is toegevoegd aan je favorieten.

De werkman; bijdragen voor arbeid en kunst, jrg 4, 1871-1872, no 24, 03-02-1872

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeuwigen trouw zwoer, en alles, totdat er niets overbleef dan het akelig vooruitzicht, dat u schaamrood maakte: den bedelstaf. Gij hebt gevraagd voor uwe kinderen en gij hebt de hand gezegend, die u de vernedering gaf, want gij dacht: hij leent aan God, die aan den arme geeft.

Haar thans?... Arme man, de deuren der gevangenis zijn achter u gesloten, als achter een misdadiger, omdat gij aan eene hartelooze maatschappij het brood vroegt, het brood, dat de ijskoude winter u door het gemis aan arbeid onmeedoogend geweigerd heeft. En liefdadigheid is eene moeder, die den armste maar al te dikwijls vergeet

Maak u uit den weg, afzichtelijke bedelaar, weg luiaard, hoort gij ons prachtig tweespan niet vliegen, dat onze meesters naar het schitterend feest, naar de vreugde, naar den wellust voert, in gindsch paleis, in die rijke, bedwelmende zalen bij een man van koninklijken bloede!.,.

Feest, ja, het was feest bij den prins, uit het bloed eens konings ontsproten, ''s Middags had men voor hem gebedeld, met om brood voor zijne kinderen, niet omdat de arbeid gestaakt was, — men had schatten gouds voor hem gebedeld, men had voor hem het arme volk honderdduizend gulden afgeperst, — en nogtans, onmetelijk was het erfdeel zijns vaders geweest; uit 't zweet des volks vergaderd zwom hij in millioenen, en toch werd voor hem gebedeld, want immers hij, hij moest feest vieren terwijl het volk honger leed! Maar waarom zou hij zich daarover bekommeren, hij, de prins uit' koninklijk bloed? Drinkt men niet de melk zonder te denken aan de koe die ze ons geleverd heeft? En is het volk niet goed genoeg om zwart brood te eten of van honger te sterven? Gij hebt gebedeld, arme werkman, en men heeft u in hechtenis genomen; maar waarom moest gij ook dit werk beproeven, dat alleen den kinderen van koninklijken bloede is voorbehouden ?...

Nevens bedorven stroo zond de maan hare bleeke stralen, als tranen, op de moeder, knielend naast heur bleek en vermagerd wichtje, dat te sterven lag. ;t Kind van den armen ambachtsman lag in de armen des doods; het kind, de bedelaar van koninklijken bloede, lag in de armen van wellust en verdronk in wijn de stem des gewetens, die hem beschuldigend toeriep: Zij die vernederd zijn zullen verheven worden!

En ziedaar, verrotte maatschappij, uwe volle gelijkheid! Wanneer zult gij, geketend volk, uit uwe vernedering opstaan en mannen weten te benoemen, die uwe belangen, voor den lach eens konings of plaats aan zijnen disch, niet zullen verraden? Geene mannen, die het zweet uws aanschijns, die het brood uwer kinderen aan den nietsdoener van koninklijken bloede verkoopen sullen, en die voor uw lijden slechts een woord van medelijden of een woord van verachting weten te uiten! Wanneer zult gij die ingekankerde misbruiken weten uit te roeien, en al de onmetelijkheid uwer macht beseffende, dezelve gebruiken om het tergend onrecht tot den wortel te Vernietigen? Wanneer zal uwe machtige stem weergalmen en om 'u menschen waardigheid te wreken niet door stroomen bloed, niet door dood en brandstichting, maar door de gevestigde gelijkheid in de heilige republiek?

WERKSTAKINGEN.

De koolmijuwerkers hebben gansch het Walenland door hun werk gestaakt.

Dat is hun recht, het recht hun door de wet gewaarborgd.

Over eenige weken stond de brusselsche burprij op tegen het gezag, door Kamers en ministers wettig uitgeoefend.

Dat was geweld, dat was onrecht, dat was de Vetkrachting van alle onze politieke wetten.

^dnu, wat gebeurt er?

1 het Walenland, en alhoewel er nog geen °Proerige kreet werd gehoord, zend men soldaten egen de werklieden op, en dit niettegenstaande * ^otestatiën van sommige dorpsoverheden.

Brussel, daar waar geganteerde farodrinkers e meerderheid der Kamers, de ministers, den soning beleedigden, waar men den eigendom van sclT stüle burgers aanrandde en baldadig ( 0ttd' ^ waren het hoogstens eenige burger-

rt

wachten welken men deed opkomen, eerder om de ongeregeldheden in de hand te werken, dan om ze te beteugelen.

Hoe komt het toch, dat een katholiek ministerie zich zoo streng tegenover den werkman, zich zoo zwak tegenover de burgers gedraagt?

Zoek de reden daarvan niet verre.

Te Brussel riep men:

Weg met den koning! weg met de ministers! weg met de klerikalen!

Eu de politiekers wisten wel, dat die oploop, juist zooals onze politieke instellingen en uitvindingen: koningdom, klerikalismus, liberalismus, enz., louter komedie was.

Al wat men beoogde was Erère in stede van d'Anethan, Bara in stede van Jacobs op de kussens te hebben.

En die verandering van naam kon dan toch zoo geen erge gevolgen hebben, mits ze het allen volkomen eens zijn, wanneer het op de hoofdzaak aankomt: de uitbuiting van het volk.

In 't Walenland is Jt gansch wat anders: daar zou de borst soms den kreet: „brood! brood!" kunnen ontsnappen, en die kreet kan de troonen doen waggelen!

En daarom ook moet en zal die kreet in het bloed des werkmans gesmoord worden.

Zoo gebeurde het reeds te Chatelineau, te Frameries, enz., zoo zal het denkelijk nogmaals gebeuren.

Dat periodiek neerschieten des werkmans kan wel gedurende een zekeren tijd schijnrust verzekeren, maar hoe meer stemmen er gesmoord, hoe meer borstsn er doorschoten worden, des te erger zal eens de weerwraak zijn, — en de dag der weerwraak, arme werker, is nabij!

(De Stormklok.)

DE AERIKAANSCHE SLAAF.

Goede hemel, wat moet ik zuchten,

Wijl geheel het menschdom juicht

En zich ieder blij en vroolijk Dankbaar voor u nederbuigt.

Ja, daar zelfs de kleinste vliegen Gonzend zwerven, vrij en blij;

Ik alleen, ik redelijk wezen,

Zucht in wreede slavernij!

Ben ik dan niet vrij geboren,

Vrij, gelijk mijn beulen zijn?

Of ben 'k slechts een mensch in schijn, Of ben ik minder als de dieren?

Nimmer heb ik kwaad misdreven,

Ik werk van 's morgens tot den nacht;

'k Heb het geld door bloedig zwoegen In mijn meesters kist gebracht.

Ik bemin mijn vrouw en kinderen,

Doch het staat mij nauwlijks vrij,

Want zij zuchten, als hun vader,

In de wreedste slavernij.

Wat gaat mij hun lot ter harte,

Hunne vrijheid is mijn wensch!

Europeaan, o wreede christen,

Is dan d'Afrikaan geen mensch?

Waarom, waarom, o wreede christen,

Laat gij onze vrijheid niet?

Waarom zijt gij niet tevreden Met uw eigen grondgebied?

Europeanen, wilt bedenken,

Als de vrijheid u bekoort,

Dat ook d' a'frikaansche broeder Tot den rang van mensch behoort.

N. N.

Eindelijk wordt de werkman wijs, want hij zegt:

Als men zijn dagen vreugdeloos heen ziet vlieden, Dan is het hier, op Neêrlands grondgebied;

Het aardsch geluk, hoe kan men dat genieten,

Waar men slechts dwang, in al zijn kleuren ziet?

Verschrikkelijk lot, dat hem hier is beschoren, Een werktuig zijn, machien met spraak begaafd!

Der lieve vrijheid, waarmee men was geboren, Ontrukt, verguisd —• doch niet altijd verjaagd.

Een stuk metaal, 't Geld, dat stelde ons de wetten, En ook de gril van iedren ellendeling;

Het kapitaal speelt met ons als marionetten,

Of men aan een koord of ijzerdraadje hing!

Er zijn dan weêr tienduizenden gesneuveld,

Te Parijs, ter wille van het geld; Zeg, werkman, zeg, zijt gij genoeg gekneveld, Ter wille slechts van het goud, het geld?

Wils.

EERE WIE EERE TOEKOMT.

Met dit woord wil ik die patroons, welke eenigzins naar de roepstem van het volk, dat bij hun werkzaam, gehoord hebben, begroeten. Zij toch leveren het bewijs, dat de patroons toch overtuigd zijn dat hun volk in deze dagen van duurte, die wij beleven, behoefte hebben aan het noodige, om in het onderhoud van zichzelven, vrouw en kinderen te kunnen voorzien. Wij willen het daarom dan ook openlijk aan alle werklieden bekend maken, dat ook bij ons Sigarenmakers, hoewel noch maar bij zeer weintge, eenige verbetering is aangebracht. Hulde dan aan die patroons, welke des werkmans toestand willen begrijpen en de hand bieden om den arbeider in zijne benarde positie ter hulpe te komen. Aangezien datgene wat wij verlangen, eenijke en rechtmatige bedoelingen zijn, die strekken moeten tot vereedeling en verbetering van ons vak en wat dies meer zij; waar wij als mensch ruimschoots aanspraak op mogen maken, zoo is dan ook mijn wensch, dat noch vele patroons het voorbeeld van die, welke hun zijn voorgegaan, mogen volgen.

Het kan immers niet langer zoo blijven, onzen toestand is onhoudbaar, er moet dus naar middelen gezocht worden, om daarin te voorzien. Ik -zeg gezocht, maar de middelen er, als wij er maar zijn om ze aan te grijpen. En die middelen zijn? dat we ons vereenigen; met dat vermogen wij rlles wat regt is; met dat kunnen wij alles wat niet goed is, uit den weg ruimen; met dat kunnen wij strijden en hebben wij de macht om te lijden, totdat wij eenmaal datgene hebben verkregen, waar wij op wettige wijze aanspraak op mogen maken.

Welnu dm, gij, die u noch niet hebt vereenigt, sluit u bij ons aan en wij verzekeren u, dat uwen toestand niet zoo zal blijven, als hij nu is. Wii van onzen zijde zullen alles aanwenden wat tot verbetering leiden kan. Wij zullen niet ophouden datgene te bewerken, wat op wettige wijze door ons kan verkregen worden. Gij mannen van den Bond hebt ons gekozen om aan de spits te staan, Welnu! hieruit volgt, dat gij met ons te vreden zijt en wij van u het volste vertrouwen mogen erlangen. Wij van onzen zijde rekenen het ten plicht, om als mannen van dat vertrouwen gebruik te maken en daar waar het noodig is, naar recht en billijkheid te spreken en te handelen. Daarom roep ik u allen toe, sla met ons de handen inéén en helpt ons, uwe bestuurderen, in den j moeielijken taak hun opgelegt, ondersteunen, opdat zij, door u gesteund, die kracht moge behouden, die zij zoo noodig heeft en hunnen last daardnor een weinig lichter moge worden, want gij en zij, zijn toch één lichaam. Laat ons dan staan als één man, niet wijkende voor liem, die ons tegenwerkt en ons, zoo hij bij machte was, zoude vernietigen. Neen, mijne 'broeders! het tegendeel hebben wij mogen ondervinden, want j door dit alles is onzen Bond met 200 leden toe[ genomen, een bewijs, dat de zaak meer en meer wordt begrepen.

Daarom roep ik u allen toe, die noch niet vereenigt zijn: Vooruit is de weg! aarselt niet, maar treedt toe tot den Bond, welke zich over het geheele land gevestigd heeft. Men mag u wijs maken wat men wil, de ondervinding heeft het tegendeel bewezen; vraagt het aan hun welken zich bij ons hebben aangesloten, gij zult het tegenovergestelde van hen vernemen. Dat toch niemand luistert naar hen, die u zoeken diets te maken, want al hetgeen zij u vertellen is te „schu" om aan te hooren. Zoo is dan onzen wensch, dat wie hij ook zijn moge onze zaak goed begrijpt en zoowel patroon als gezel het voorbeeld volgen van hen, welke hun zijn voorgegaan. Daarom dan ook blijf ik zeggen: Eere wien eere toekomt, en breng bij deze mijn dank aan die patroons welken ons hebben begrepen, en laak die patroons, welke, hoewel het niet zal baten, ons zoeken tegen te werken en ons belasteren. Komt dan op, is nog eens de roepstem van mij, het is om uw zelfs wille. Sluit u aan, vereenigt u, i& het woord dat uit veler monden