven tengevolge van het feit, dat nog geen overeenstemming is verkregen over rekeningen van meerwerk en claims wegens stagnatie- en andere risicoverrekening.

Voor zover dit een gevolg is van achterstand bij de Directies van de en de Volkshuisvesting in de provincies, zal ik maatregelen nemen, teneinde deze achterstand snel te doen inlopen.

Voor het beoordelen der hier bedoelde rekeningen en claims gelden de volgende criteria:

Meerwerk.

Vóór Augustus 1948 bestonden hieromtrent geen bepaalde voorschriften. De kosten van meer-werk aan woningen, welke voordien werden aanbesteed, zullen mitsdien onder de stichtingskosten worden opgenomen, indien deze redelijkerwijs aanvaardbaar kunnen worden geacht. Ik teken hierbij aan, dat zich in deze periode meermalen het verschijnsel heeft voorgedaan, dat zekere voorzieningen aan de woningen achterwege werden gelaten om de bouwkosten te kunnen beperken tot het door mijn Ministerie aangegeven hoogst toelaatbare bedrag. Nu zijn in een aantal gevallen dergelijke voorzieningen achteraf toch aangebracht en tracht men door het indienen van een meer-werkrekening de kosten daarvan alsnog onder de stichtingskosten te doen opnemen. Het behoeft geen betoog, dat meer-werkposten van deze soort niet kunnen worden aanvaard. Overigens zijn aan de Directies van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting in de provincies nauwkeurige instructies verstrekt omtrent hetgeen als ~redelijk aanvaardbaar” moet worden aangemerkt. Inlichtingen hieromtrent kunnen derhalve zo nodig door genoemde Directies worden verschaft.

Medio Juli 1948 is medegedeeld, dat meer-werkkosten slechts kunnen worden aanvaard, indien van Rijkswege vooraf toestemming tot het uitvoeren van het meer-werk is gegeven, alsmede dat deze toestemming van dat ogenblik af uitslui-