is toegevoegd aan je favorieten.

De woningbouwvereniging, jrg 10, 1950, no 4, 1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tend zou worden verleend voor meer-werk van aanzienlijke omvang aan de fundering, indien de kosten van dit meerwerk meer dan ƒ250. per woning bedragen. Naar mij is gebleken, moet dit bedrag aan de hoge kant worden geacht. Ik bepaal mitsdien, dat in de circulaire d.d. 16 Juli 1948 in de plaats van de juist genoemde ƒ250.— wordt gelezen ƒ 100.—.

Resumerend kunnen de kosten van meer-werk uitsluitend onder de stichtingskosten worden opgenomen:

a. t.a.v. bouwplannen, aanbesteed vóór Augustus 1948, indien deze kosten redelijkerwijs aanvaardbaar zijn;

b. t.a.v. bouwplannen, aanbesteed in of na Augustus 1948, indien het betreft meer-werk aan de fundering, de kosten van dit meer-werk meer dan ƒ 100.^— per woning bedragen en indien van Rijkswege vooraf toestemming tot het uitvoeren daarvan is gegeven.

Het opnemen van meer-werkkosten onder de stichtingskosten betekent, dat het desbetrefende bedrag ongeveer voor 1/3 gedeelte in de huur en voor 2/3 gedeelte in de Rijksbijdrage tot uitdrukking komt. Kosten van meer-werk, die niet als behorende tot de stichtingskosten kunnen worden aanvaard, blijven ten laste van de gemeente of de woningbouwcorporatie. Het ontmoet echter geen bezwaar, dat deze kosten worden gedekt door bet verhogen van de huren van de desbetreffende woningen, althans indien en voor zover het peil dezer huren in vergelijking met dat van de overige woningvoorraad een zodanige verhoging toelaat. Verhogingen der huren, als hier bedoeld, behoren door mij te worden vastgesteld. Uw eventuele voorstellen daartoe zie ik gaarne door tussenkomst van de Directie van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting in de provincie tegemoet.

Kosten van meer-werk, welke niet op een der hiervoren omschreven wijzen kunnen worden gedekt, behoren te worden gerekend tot de onvoorziene kapitaalsuitgaven, bedoeld in artikel 5 van de Beschikking bijdragen Woningwetbouw 1948; zij dienen dus te worden gedekt uit de reserve van het desbetreffende complex.

Indien zich bij de bouw door een woningbouwcorporatie het feit voordoet, dat een bedrag wegens kosten van meer-werk te haren laste blijft, is het niet uitgesloten, dat hierdoor een kasgeldtekort ontstaat. Het ligt dunkt mij voor de hand, dat een dergelijk tekort voorlopig wordt gefinancierd met een voorschot van de gemeente, dat wordt afgelost naar mate de hogere huuropbrengst daartoe de middelen oplevert, dan wel naar mate de reserve in omvang toeneemt en dientengevolge middelen beschikbaar komen.

Daar het steeds duidelijk is geweest, dat het Rijk slechts bepaalde kosten van meer-werk zou aanvaarden, kan ik niet toestaan, dat de meergenoemde bedragen blijvend met Rijksgeld worden gefinancierd. In een aantal gevallen zijn meerwerkposten aanvaard en zijn zelfs de desbetreffende bedragen uitbetaald, hoewel dit niet in overeenstemming is met het voorgaande; dit is een gevolg van het tot nu toe ontbreken van een nauwkeurige opsomming omtrent hetgeen wel en niet aanvaardbaar is. Het ligt in mijn voornemen deze te veel betaalde bedragen terug te vorderen. Ik vertrouw, dat U deze maatregel kunt billijken, indien U hem stelt tegenover het feit, dat de nieuwe regeling der bijdragen ingevolge de Woningwet toepassing vindt t.a.v. alle na 31 December 1945 gereed gekomen Woningwetwoningen; deze regeling is immers voor de gemeenten uit financiëel oogpunt aanzienlijk voordeliger dan de regeling, die bekend was op het tijdstip, waarop de voorbereiding van het grootste deel der in de afgelopen jaren tot stand gekomen Woningwetbouw werd ter hand genomen.

Van geval tot geval zal worden bepaald op welke wijze het

terugvorderen van de te veel betaalde bedragen geschiedt; in daarvoor in aanmerking komende gevallen stel ik mij voor voorlopig uitstel van de terugbetaling te verlenen.

Stagnatie (zie Risicoregeling W. 8.).

Krachtens de artikelen 5 en 6 van de Regeling ter beperking van het risico bij in aanneming uit te voeren werken, vastgesteld door de Directie voor de Wederopbouw en voor de Bouwnijverheid op 18 Mei 1945 (Risicoregeling W. 8.) kan een aannemer in geval van stagnatie aanspraak maken op een bepaalde vergoeding. De uit deze bepalingen voortvloeiende kosten kunnen voor de Woningwetbouw, welke na de oorlog werd uitgevoerd, onder de stichtingskosten opgenomen worden, indien de desbetreffende bedragen althans redelijkerwijs aanvaardbaar zijn te achten; zij komen dan dus ook in de huur en in de bijdrage tot uitdrukking. Omtrent kosten van stagnatie, welke ingevolge het vorenstaande niet worden gedekt, geldt overigens mutatis mutandis hetgeen omtrent ongedekte kosten van meer-werk werd opgemerkt.

Risico, niet voortvloeiende uit stagnatie (zie Risicoregeling W. 8.).

Krachtens de eerder genoemde Risicoregeling W.B. kan een aannemer eveneens aanspraak maken op een bepaalde vergoeding wegens risico van andere aard dan voortvloeiende uit stagnatie. In het algemeen echter slechts, indien de aanbesteding vóór 1 Januari 1949 plaats had. (Zie beschikking Risico-berekening 1948).

Op genoemde datum trad de Beschikking risico-berekening 1948 in werking, krachtens welke de verrekening van dit risico op niet-individuele wijze geschiedt.

De beschikking r.isico-berekening 1948 kan enerzijds op verzoek ook worden toegepast voor werken, die vóór 1 Januari 1949 zijn aanbesteed, terwijl anderzijds de Risicoregeling W.B. is blijven gelden voor projecten, waarop de Beschikking risico-berekening 1948 niet van toepassing is verklaard, dit laatste is het geval voor het merendeel der z.g. bouwsystemen.

In de gevallen, waarin ingevolge een der hiervoren genoemde regelingen, risico, niet voortvloeiende uit stagnatie, wordt verrekend, worden de daarmede gemoeide kosten als behorende tot de stichtingskosten aanvaard en bovendien geheel op de Rijksbijdrage verrekend; de huur ondergaat in dat geval dus geen verandering.

Indien een tussen een opdrachtgever en een aannemer gerezen geschil met mijn voorafgaande instemming aan arbitrage is onderworpen, zal van geval tot geval op door mij te stellen voorwaarden door mij worden beslist of en in hoeverre de daaruit voortvloeiende kosten als behorende tot de stichtingskosten kunnen worden aanvaard.

Financiering met Rijksvoorschotten of met op andere wijze verkregen kapitaabniddelen (zie regeling uitbetaling en controle).

Gelijk bekend, geschiedde de financiering van de Woningwetbouw tot en met het jaar 1947 in de regel met voorschotten uit ’s Rijks kas. Voor de uitbetaling en controle dezer voorschotten is een regeling vastgesteld bij Beschikking van mijn ambtsvoorganger d.d. 4 Aug. 1947, no. 17017 M./U.; naar haar inhoud zij voor zoveel nodig verwezen. Voor zov-r de financiering van de Woningwetbouw met voorschotten uit 's Rijks kas geschiedt, zullen de bedragen dezer voorschotten bij het opmaken van de definitieve beschikkingen worden verhoogd met de kosten van meer-werk, stagnatieof andere risico-verrekening, welke als behorende tot de stichtingskosten worden aanvaard, en zal bij het berekenen van hèt bedrag der toegezegde jaarlijkse bijdrage met deze verhoogde bedragen worden rekening gehouden. Met ingang van het jaar 1948 zijn de gemeenten voor het