is toegevoegd aan je favorieten.

De wachter; socialistisch weekblad voor Groningen en Noordelijk Drenthe, jrg 1, 1893, no 38, 18-11-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ho. 38.

Zaterdag 18 NovembGr.

Ie Jaargang.

jv °P deze wereld zie ik den strijd ontbrand, Het" ^en burgers voeren van 't zelfde vaderland. q Vo^ is ontevreden, het volk gevoelt zijn kracht, Ze& mij dan toch Wachter, wat is er van den nacht? De. H. C. M.

DE WACHTER.

Socialistisch Weekblad voor Groningen en Noordelijk Drenthe.

1.1 • 'T 1 ^

Verschijnt eiken Zaterdag.

Vrijheid zonder dwinglandij, Niemand heerscher, noch gebieder; Recht voor allen, brood voor ieder, Dat o volk, dat willen wij!

de R.

ABONNEMENTSPRIJS.

er drie maanden 35 cent; franko per post "+2 72 cent. Alles bij vooruitbetaling.

üiiikeie nummers ó cent.

frndag |g November.

Bi * t

bei,i slechts over aria, , .®i arbeidskracht te ïena ■ wordt tel-

^stel1]1 °UZe W6t a°kter-

Mr. Quack.

Rcdaktie en Administratie:

J. ïï. SCHAPER.

Warmoesstraat, Groningen.

Maandag 20 November.

Geen grooter minachting voor een „almachtig God", dan om hem de macht te ontzeggen, de wereld te verbeteren...

AD VERTENTISN.

Yan 1—5 regels 25 cent, elke regel meer 4 cent.

Arbeidersverenigingen en boekaankondigingen 2 cent per regel.

Dinsdag 21 November.

Daar is een kracht, uit hooger kracht gesproten. Die 't lijdend hart des menschen schoort. En 't opvoert naar een hooger oord....

Multatuli.

Woensdag 22 November.

Geen grooter beleediging voor een liefderijk Vader, dan om hem den schuld te geven van de bestaande ellende.

Donderdag 23 November.

Eerbiediging voor wat verkregen is, door welke middelen dan ook, verjaring, handhaving van verworven rechten, vormenden achtergrond onzer samenleving^ Mr. Quack.

Vrijdag 24 November.

Met de steeds toenemende armoede en ellende gaat zonder twijfel eene vermeerdering van misdadigers gepaard. v. Z.

Ommel. Cour.

Zaterdag 25 November.

De zorg der Regeering voor hare onderdanen is van tamelijk verdacht allooi.

De Getuige.

Sffitno. behoort een bijvoegsel.

<i( . ZIJ,

met 1 Dec. op dit Itlad 0,,,ieereii, ontvangen de tot verschijnende nos.

Kindervoeding.

van de „onzinnige" en „hersen^®mige" zaken, die de sociaal-dejK^ten sedert jaren op hun program "en staan, is onderhoud van staatsgemeentewege van schoolkinderen, daaraan behoefte hebben, in \ het geheele idee kindervoeding tis i U heginne verketterd en onpraki gevonden, langzamerhand begon de • ^oe Passen door middel van | Partikuliere liefdadigheid. De voeI v f? der kinderen staat in nauw vernd met het onderwijs, dat hun wordt j geven of moet worden verstrekt. Iu Vei eer?te plaats mist men op de scholen Uj e kinderen die, slecht of in 't geheel sch £>evoed, geen lust hebben op de l6cl.°°'banken plaats te nemen meteen „i/f maag. De opgewektheid gaat W kiüderen; ze verliezen dus allen lt0l!,tot leeren en blijven tehuis. Ook «te ^le*' voor' ^afc kaderen eerst wat L,'j moeten opbedelen, als ze wat han 1 Q w^en en dan ügfc het voor de jj dat het schoolgaan er al heel

;.e(% bij inschiet.

dii we ons niet alleen bij voe-

8t®g> dan zullen vele onderwijzers toe<loommen' vaa*k hinderen verzuimen ge] r gebrek aan schoeisel, en ook door

*'ek aan behoorlijke kleeding.

Ha aar komt bij, dat met een leege ?g > het onderwijs slechts ten halve J(: ^ 't geheel geen vrucht zal dragen, w^^en, geplaagd door den honger, ]j;, en slechte leerlingen zijn. Eindeb> voortgedreven door het socialisme, }li(lreeP men dat alles en begon men dus j jj. 1 en daar te ijveren voor verstrek^g van warm voedsel op de scholen. >,°k te Groningen deed men dat. 5oo r Werd eeri kommissie gevormd en ge/ ^e^en van partikulieren werden v0„Ur.ende jaren op de scholen kinderen

l>zien van warm voedsel.

oriv chter, was voeding alléén reeds zeer aj r'doende, de verschaffing zelve was t0^el gebrekkig. Alléén werd dit Ja 1 gedaan gedurende de maanden e,, K"ai'i en Februari. Tot Nieuwjaar, een paar weken daarna, moesten 1 Ir kinderen maar hongeren. Met w ^art hield alles reeds weer op, W l d.e arbeider — of liever zijn juist weer den steun verloor, vneer die zoo uiterst noodig was. bwers niet Maart is het werk nog js Weer aan den gang, en daar alles <Un ?®e'eerd> lijdt vaak de arbeider

£ het meest.

V0e P.Vendien echter, geschiedde de Uu*g B maal per week, zoodat de Vo ® Van den tijd de kwaal toch nog

Sr

11)^ eQ zal moeten toestemmen, dat de t0e egel zoo al zeer onvoldoende was k0j5ePask Maar dat gaat zoo, als alles moet van partikuliere giften, ^ai- ergste is wel dit, dat zelfs een einde dreigt te zullen «ien ila" Verschillende gevers hadden aardigheid eraf. Ze denken i ' . ' het niet meer noodig is, nu ÏW i11 het land hebben gekregen twee Vqj.. ?11 van Orde met en zonder hermin ln£ Oranje. Ze betalen naar (i,ZlQ wellicht wat veel belasting 4at aar ze gewoon zijn, dat een ander 2e nmeest voor hen betaalt, beginnen allereerst te bezuinigen — juist

op de voeding der kinderen! Het weinigje, dat er dus werd gedaan, zal wellicht ophouden en dan hebben de arme kinderen heelemaal niets.

Dat alles was te voorzien.

Wij socialisten hebben altijd beweerd, dat van de partikuliere liefdadigheid niets duurzaams te verwachten is. Wanneer een of andere goede zaak afhangt van de nukken en grillen van enkele personen, komt er in den regel niet veel van terecht.

Daarom achten wij den staat of de gemeente de aangewezen lichamen, om in deze werkelijke behoefte te voorzien.

En wat is er nu tegen, dat bijv. de gemeente de kindervoeding op zich neemt?

Ja, wanneer men de gewone mannetjes hoort uit de bezittende klasse of de slippendragers daarvan, — welke men ongelukkig nog vindt onder onderwijzers en dergelijke „fatsoenlijke" loonslaven — dan heeft de gemeente daarvoor geen geld. Natuurlijk, de openbare kas is overal goed voor, behalve voor de arbeiders!

Toen men in het vorige jaar de koninginnen ontving ten stadhuize, had men wel 3 a 4 duizend gulden, om haar een dinee aan te bieden. De koninginnen nu hebben zooveel in te komen, dat ze van de „verdienste" van één dag wel zoo'n smulpartij konden betalen. Zij hadden het dus allerminst noodig.

Daar was echter wel geld voor.

't Is maar, wat men beschouwt als noodzakelijk en al staat de gemeentekas nog zoo slecht, het noodzakelijke komt er. Zoo men dus slechts kindervoeding als het noodzakelijkste beschouwde, zou men daar zooveel niet tegen hebben en zou de zaak wel gered worden.

„Het ligt niet op den weg der overheid," zoo hoort men een of ander doktrinair(bekrompen)heerschap zeggen. Maar melieve, wat ligt dan wèl op den weg der overheid ? Het geld zoek brengen aan allerlei onnuts en onnoodigs ten genoege der vriendjes?

De arbeider heeft recht op het onderhoud van zijn kinderen. Waar de loonstandaard steeds gedrukter wordt en de werkeloosheid altijd in omvang toeneemt; waar dus de werkman steeds in ellendiger positie komt te staan, is het daar niet billijk, dat men althans zijn kinderen voor gebrek vrijwaart?

De kinderen des volks zijn het toekomstige arbeidsleger, dat evenals nu het tegenwoordige, de maatschappij voor ondergang moet behoeden. De gemeente heeft er belang bij, dat er een geslacht opgroeit, niet in zijn jeugd reeds verzwakt door onvoldoende voeding en verstandelijk verwaarloosd door gebrek aan vruchtdragend onderwijs. Het is de plicht der gemeenschap daarvoor te zorgen.

En mag dit geen reclit worden genoemd in plaats van een gunst, een officiëele liefdadigheid ?

Wie betaalt naar verhouding demeeste belasting? Wie stelt ieder ander in staat om belasting op te brengen? Is het niet de arbeider? De geheele burgerklasse wordt door den arbeider in staat gesteld de lasten te dragen. Geen bakker kon patent betalen of hoofdelijken omslag, wanneer ten eerste de arbeiders hem geen meel brachten en dat meel vervormden tot eetwaren, en wanneer ten tweede de arbeiders als verbruikers niet zooveel voor het brood betaalden, dat hij het verschuldigde kan opbrengen. Geen meubelfabrikant kan zijn belasting betalen, als arbeiders hem geen waren ter verkoop fabriceeren, Geen konfektie-

handelaar kan hetzelfde doen, als de kleermakers hem niet in staat stellen, zooveel aan hun arbeid te verdienen en wanneer de arbeider, die een broek of jas koopt, daarvoor niet genoeg betaalt. Geen rentenier of groot-kapitalist kan, als hoogstaangeslagene zelfs, zijn verplichtingen nakomen, wanneer de arbeiders niet werken, om hem renten en dividenden te bezorgen. En als verbruikers èn als voortbrengers — en als zoodanig vooral — betalen de arbeiders de meeste belasting, ^óók die der gemeente.

Wanneer zij dus vragen om kindervoeding van gemeentewege, vragen ze niets anders, dan dat de gemeente hun voor een deel, en wel aan de kinderen, teruggeeft, wat door hen indirekt in de algemeene kas is gestort. Geen liefdadigheid dus vragen wij; maar recht, als we naar de gemeente gaan.

En zelfs de huidige wetten z\jn er niet tegen. Als dat zoo was, konden we niets anders doen, dan te zeggen: verander die wet, want ge hadt niet liet recht die zoo — zonder onze toestemming — in ons nadeel te maken. Doch dit behoeft niet. Wanneer de Gedeputeerde staten van Friesland aan de gemeente Sneek de goedkeuring hebben geweigerd voor het uitgeven van geld voor kindervoeding, kan men nog die gave op de begrooting zetten krachtens art. 47 der wet op het Lager Onderwijs, dat luidt: „Het gemeentebestuur bevordert zooveel mogelijk het schoolgaan der kinderen van bedeelden, onvermogenden en minvermogenden." De omstandigheid, dat honger wel degelijk het schoolgaan belemmert, wettigt dan de uitgave.

Waar dus de partikuliere liefdadigheid schipbreuk heeft geleden, zooais in Groningen het geval is (wanneer althans ze in dezen ooit heeft gezeild), dan moet de toevlucht genomen worden tot een aanvrage aan den gemeenteraad en dan moet de gemeenteraad daaraan het oor leenen.

Armoede, bittere armoede is weggelegd voor de voortbrengers van allen rijkdom en beschaving. De geheele winter is een lijdensperiode voor den arbeider. Honger en koude waren rond en sloopen geest en lichaam van den onterfde der maatschappij. Is het te veel gevergd, dat deze onterfde verlangt, dat men althans zijn kinderen voor ondergang behoedt? Is het onbillijk, dat hij gaarne de blos van gezondheid ziet op, de wangen zijner kleinen, opdat het onderwijs met opgewektheid wordt genoten? Wie anders dan een hartelooze kapitalist durft dat beweren ?

Op den uitkijk.

Waartoe onze laffe, huichelachtige bourgeoisie in staat is, bleek uit een ingezonden stukje in de Nieuwe Groninger van Zaterdag 11 November.

Iemand, die te laf is om zijn naam te noemen, juicht het besluit der „Alg. Gron. Werkl. Vereen." waarbij de sociaal- demokraten voortaan zullen worden geweerd, toe en richt meteen een waarschuwing aan het adres der „Sociteit van Handwerkslieden," om Schaper, „den leider der Soc.-Dem. Partij in Groningen en Omstreken"(!) niet als lid aan te nemen.

Hier ziet men den anonymen tweedrachtzaaier aan den arbeid. Niemand kan bij die tweedracht belang hebben, dan de man uit de burgerklasse; dat de schrijver een heerschap is van dien kant, lijdt geen twijfel.

En hoor nu eens een greep uit het misselijke stukje;

Maar dat (dat namelijk Schaper zich als lid der Soc. v, Ilandw. had laten voorstellen) geloof ik niet. Iemand, die zich op zulk een verheven voetstuk geplaatst heeft, zal die gaan zitten aan de voeten van de geletterden uit die vervloekte bourgeosie, al was het zelfs een Gamaliël? Geloove, wie 't wil. En is het gerucht waarheid, de Societeit moge toezien.

Moest de bourgeoisie er geen prijs op stellen, dat de socialisten onder het gehoor harer koryfeeën (voorgangers) willen komen, om wellicht zóó van hunne „dwalingen" te worden genezen ?

En wie zetten nu feitelijk de onzen op een voetstuk?

Uit alles echter spreekt de vrees voor het socialisme. De sociteit is altijd een gemoedelijk gezelschap van burgers en handwerkslieden geweest en nu zijn de heeren bang, dat een socialist daar den boel op stelten zal zetten. Arme mannetjes! Zelfs in een volkoman neutrale vereeniging als deze Sociteit, waaraan geen politiek of godsdienstige kleur is, durft men de soc.-dem. niet toe te laten. Welk een zwakheid teekent dat! Het is alsof men zeggen wil: onze beste geleerden en geletterden zijn tegen de socialistische woordvoerders niet opgewassen. Waarom vreest men ons anders ?

Dat men dit toestemt is een kompliment aan ons edel beginsel.

Nog erger en belachelijker spreekt de vrees uit het slot:

De leden hebben het recht schriftelijke stemming te vragen. Wie van hen zal zich op den avond der stemming tot het bestuur wenden met het verzoek, dat er schriftelijk gestemd worde ?

Dus men durft niet eens een mondelinge, openlijke stemming aan. In [ het geniep wordt er aangespoord, om in het geniep ons af te weren. Dat is zeker het toppunt van lafheid en vrees voor de waarheid.

Intusschen willen we afwachten, wat de Soc. v. Handw. zal doen. We kunnen bijna niet denken, dat men ons uit een neutrale vereeniging zal weren.

Maar -- alles is mogelijk, als de vrees voor het roode spook er achter zit.

* *

*

Een staaltje van christelijk revolutionarisme is zeker het volgende stukje, dat we overnemen uit de Nieuwe Prov. Gron. Courant, welk blad het uit De Getuige knipte:

Christelijke werkstaking.

Op verzoek van Patrimonium hadden de fabrikanten te Appingedam besloten, de fabrieken des Zondags stil te laten staan; een besluit, door alle werklieden van harte toegejuicht.

Maar zie, des Zaterdags, dus ter elfder ure, maakten vier fabrikanten bekend, dat zij hun besluit herriepen en hun werklieden dus op Zondag weer moesten werken.

Gelukkig hebben de arbeiders aan die onchristelijke oproeping geen gehoor gegeven en zijn ze des Zondags niet aan hun werk getogen.

Of dit muisje nog een staartje zal hebben, weten wij niet; maar dit staat vast: die Zondagsche werkstaking was beslist Christelijk(?).

Niet natuurlijk, omdat Patrimonium in deze zaak voorop ging, maar omdat Patrimonium in zyn optreden de eere Gods op het oog had en handelde naar het woord der Schrift:

„Geeft Gode, wat Godes is!"

Wij juichen deze daad der werklieden van harte toe. Doch is deze werkstaking nu van zoo hemelsbreed verschil met andere stakingen van arbeiders, voor andere redelijke eischen? En zal deze werkstaking door de ordebonders ook „kontraktbreuk" worden genoemd ?

Och, als we meenen, dat we het recht aan onze z\jde hebben, z\jn we