is toegevoegd aan je favorieten.

De werkman; bijdragen voor arbeid en kunst, jrg 9, 1876, no 19, 23-12-1876

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voedsel inneemt of vergift, en niet te verlangen naar meer afdoende wettelijke bepalingen.

Hoe die bepalingen ingericht moeten worden is voor verschillende zienswijze vatbaar. (Deze zullen wij in het volgen nommer ontwikkelen.)

Nederland. CRITICUS.

touwtje te trekken. Daarom moeten zulke mannen eerst op hoogescholen en seminariums tot (lste klas) worden gevormd. Dan komt de Staat er ook bij en zegt: Zie zoo, ga nu je gang maar, ik zal je wel betalen, als ge maar zegt, dat dat betalen, eene goddelijke plicht is en op den bijbel steunt (sic).

dat wij mededeelden, niet bij de vergadering tegenwoordig te zijn geweest en het bericht slecha. mondeling te hebben vernomen. Logen wij, dan j zijn we verkeerd ingelicht. Red.)

AAN DE WERKLIEDEN VAN AMSTERDAM.

Het is u allen bekend, of wordt u door dit artikel bekend gemaakt, dat de wakkere strijder voor de rechten en belangen der werklieden, onze „KLAAS RIS" voor het dilemna (de keuze) geplaatst werd van vrijheid of dwang en nog wel de meest gewetenlooze dwang.

Zooals het iederen braven werkman past, heeft hij natuurlijk de vrijheid, gedachtig aan de schoone woorden van onzen, te vroeg gestorven Luitink:

Op! voor de vrijheid, op! "

Weg met de slavernij;

Waakt op! waakt op! voor 't heilig recht

Der menschen kampen wij ! *)

de eerepalm gegeven, niettegenstaande het gemakkelijker te denken als te zeggen valt, wel ken strijd daarbij in zijn binnenste gewoed heeft, aangezien hij reeds 26, zegge zesentwintig lange jaren zijn Patroon, met opoffering zijner beste levenskrachten, eerlijk en vlijtig voor slechts negen gulden per week, waarvoor hij 84 uren per zes dagen, dus dagelijks 14 uren, pal stond, gediend had, en nu, aan den avond van zijn leven, met een grijzen kop, broodeloos gemaakt te worden met vrouw en kinderen, jongens, ik zeg het u, daar behoort moed toe.

Hij heeft die moed gehad, hij heeft zich als eerlijk werkman gedragen, hij heeft door zijn gedrag de edele en eerlijke werkmanszaak een onberekenbaar nut bewezen in de oogen van alle oprechte en eerlijk denkende burgers van Nederland, trots alle schimpscheuten en het niets gevende beklag van de meeste Nederlandsche dag- en weekbladen.

Doch na wat anders; nu komt de boust aan u, werklieden yan Amsterdam.

Nu zult gij moeten bewijzen dat ook bij u het hart op de rechte plaats zit, dat hij het wachtwoord der werklieden over de geheele aarde kent, dat heet: „Elkander helpen" dat gij waardeert en op prijs stelt, wat Ris gedaan heeft met zijn houding op het punt van recht en brood. Nu komen wij tot u, om te bewijzen en te toonen aan de geheele wereld, dat wij onzen wil ook kunnen uitvoeren als het moet zijn.

Doch te zake:

Ris heeft uit den hem el een petroléumkar, met maten en trachters en ook een paar vaten petroleum, (stil, stil toch, als je blieft, als dat die internationalen bij ongeluk eens hoorden) gekregen, en is nu bezig die olie te verkoop en, doch zooals de hemel altijd doet, zij geeft nooit geheel volmaakt geluk, altijd blijft er iets aan haperen, en dat is juist goed ook, dat prikkelt onzen ijver en zoo is het nu met Ris ook. De hemel heeft tegen hem gezegd: „Daar heb je nu olie, een kar, kruiken, trechters, een patent, ja zelfs een patent, wat zegt ge er van? wat zal de fiscus blij wezen, zelfs een patent, werk daarmee, doch toen Ris vroeg: „Waar zijn nu mijn klanten ? toen werd de hemel kwaad en zeide bits, iets tusschen de tanden prevelende van ontevredenheid: „Die moet je zelf maar zoeken" en met een was de Hemel weg, en Ris stond te kijken alsof hij geen tien kon tellen.

Maar nu de klanten; wie bezorgt die? Werklieden Van Amsterdam, dat is uw deel, daarvoor hebt gij te zorgen, bij honderden en honderden moet hij klanten krijgen en goede klanten ook, klanten die wat gebruiken kunnen, want er zijn, en dit is alweer gelukkig voor Ris, niet veel werklieden die gaz gebruiken, klanten die vooral contant betalen, en niet hun weekgeld, dat zij nog verdienen moeten, vooruit versnoepen, klanten die niet kleingeestig of afgunstig zijn; ja, ja, afgunstig. De hemel heeft soms zulke rare kostgangers. Kortom, een groote menigte klanten, die oprecht begrijpen, dat Ris in zeer korten tijd door zijn handeltje in petroleum oncie dak, wel gezeten kan het zijn, rijk moet als vergoeding voor het verlies van het pens

*) WerkmaiiNliederen No. 1.

TEEKENEN DES TIJDS.

Wanneer wij in deze dagen de zon ons zulke korte dagen zien verschaffen, dan behoeven wij geen scheurkalender of almanak te gebruiken, om ons te doen besluiten, dat het winter begint te worden. Wanneer er sneeuw en ijs was, dan zouden wij ook niet op de korte dagen behoeven te letten, dan zouden wij het wel gevoelen. En al zouden wij ook op niets van dit alles willen letten, dan toch zou v moeder de vrouw" het ons vertellen, dat het winter is, omdat de petroleum, aardappelen enz. zoo duur worden.

Dikmaals wordt ons wel eens gevraagd: Maar waarom wordt dat alles zoo duur? Wel ik weet het niet, althans ik wil het niet weten. Ik heb wel eens gehoord, dat de handelaar er twee magen op na houdt. De één om het vette

der aarde te bewaren, en de andere in zijn geweten, in den vorm van een schoon geborduurde geldzak, geborduurd door

ja door wie, tts ongeloojlij/c, door net kerkisme en de geldregeering (zijn regeering). En wat is er op geborduurd: „Steunende op den Bijbel vul ik deez' zak." En Jt domme volk zegt ja eö amen en knielt. Maar onderzoekt eens mannen I zooals dat uwe tonen zullen doen I Probaer eens of ge nog niet iets anders onder de zakken van het kapitaal kunt lezen. Toe, vooruit maar! ja ze brommen wel, maar wij mogen ook wel eens kijken. Toe, mannen! die Bijbel eens opengeslagen waarop die volle zak steunt„ Die

den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen en den mjk.e geeft, komt zeker tot gebrek I nen smaadt deszeifs Maker."

Maar het zij genoeg.

Dit zij voldoeude dat alle kerkisme, dat de

* «. . , 1 i Tl

tegenwoordige toestanden steunt en Destenaigt, zich schuldig maakt aan // des zeifs Maker te smaden", dus Godslastering pleegt, hetgeen overeenkomt met Openb. 17 : 3: Het kerkelijke leest, dat Godslastering spreekt. Welke kerk maakt zich niet schuldig aan bovenstaand? Welke kerk heeft al eens een greintje gedaan voor ons? Welke kerk heeft al niet gehoereerd met de koningen der aarde?

Wie ooren heeft om te hooren die hoore! een gewichtig teeken des tijds. Het half vergane, onzedelijke kerkisme sterft.

Maar ik dwaalde af, ik sprak van de teeksnen, die den winter aankondigen, en evenzoo, vrienden! verschijnen er teekenen des tijds, die ons nu wel geen winter, maar toch een anderen tijd voorspellen.

Op een der belangrijkste vergaderingen, die in Nederland in den laatsten tijd werden gehouden (ik bedoel die van Ris in 't Plantsoen bij de Willemspoort) kon men de onstuimige begeerte opmerken, ook bij de geringste klassen, naar een „Algemeen Stemrecht."

Evenzoo op de vergaderingen die op deze volgden. Evenzoo alle Openbare Volksvergaderingen, van welken aard ook. Ook op sommige huishoudelijke vergaderingen kon men er niet over zwijgen, behalve natuurlijk op die van Patrimonium. Daar moet men zoo iets niet verwachten. Alles dat onrechtvaardig is (onrechtmatig zeggen zij) is zoo van zelfs gekomen, 't Is alles slechts door den tijd en nu moeten wij het door het gebed weer wegmaken. Ongelukkig bekrompen Christendom! wat zijt gij daar in

slechte handen. Bewijs vindt men in Patrimonium, bl.

Verder vind ik overal in het land bewijzen, dat men wil een Algemeen Stemrechi, behalve natuurlijk bij de marionetten van Noord-Brabant enz. Maar zulke menschen zijn nog geen men¬

schen. JJie hebben twee touwtjes aan hun slavenlijf hangen; trekt men aan het ééne dan zeggen ze ja; trekt men aan het andere dan zeggen ze neen. Meer behoeren ze niet te doen. Maar nu is het de grootste kunst voor hunne Druïden om te rechter tijd en aan het goede

Verder lees ik in de Werkman, dat er een minister bezig is om een voorstel tot censusverlaging te maken. Och! goede man, doe dat niet. Uwe excellentie zal zoodoende toch niet afdalen tot de wapperende partij, de werklieden. Dus zoodoende wordt het kwaad al erger. Neen, zoo ik in 1848 had geleefd, maar ik was toen nog niet geboren, dan zou ik u of hem die in uw plaats was aangeraden hebban om er aan te beginnen; dan waart gij met het schip van den Staat, ook die ongelukkige klip voorbij gezeild, die het thans zoo heeft beschadigd. Dan waart gij niet in kwestie gekomen over het onderwijs dat ihans de oorzaak is en blijft van zooveel ongenoegen. En wij? wij zouden veel verder zijn geweest. Ons zou een tamelijk loon gegeven worden. Wij zouden 10 uur per dag werken. Kortom wij zouden getoond hebben, dat Neder¬

lands werklieden „de sociale kwestie" vreedzaam oplosten. Dat willen wij nog en dat zuilen wij. Door Orde en Vrede willen wij dat verkrijgen, neen, meer dan dat, wat in andere landen Bloed en BallkgscMp heeft gekost, dat is Brood en Burgerrecht.

Merkwaardig is hét verder, dat Ons Verbond

in de Tweede Kamer zoo uitvoerig is besproken. Vereenkingsmannen, teeken dat aan, het is een\

gewichtig teeken des tijds. Toen is der wereld j ook getoond, dat er mannen zijn, wier harten op de rechte plaats zit. Ziedaar, volksmannen, die meer voordeel aan de werkende klas geven, dan de honderden guldens door de philantropen gegeven, die doen als St. Krispijn: „die 't leer stal, en de schoenen om Godswil gaf."

Mannen, zouden wij niet toonen, dat wij de Edele heeren v. Bek en Bredius waardeeren, door hun een dankadres aan te bieden?

En zonden wij die andere heeren, die ons Verbond vijandig zijn, niet eens vragen, hoe of het komt, dat zii nu reeds onze agenda gaan

bespreken, die niets anders bevat dan vragen en geen conciusïén.

Of zouden zij soms bang zijn?.

Waarvoor?

Als dat laatste het geval is, dan bieden wij hun bescherming aan. Stel hun dan voor, om b. v. letterzetter te worden, daar bestaat immers zoo'n groot gebrek aan (zeggen ten minste sommige kamerleden). Als zoodoende kunnen zij ook lid van ons Verbond worden en

ZICH OVERTUIGEN of ons Verbond noodig is "neen dan ja" tot behoud van onze vrijheid, zooals die bij de grondwet als een doode letter beschreven is, tot behoud van ons recht, dat ook heilig is, tot be¬

houd van ons brood, ja van óns brood!

Met allen eerbied voor brood- en volksvertegenwoordigers, ul)e Gekleurde."

Burger Redacteur I Hebt ge i.1. week de draak met ons burgers

werklieden gespeeld, of hos moeten wij u begrijpen?! daar volgens uw zeggen Dr. II. F. R. Ilubrecht, als spreker, die taak tot aller genoegen heeft vervuld. Daar u niet op die vergadering van Donderdag 14 December tegenwoordig kondet zijn, maar toch bericht daaromtrent ontvangen hebt, zal het u ook niet onbekend zijn, dat na de rede vrije discussien plaats hadden en twee burgers een lans met den spreker wenschten te breken, waardoor Dr. Hubrecht geheel geslagen werd, (daaromtrent is ons niets bericht. Red.) In de eerste plaats was ZEd. niet op de hoogte met de arbeidersbeweging. Ik voor mij meen, als een spreker niets anders overblijft dan de schuld op de bladen te werpen en ZEd. zich op een terrein waagde waarvan hij zelf erkende geen hoogte te hebben, dat dan door hem die taak niet naar genoegen is vervuld. r A. H.

(De geachte inzender gelieve indachtig te zijn