is toegevoegd aan je favorieten.

De werkman; bijdragen voor arbeid en kunst, jrg 2, 1869-1870, no 10, 30-10-1869

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheiden vakken zijn die dit loon niet verdienen.

Ieder was -weder tevreden; men kon ten minste weder runner adem halen. Daarop ging ieder weer rekenen. De huisbazen vermeerderden hunne hu uren met 10 a 15 ct.; de boeren betaalden weder meer landpacht, en wij daardoor weder meer prijs voor de levensbehoeften; en ziedaar, weder denzelfden benarden toestand!

Bouwheeren, architecten, patroons en meesters gaan steeds vooruit; ieder hunner doet wat zij willen, en de werkman, de eigenlijke uitvoerder van alle werkzaamheden van weelde en pracht, zinkt dagelijks dieper.

De grroote maatschappij kent den werkmau in het geheel niet, en de burgermaatschappij wringt den werkman uit, als een wijnperser zijne druiven tot den laatsten druppel toe.

"Verdiend de werkman deze toestand?... Maar wat is oorzaak van al deze handelwijzen? Hij kent zijne waarde niet, hij weet niet dat hij ook een deel uitmaakt van de maatschappij. Het grootste gedeelte dwaalt rond, zonder herder of leidsman; de een is een vijand van de andere, men kent geen broederschap. De een wil meer zijn dan de ander, en de slotsom is, dat zij beiden even arm zijn.

Tereeniging is liet wapen dat den werkman kracht geeft. Het kan u niet genoeg gebeden worden: Leeft vcor elkander, beijvert u voor elkander; ieder moet werken tot ^algemeen belang, eigenbelang is doodend. "Wij zijn allen broeders" van één stof. Wij moeten elkander wijzen op plichtverzuim, geen patroon onverdiend lasteren, doch ook geen laster gedoogen. Ijverig zijn in al ons doen, ons als nuttige leden in de maatschappij doen kennen. Laardoor zullen wij den laster doen verstommen, die op den werkman rust. Want ziet, begint men over zijn toestand te redeneeren, dan krijgt men tot antwoord: nAls ge des Zaterdagsavond*, 's Zondags en 's Maandags maar hunne levenswijze^ ziet, dan leert ge de behoeften kennen, die zij

hellen." ^ ^

"Voorwaar, dat antwoord is grievend. Droeders! neemt het mij niet kwalijk n hierop te wijzen. Gij moet u van dien laster ontdoen. Menschen, nuttige menschen moeten wij zijn, ter opheffing onzer grieven. Onze eischen zijn rechtvaardig, eerlijk en gegrond. ^

{Eet vervolg dezer toespraak vn> een volgend nommer.)

Tot ons le;dwezen is het verslag van de tweede meeting van we1 Mieden, te Arnhem gehouden, te laat door ons ontvangen, om het nog in dit nr. te kunnen opnemen. Toch willen wij onze lezers nog het heuchelijk bericht daaruit ineêdeelen, dat reeds circa 600 werklieden tot de algemeene vereeniging zijn toegetreden. Voorwaar wel eene aansporing voor de werklieden in andere steden!

IN&ezo¥^E¥Ttukkenl

Voor de stukken, onder deze rnbriek opgenomen, is niet de redactie maar de schrijver verantwoordelijk. — Ongeteokende stukken worden ter zijde gelegd.

"Wij nemen de vrijheid op te ^merken, dat niemand ter wereld, hij zij vrij of gebonden in 't denken, kan denken wat hij wil. Het Noorden.

ilecle en verstand te stellen boven geloof en autoriteit, komt ons even gevaarlijk voor als het omgekeerde. Voor den man, die de vrijheid wil verzekeren tot onderzoek en ontwikkeling van alle menschelijke eigenschappen, is niets verderfelijker dan het recht van den volkswil te loochenen. Dat die volkswil, t zij vrij of gebonden, zooals in Nederland het geval is, evenmin in staat stelt straffeloos te zondigen ten-en de wetten der natuur van de menschelijke ontwikkeling, van wier bestaan de menschtieid zich van lieverlede bewust wordt, als de wil van den enkele deze in staat stelt zich straffeloos te verzetten tegen maatschappelijke instellingen en staatswetten,^ is zonneklaar. Maar wanneer ik op autoriteit van de kieswet in Nederland geloof, dat het volk dat deel der bevolking is, 'twelk eene genoegzame som in de belasting betaalt om zich het recht te verzekeren, zicli te doen vertegenwoordigen in de regeering van gemeente, provincie en staat, dan kom ik tot de gevolgtrekking, dat het nederlandsche volk bestaat uit de"meerderheid der stemgerechtigde staatsburgers, en de staatsregeling van Nederland

dat volk de vrijheid geeft, een groot deel, het in getalsterkte grootste gedeelte der bevolking van ons vaderland, te regeeren, zonder die bevolking te hoorei), zoofzij met de regeering van het volk ontevreden mocht zijn!

Maar wanneer ik dan mijn verstand raadpleeg, kom ik tot (Te redelijke overtuiging, dat het onredelijk is, mijn minder dan ik met tijdelijke goederen gezegeisden landgenoot te regeeren, zonder liem te hooren, wanneer hij zich over mijne regeering beklaagt.

Door dus rede en verstand te stellen boven geloof en autoriteit,,, wordt ik vervoerd tot onredelijke handelingen; en hoewel zelf geen lastdier, zon ik in het vrije Nederland van mijne landgenoten lastdieren helpen maken, indien ik rede en veïstand stelde boven ged,>af en autoriteit. Want in staat en maatschappij worden in ons regeeringsstelsel slechts zij gehoord, die betalen kunnen of willen, en het is toch voor geene tegenspraak vatbaar, wanneer ik beweer, dat ongehoorde lasten worden gedragen door velen, die 't niet willen of niet kunnen. Dat mag, dat kan zoo niet blijven in 't van ouds om zijn vrijheidszin bekende Nederland!

Waarom moeten nog in onze dagen sommige menschelijke eigenschappen worden verheven boven anderen? Waarom moeten rede en verstand gezach uitoefenen over geloof en autoriteit ?

Is dat dan niet op nieuw het autoriteitsbeginsel huldigen ? En is dat door de wetenschap niet gewogen en te licht bevonden, om als leidster te dienen, zij het dan ook dat 't onmisbare diensten kan bewijzen als drijfveer ?

Daarom vragen wij: Zeg ons toch, wat is rede? Wat is verstand? Indien gij daarvan elementen van uitwendig gezach maakt, zullen deze evenzeer medewerken tot 't onderdrukken der bevolking als vroeger geloof en autoriteit.

Of is het om de zoo zuiver menschelijke eigenschap van 't gelooven, dat het geloof misbruikt is en nog misbruikt wordt door heerschen eerzuchtigen, om geheime doeleinden en bijzondere belangen door te drijven? Of is het om de zoo noodzakelijke regeling, welke ieder huisgezin, iedere staat behoeft, dat zij, die met de uitvoering dier' regeling belast waren, misbruik maakten van 't vertrouwen, dat men in hen stelde, en de autoriteit maakten tot eene gehate uiting van eer- en heerscnzucht?

Of wilt ge, nu door de fouten welke de voorstanders van geloof en gezach maakten, wantrouwen bij de bevolking is opgewekt tegen geloof en autoriteit, ook nog rede en verstand in minachting brengen? Ik denk het niet. Toch ken ik aan gèen macht ter wereld, buiten die van mijn eigen geweten, het recht toe mij te dwingen aan eene of enkele uit de vele eigenschappen, welke ik als mensch bezit, een hoogeren rang toe te kennen dan aan de anderen! En dit toch zal gebeuren, wanneer ik rede en verstand de voorkeur geef boven geloof en autoriteit, of ■— omgekeerd!

Immers, de wetenschap zal uitspraak doen, zoo dikwerf er wordt gevraagd naar rede en verstand, en aan die wetenschap zal ik mij even blind moeten onderwerpen als vroeger aan de kerk, ook indien de laatste niet even veel recht van bestaan heeft als de wetenschap. Be geschiedenis is daar, om het door menig voorbeeld te bewijzen.

Waren alle wetenschappelijke mannen in iedere eeuw werkelijk mannen vol wetenschap geweest, ware nooit de opgeblazene driestheid van 't halfweten een struikelblok voor de ontwikkeling van dat weten zelf, de democratie zou verder zijn dan thans.

Wetenschap en geloof hebben dus beiden belang bij 't handhaven eener autoriteit, die, niet verheven boven een van beiden, ook niet als het uitvloeisel van hun wil is te beschouwen. Die autoriteit vindt Nederland in de volkssoevereiniteit, gelijk ze is en was sedert onze vrijmaking van spaansche overheersching. Daarom is Oranje boven! nog altoos de leus van 't nederlandsche volk, omdat, hoe ook geplaagd, gejaagd, gesard, getrapt door eer- en heerschzuchtigen, die zich opdrongen als wetenschappelijke en godsdienstige lieden, Oranje het nederlandsche volk altoos heeft geleid dooide branding der dweepzuchtige en mystieke stroomingen van liberalisme en orthodoxie!

WAT WIJ NOODIG HEBBEN!

Geestkracht, vertrouwen op en geloof in het welgelukken van pogingen, die zich op rechtvaardigheid en liefde grondvesten, moeten steeds de mannen geleid hebben, die hunne krachten dienstbaar maakten aan de vernietiging van slavernij, en die het geneesmiddel kenden en met gunstig gevolg wisten aantewenden ter genezing van maatschappelijke : wonden. De geschiedenis der menschen verhaalt ons op menige harer bladzijden de daden van mannen, die ons de volle overtuiging geven van hun onwrikbaar geloof in hun rechtvaardig beginsel en pogen. Zoo lezen wij van eenen Mozes, de joodsche wetgever bij uitnemendheid, de bevrijder van het Israëlitische volk uit de banden, waarin heerschzuchtige farao's het met ijzeren vuist gekneld hielden. Door welke macht was het dien man mogelijk, om het israëlitische volk te bevrijden? Wie toch was Mozes en hoedanig was de gesteldheid van het volk, dat hij bevrijdde? Mozes was een zeer -wijs man, onderwezen in de beste school zijner eeuw; het niet aan hem gespaarde onderwijs had zijne natuurlijke geestesgaven gevormd tot eene buitengewone verhevenheid.

Die buitengewone geest, die echte man des volks, wiens wetten en voorschriften getuigen van zijn doordringend verstand en doeltreffend oordeel, had met scherpen blik' de diepte deiafgrond ontwaard, waarin zijn volk door heerschzucht en tirannie machteloos ter nederlag ? Hij beminde zijne verdrukte broeders. Hoe moest hem dus de. ellende zijns volks niet smarten?

Zijn vruchtbaar verstand ried hem als heteenigst middel aan, om, wilde hij pogen den toestand zijns volks'te verbeteren, dan afdoende maatregelen te nemen. Immers, zijn volk zuchtte reeds sedert eeuwen onder den druk eener met stelselmatigheid uitgedachte verdrukking. Ze bevonden zich onder den ijzeren schoen van de hen tot bukken dwingende tirannenklauw. En het volk bukte, ontzenuwd als het was geworden onder den den steeds rusteloozen zweep der drijvers. Zij bukten, en steeds dieper; want slaafsche dienstbaarheid vernietigt alle veerkracht en dood de eigenwaarde en het vrijheidsgevoel in den mensch. Volksverdrukkers zaaien steeds een onnatuurlijk zaad; de vruchten, die zij oogstten, bestaan in de hoogst opgevoerde ellende des volks, de vernietiging van al wat schoon, edel en waardeerbaar in den mensch is of worden kan, en eindelijk...: de rechtvaardige wraak van een teugelloos opgewonden menigte, die uit hare woede de krachten put tot eène vreeselijke kastijding. Steeds was daar, waar het gezag tot tirannie ontaardde, een Mozes noodig, die door geest en kennis uitmuntte en genoegzaam vertrouwen inboezemde bij de zoo lang verdrukte menigte. En waar die Mozes ontbrak,

waar het volk zonder hoofdman was, die de geleidelijke weg als de beste aanwees ter genezing van maatschappelijke kwalen, daar waar' dan de volkswoede uitbarstte tegen hare overheerschers, o, daar had een maatschappelijken schok plaats, die niet geheel te herstellen was, en steeds de vreeselijkste sporen naliet.

Zoo was het israëlietische volk al meer en meer de slaaf geworden van Egypte's konin- i gen! Elk dier elkander opvolgende tirannen was weêr bekwamer dan zijn voorganger in't uitdenken van middelen, om het zich belangrijk vermeerderende volk te drukken en te verslaven, en daardoor machteloos te maken. Met geweld poogde men den storm te bezweren, die als resultaat der handelingen tegen de Israelieten, te recht kon worden voorzien.

En die storm dreigde te komen!

Wij lezen: het volk zuchtte en schreeuwde over de slavernij, de vreeselijke verdrukking, die 't te verduren had. Toen trad Mozes op en bewogen met het lot zijns volks, stelde hij zich aan als de kampioen voor de vrijheid der Israëlieten.

Welk eenen moed ! Hij maakt, na zooveel j bezwaren, zijn volk vrij, ontrukt ze aan hare verdrukkers! Welk een vertrouwen in het rechtvaardige der daad, die hij waagde, moet hem bezield hebben, om een volk, dat door slaafsche onderwerping en onthouding van elke geestélijke ontwikkeling tot op den laagstenrang als mensch was gedaald, Egypte uit te leiden, het de vrijheid weêr te geven, die het niet kende,