is toegevoegd aan je favorieten.

De werkman; bijdragen voor arbeid en kunst, jrg 2, 1869-1870, no 33, 09-04-1870

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nr 33.

Tweede jaargang

1870.

DE ARBEIDER IS ZIJN LOON WAARD.

DE WERKMAN.

ARBEID ADELT

Orgaan voor Arheiders-Wereenigingen.

Hit blad verschijnt eiken Zaterdag.

Prijs van het abonnement voor Arasterdam per drie maanden ƒ 0.50

Voor de provinciën, franco p. post w 0.65

Afzonderlijke nommers 0.05

Advertentiën 5 cents per regel.

Brieven en bijdragen voor de redactie gelieve men franco te zenden aan den redacteur H. WOLLRING, Goudsbloemstraat bij de Baangracht, Q,Q 338.

Zaterdag, 9 April.

A an alle boekwerken, van welke twee ex. aan de redactie worden gezonden, wordt aankondiging gedaan.

Advertentiën in te zenden vóór Donderdag-middag 4 ure aan het Bureau, Molsteeg, G 138, Amsterdam.

Voor den Werkman is de prijs van dit blad 3 cents per nommer, in de provinciën 3Va Cents, wekelijks te betalen.

Het harde brood van den machinist.

Dat de werklieden een onmisbaar gedeelte der maatschappij vormen, is een uitgemaakt feit; dat hun arbeid en hunne moeite bijna nergens beloond worden, is, helaas, óók een feit. Om bewijzen hiervoor te vinden behoeft men dan ook niet ver te zoeken; zij zijn bij duizenden te vinden.

Bij 't doorbladeren der laatste jaargang van die Gartenlaube viel ons oog op 't onderstaande artikel, dat wij in zijn geheel zullen overnemen. Hoewel 't reeds een jaar is geleden dat bedoeld art. werd geplaatst, is echter de toestand van den machinist nog altijd even beklagenswaardig, zoodat dit opstel nog evenzeer de aandacht verdient als voorleden jaar.

De Gartenlaube heeft reeds bij eene vorige gelegenheid gewezen op de gevaarlijke, gewichtige en verantwoordelijke post van machinist van een locomotief. De machinist is inderdaad, zooals een bevoegd beoordeelaar met nadruk betoogd heeft, een dier kampioenen in dienst der beschaving, die zijn lauweren niet op 't bloedig slagveld verovert, maar bij dag en nacht zijn léven aan gevaren blootstelt, om onvermoeid op den ijzeren vredegordel te werken, die landen en volkeren met elkander verbindt. De waarheid dier woorden zal ons des te duidelijker worden, zoo wij ons een tooneel van de gevaren van dat beroep door een vakgenoot zelf laten voor oogen stellen, zooals 't in de hieronder staande regelen geschiedt door een saksisch machinist.

Den 28 December 1866, zoo verhaalt hij, moest ik des avonds tien minuten vóór vijven de van Hot vertrekkende posttrein als machinist naar Zwickau voeren. Nadat ik mijne machine zoo nauwkeurig mogelijk had nagelen en alles in behoorlijke orde had bevonden, verliet ik de bergplaats der locomotieven, om Hij aan 't hoofd van den weldra vertrekkenden trein te stellen. Ik had dezelve nog niet bei'eikt, toen eene ontploffing en plotselijke omhulling van water en stoom mij deden zien, dat ".et niveau-glas gesprongen was, die gewichtige inrichting van elke locomotief, waardoor de machinist den stand van 't water in den stoomketel kan zien, en zonder welke 't, voornamelijk des nachts, de grootste moeite kost om den stand van 't water op eene andere wijze te vinden, waarbij niet 't gezicht, maar 't gevoel en 't gehoor te pas komen. Een slecht Joorteeken tot mijn reis; maar hier hielp geen lang bedenken. Nadat de locomotief met de wagons verbonden was, zocht ik de ontstane schade zooveel mogelijk te herstellen; en dit gelukte ™-J volkomen na eenige inspanning, waarvan ?e Van mijn gezicht afparelende zweetdroppeJen getuigden.

Het driemaal herhaald luiden der perronsWok herinnerde mij, dat de tijd van vertrek daar was, en nadat ik door 't gillen der stoomfluit het fluitje der beambten had beantwoord, zette ik mijn locomotief met eene matige snel¬

heid in beweging; en zoo reed ik met een steeds grooter wordende snelheid door de met regen en sneeuwstorm vermengde duisternis een niet verwacht zwaar noodlot tegemoet.

Niettegenstaande de ongunstige weersgesteldheid, gelukte 't mij de komende stations op de voorgeschreven tijd te bereiken; en na een rid van li uur kwam ik wel behouden in 't spoorweg-station van Plauen aan, eene stad in 't saksisch voigtjand. De dicht opeengepakte menschenmassa op 't perron overtuigde mij, dat mijn trein ditmaal veel passagiers Zou moeten opnemen. Daar ik volgens voorschrift mij op dit ^ station vijf minuten moest ophouden, gebruikte ik dien tijd om mijn tender met water te vullen, de locomotief nogmaals in alle raderdeelen te onderzoeken en zulke voorbereidingen te maken, om den trein met zijn toegenomen belasting verder te kunnen voeren. Nadat dit alles als naar gewoonte was gebeurd en de locomotief weer met de wagons was verbonden en er toch nog geen signaal om te vertrekken was gegeven, informeerde ik mij naar de oorzaak van dit lang oponthoud, en vernam dat er zich onder de op 't perron wachtende menschen, een talrijke troep saksisclie soldaten bevonden, die wegens gebrek aan personen-wagens niet allen konden" geplaatst worden, en dat, daar ze bepaald weigerden om den tocht in goederen-wagens mee "te maken, ik den volgenden sneltrein moest laten voorbijgaan, om deze aan zijn verderen reis niet verhinderlijk te zijn.

In den weldra aangekomen sneltrein werd een deel der passagiers geplaatst, en nadat deze 't station verlaten had en de overige passagiers in den posttrein geborgen waren, kreeg ik eindelijk, na een oponthoud van veertig minuten, 't signaal tot de afreis.

Nogmaals stoomde de zwaar belaste locomotief door de dichte duisternis de verre stations tegemoet. Bij 't eerstvolgende station, Heidien bach, ook in 't saksisch Voigtland, werd mijn trein gesplitst, doordat de naar Leipzig bestemde wagens hier afgingen en ik slechts de wagens met mijn locomotief moest verder brengen, die voor de lijn Chemnitz bestemd waren.

Hier wilde ik, daar de tijd 't mij veroorloofde, mij van een opgedragen last aan een mijner collega's kwijten; maar mijn leerling maakte mij er opmerkzaam op, dat deze heden hier niet aanwezig was, en dat wij morgen, als hij er weder terug zou zijn, weer hier zouden komen. Arme leerling, ge zoudt dit station nooit weder zien!

Na ongeveer tien minuten oponthoud kreeg ik 't signaal tot de afreis, en blij te moede zette ik mijn locomotief in beweging, want de eerstvolgende halte was Zwickau, het doel mijner reis.

Nauwlijks had ik 't station verlaten, of ik gevoelde reeds hoe hevig 't onweder was toegenomen. De storm dreef mij de regen en de sneeuw met zooveel geweld in 't gezicht, dat t mij onmogelijk was de oogen open te hou¬

den. Ik vermaande daarom mijn leerling en den stoker toch zeer attent te zijn, omdat de kant waar. zij stonden niet zoo erg aan de luchtstroöming was blootgesteld als de mijne, en dat men van daar een onbelemmerd uitzicht had over de oppervlakte. Ik zelf begaf er mij van tijd tot tijd heen om een onderzoekenden blik naar voren te werpen. Met de meeste omzichtigheid liet ik den locomotief in dé voorgeschreven snelheid gaan, en niettegenstaande de wind ons woedend tegenhuilde, naderden wij ons doel al meer en meer.

Daar, diént bij Zwickau, klinkt op eens 't geroep des stokers: „Ach God, daar komt ons een trein tegemoet! " Een sprong naaiden anderen kant overtuigde mij van de volle waarheid. Op een zeer korten afstand zag ik den van Zwickau naar Hof gaanden trein mij op een valseh spoor, tegemoet komen. Hij was tengevolge van 't verkeerde stellen der seinen, dat door 't hevige onweer door niemand was opgemerkt, op mijn spoor geleid geworden. Maar niettegenstaande dien vreeselijken aanblik behield ik mijne tegenwoordigheid van geest, en eene onverklaarbare kracht, verbonden met moed en vastberadenheid, deed mij alle mij nog ten dienst staande middelen aangrijpen, om den trein zoo spoedig mogelijk tot stilstand te brengen. Maar alle pogingen waren te vergeefs: de afstand, bij dubbele snelheid der beide treinen, te gering, en daar ik wel inzag, dat mensclielijke kracht hier niet baten zou om een vreeslijk ongeluk te voorkomen, beval ik mij, aan mijne familie denkend, in Gods hoede aan. Met een ongehoord geweld geschiedde de botsing; 't is bijna ongeloofelijk, dat één enkel oogenblik zulk eene verwoesting kan teweegbrengen. De locomotieven hadden zich diep en vast in elkaar geboord, en waren bijna geheel en al verbrijzeld. De vier eerste wagons van mijn trein waren zoo vernield, dat van al hun hout slechts kleine splinters waren te zien. De vijfde wagen, die van de koninklijke post, was over de locomotief heengevlogen en zat op den ketel van de andere machine. Een personenwagen stond op de mijne en had een groot gedeelte van den keïel weggerukt, door welke opening al de stoom en 't kokende water met een vreeselijk geweld door den verbrijzelden houten bodem in den personenwagen stroomde en de passagiers deerlijk verbrandde. Rondom schrikkelijke verwoesting: overblijfselen der bagage, stukken hout en ijzer lagen woest door elkaar.

(Wordt vervolgd.)

Verdraagzaamheid.

Zoo men zegt, dan leven wij tegenwoordig in een tijd, waarin de schoone deugd van verdraagzaamheid meer dan wel vroeger beoefend wordt, 't Is geenszins ons doel de vele verblijdende verschijnselen van onzen tijd daaromtrent te betwijfelen; toch meenen wij, dat men ook thans nog „knollen voor citroenen verkoopt" en ,,'t al geen goud is wat er blinkt."