is toegevoegd aan je favorieten.

De baanbreker; volksblad voor de provincie Utrecht, 1894, no 57, 29-12-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deventer vindt de motie Amsterdam overbodig^ daar in het verslag van den secretaris reeds over dezen brief werd gesproken en dit verslag is aangenomen bij acclamatie. Den Haag wil niet veronderstellen dat de daad van de Duitsche partij direct verraad is en wil geen afkeuring uitspreken, daar men daardoor te veel de aan Jacht schonk aan de verraders van de arbeiderszaak. Amsterdam noemt de houding van de Duitsche partij een verlaten van een vroeger standpunt.

Bij stemming werd de motie Haarlem aangenomen met 29 voor, 27 tegen en 9 blanco.

(Slot volgt).

UIT DE PERS.

De „vrijheid van den arbeid" wordt naar aanleiding der jongste werkstakingen, in de N. Bott. Ct. besproken. Dat blad wil bijzondere strafbepalingen ingevoerd zien tegen dwang, die de vrijheid van arbeid belemmert. Ook zou dat blad willen, dat in onze steaÊwet niet alleen waren strafbaar gesteld, hij die een ander door „geweld of bedreiging mét geweld," maar ook hij, „die door wegneming van goederen, beleediging en verboden deelneming aan samenscholing" dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, (art- 284).

De N. Bott. Ct. erkent echter, dat niet alleen op die wijze de bij werkstakingen voorkomende geweldadigheden kunnen en moeten voorkomen worden. Het schrijft nl.:

„Maar ten slotte moet toch de oplossing van deze vraagstukken elders liggen. Werkstakingen zijn strijdmiddelen, zeiden wij. En het verbod om-'daarbij van sommige scherpe wapenen gebruik te maken, blijft altijd deels onvoldoende, deels onbillijk *) In beëindiging van den strijd door bevrediging, door verzoening, ligt de groote sociale taak, ook die der gerechtigheid. En waar nu de heer Pyttersen zijne ontwerpen over de organisatie der arbeidskamers héèift teruggenomen, ten einde loyaal aan de Regeering den voorrang te geven voor hare plannen op dit punt, daar mogen wij, ook en juist naar aanleiding van wat er gesproken is over de eischen van de openbare orde, met aandrang herinneren aan deze eischen van den openbaren vrede"

Of ook met die arbeidskamer de kwestie is op te ruimen? Men heeft in Engeland zoo'n scheidsgerecht (in 't Labour Departement) en velschillende streken van Amerika, en toch kpmen juist in die landen de meeste werkstakingen met de heftigste tooneelen gepaard VOOT,

hij die een ander door „geweld of bedreiging

mét geweld," maar ook hij, „die door wegne- p

*) Wij spatieereu

BUITENLAND.

Een terugblik op het jaar 1894, dat op sterven ligt, kan slechts aan weinigen zooveel voldoening verschaffen als aan de sociaal-demokraten van alle landen. De loop der omstandigheden is van dien aard, dat overal al meer en meer blijkt, hoe onmachtig de bourgeois-regeeringen zijn, voort te arbeiden aan het weefgetouw der tijden, hoe zij integendeeloveral desn. vooruitgang in den weg staan. En vooral de omstandigheden, waaronder dit jaar eindigt, kunnen niet in staat zijn, de behouders, de vrienden van het verrotte heden met hoop voor de toekomst te vervullen. Immers, hier gaat elke regeering over tot een daad van onmachtige wanhoop, om de veldwinnende sociaal-demokratie te bekampen, ginds valt een omhulsel, dat langen tijd de ergste verrotting in de hoogste kringen omsluierd hield, regeerders worden ontmaskerd als gewone bandieten, uit het riool der bourgeoispers stijgen de stinkendste walmen omhoog, en dat alles, terwijl het socialisme er voor zorgt, dat niets verborgen blijft, en dat al meer en meer arbeiders ziende worden en ontdekken, door welk eene schurkenbende zij zich tot nu toe hebben laten bebeerschen.

■Zeker, in dit opzicht is het afgeloopen jaar vruchtbaar geweest. Beginne wij bij het ergste:

Italië.

De woorden Sicilië en San Eelice spreken böel^deelen vol ellende en onrecht. Wie beeft niet van woede en verontwaardiging, wanneer hij denkt aain de uitgemergelde slaven der zwavelmijnen, aan de schandelijke wijze, waarop het handje vol grondeigenaars de arme boeren uitzogen, zoodat eindelijk het langgetergde volk tot den opstand oversloeg? Crispi voerde een schrikbewind in. Vele slachtoffers vielen, onder hen de edele San Pélice, die tot 28 jaar tuchthuisstraf werd veroordeeld, beschuldigd, het -oproer te hebben aangestookt, terwijl hij juist, uit liefde voor het volk en omdat hij het volk op den beteren weg der politieke en- economische organisatie wilde leiden, had getracht, den opstand te voorkomen. Maar Pélice zit in den kerker en velen martelaren met hem, die; aan allerlei kwellingen blootstaan. En Crispi die, zijn beul was en zijne dochter durfde beleedigen, hij, de meineedige, de man met dedrie vrouwen, de Panama-zwendelaar en de dief van de Banca-Romana, ijlt zijn ondergang ' tegemoet. De dag zal komen, waarop dreigend als een oordeel dezen overmoedigen diktator in d' oorenklinkt: Leve de Félice! Weg met den schurk Crispi!

En in

Frankrijk

aa,n 't eind van het jaar nieuwe schandalen. Voor de' afwisseling wordt thans eens weer de liederlijkheid der bourgeoispers aan 't licht gesteld. De rediakteuren der voornaamste bladen hebben afpersing gepleegd; geheime speelbanken werden gedreigd met openbaarmaking, wanneer niet ieder zooveel op 't altaar dier vuile pers werd gestort.

Dé bourgeoisie werkt zich zelve kalmpjes aan

in den grond. Zij zal stikken in eigen vuil. Dat de regeeringskliek weinig crediet meer heeft, blijkt wel uit het feit, dat Girault Richard, de redacteur, die kortelings is veroordeeld wegens beleediging van Casimir Périer den president der republiek, candidaat voor de Kamer gesteld is in een district, waar eene tusschentijdsche verkiezing noodig was. Hij is thans in herstemming gekomen, en zal hij zeker gekozen worden. In dat geval moet hij onmiddelijk op vrije voeten gesteld worden. Een leeelijke klap in 't aangezicht voor Casimir.

Op den duur helpt het de bourgeoisie niet veel, al steken honderd dweepzieke verblinde jongelingen honderd presidenten van republieken dood. Voor een oogenblik mag, door een verdraaiing der feiten van bourgeoisz^jde, het volk er het socialisme voor aansprakelijk stellen en de regeering mag er onderdrukkingswetten uit smeden, de kracht onzer beginselen overwint alles, geholpen door de verblinde bourgeoisie, die haar eigen gezag ondermijnt.

Vooruit gaan wij, altijd door en overal.

België

gaf daarvan dit jaar een schitterend bewijs, door den uitslag der verkiezingen.

O o st enrij k-Hongarij e

zal daarin volgen. De strijd om het kiesrecht wordt onvermoeid voortgestreden door het onterfde , proletariaat. In Hongarije wil men een referendum •ïiouden. Alle meerderjarig^ mannen en vrouwen zullen stemmen over de vraag: wilt gij het algemeen kiesrecht? Dit hebben indertijd onze Belgische partijgenooten ook gedaan.

Vooruit zijn we dit jaar ook gegaan wat betreft het inzicht der arbeiders in den klassenstrijd en de wijze, waarop deze gevoerd moet worden.

In

Engeland

bekeerden de machtige Trades-Unions zich tot de politieke actie; in

Amerika

de Ridders van den Arbeid. Ook het verloop van de groote werkstaking der arbeiders van Pullman in Chicago was leerzaam voor de arbeiders en toonde, hoe weinig de op-zich-zelf-staande economische actie vermag. In

Duitschland

toonde de sociaal-demokratie, niet eenzijdig te zijn. Dit jaar wordt gekenmerkt door den grooten bierboycot te Berlijn, die thans met de overwinning der arbeiders is geëindigd, daar al de ontslagen arbeiders weer in dienst zullen worden genomen, zoodra er plaats is. Ofschoon de bourgeoisie zich al blij maakte met de „scheuring", die 't gevolg zou zijn van het congres te Frankfort, achtte zij het tóch nog noodig, wetten tegen het socialisme in het leven te roepen. En het nieuwe jaar zal beginnen met dezen hernieuwden aanval.

Wij vroolijke, moedige strijders, gaan onbekommerd het nieuwe jaar binnen. Slachtoffers zullen er vallen, want onze vijanden kennen geen pardon. Maar wat ons levenslustig maakt en den moed nooit doet verliezen, is het geloof in het rechtvaardige van onze zaak en de wetenschap, dat de toekomst nu aan ons is. Daarom; vooruit, kameraden!

Leve het Socialisme.

BINNENLAND.

Sociaal-Politiek Overzicht.

De Radikalen hielden in de Kerstdagen eene vergadering over de samensmelting met de vooruitstrevende liberalen. Mr. Z, van den Berg leidde het onderwerp in met een rede, waarin hij liet uitkomen, dat zij de vooruitstrevende liberalen met gejuich zouden inhalen, wanneer dezen tot hen kwamen en den naam van radikalen wilden aannemen; maar dat zij niet tot de liberalen konden komen. „Het volk" zou men op die manier van zich stooten en „het volk afstooten is zelfmoord."

Dit was de heer Trosée met hem eens; ieder werkman zou in zoo'n geval zeggen, dat hij door de heeren verkocht was.

Breeder opvattingen hadden de heeren Treub en Frowein, die vonden, dat, als men nu toch eenmaal bij de vooruitstrevende liberalen behoort, het er weinig op aan komt,, wie de hand ter verzoening het eerst reikt en welken naam men aanneemt.

Een besluit werd niet genomen; alleen gaf de voorzitter, de lieer Gerritsen, bij de sluiting toe, dat de samensmelting eenmaal moet komen, doch dat de radikale party inmiddels moet trachten, inwendig sterk te worden.

Over 't gebrek aan samenwerking tusschen „de voormannen* werd sterk geklaagd. Dat is trouwens een algemeen verschijnsel in een jonge partij, die nog in wording is en geen breede georganiseerde schaar van medestrijders achter zich heeft.

Wij meenen, dat de tegenstanders van het fusie-denkbeeld (de samensmelting) den strijd al verloren hebben. Eigenlijk was niemand ertegen. Sommigen willen evenwel niet den eersten stap doen, wat wij klein noemen voor hem, die van de noodzakelijkheid overtuigd is.

Ja maar: „het volk", „de werkman", wat zullen die er van zeggen! Laten wij tenminste ons eigen naam behouden, want als zij dien verfoeiden naam „liberaal" hooren, dan willen ze niets meer van ons weten!

Zóó redeneeren v. d. Berg c.s., een redeneering, die bewijst, dat zij er een bedenkelijke politiek tegenover de arbeiders op na houden.

Een van tweeën toch: óf de samensmelting is verkeerd, en dan moet ze in 't geheel niet plaats vinden, of zij is goed, en dan dient men zich aan den schijn niet te storen, doch haar tot stand te brengen.

Als liberalen als Kerdijk enz. zich radikaal gaan noemen, blijven ze toch, wie ze zijn, en als Treub, Gerritsen enz. zich liberaal gaan noemen, blijven ze evengoed wie ze zijn. Niet op den naam, maar op het program van samensmelting komt het aan. En wij achten het zeer bedenkelijk, dat mannen als v. d. Berg en Trosée, terwille van de arbeiders, den schijn stellen boven het wezen.

Het tegendeel moest juist het geval zijn. Men moet de vooroordeelen, de oppervlakkigheid der massa niet vleien, niet ontzien. Waarheid, nuchtere beschouwing der feiten, zietdaar, wat de arbeiders noodig hebben. Dat de linkerzijde der radikalen in dat opzicht zondigt, voorspelt weinig goeds.

En de heeren zullen te laat inzien, dat zij daarmede ook niet de arbeiders winnen. Alleen het geloovig radikalisme, de zoogenaamde Christelijke demokratie, kan een tijdlang een werklieden partij vormen, het ongeloovig radikalisme kan dit niet meer in een land, waar een sociaaldemokratische arbeiderspartij bestaat. De kleine burgerij, de verlichte bourgeoisie, de boerenstand, zietdaar het aangewezen terrein voor het radikalisme; de arbeidersklasse behoort aan de sociaaldemokratie en voor een gedeelte tijde lijk aan de Christelijke demokratie.

Willen de heeren Van den Berg en Trosée werkelijk een arbeiderspartij vormen, dan dienen zij niet de arbeiders bij zich te laten komen, doch zelve bij de arbeiders te komen, dat is: deel te nemen aan den klassenstrijd tegen de bezittende klasse in de gelederen der klassen bewuste arbeiders, der Sociaaldemokratische Arbeiderspartij.

Dat is nog „ontfatsoeniijker" dan bij de radikalen, Mr. van den Berg!

De „Soc. Dem. Bond" bestaat niet meer. De vrees voor boete, omdat de H. R. den Bond voor verboden had verklaard, heeft de leden er toe geleid, hem op te heffen en eene nieuwe vereeniging te stichten. En daar hadden zij gelijk aan. Men kan wel gemakkelijk zeggen, óók met „onwettige en gewelddadige" middelen te zullen strijden; maar zeggen is nog geen doen en zoolang de regeering zulk een sterke macht heeft, om de wet te doen handhaven, en zoolang men zoo'n handjevol is, als de vroegere Soc. Dem. Bond was, kan men zich niet buiten en tegen de wet stellen.

Tegen de muur der werkelijkheid is die geheele motie als een zeepbel uiteen gespat.

Moraal: laat men toch geen woorden meer zeggen, die men niet door daden kan waarmaken. Men maakt zich daarmee slechts belachelijk.

De naam „sociaal demokratisch", dien de oude Bond ten onrechte droeg, daar hij van de demokratie niet meer wilde weten, heeft nu plaats gemaakt voor „socialistisch". De beide socialistische organisaties in Nederland zijn dus de Sociaaldemokratische Arbeiders partij, die in de verovering en het gebruik van het kiesrecht als wapen in den klassenstrijd haar voornaamste taak vindt en de Socialisten hond, die blijkens zijn program „aan de ekonomische ontvoogding" der arbeidersklasse „met alle haar ten dienste staande middelen" wil arbeiden, zonder zich evenwel uit te laten, welk middel haar ten dienste staat.

Hiermee z\jn we op de kiesrecht-kwestie aangeland.

Zagen wij, dat de Bond door zich te ontbinden zijne bekende motie van vóór 2 jaar heeft opgegeten, hij heeft óók zijn bekend besluit van vóór 1 jaar ingetrokken: het veel besproken voorstel Hoogezand-Sappemeer, om „zelfs niet voor de agitatie aan de verkiezingen mede te doen.'"

Men is hiervan gedeeltelijk teruggekomen. Terwijl Domela Nieuwenhuis verleden jaar te Groningen zonder eenig voorbehoud het niet meedoen aan de verkiezi-ngen heeft veroordeeld, schijnt zijn raadgever Cornelissen, wiens invloed op hem en den Bond groeit, naarmate er meer listigheid noodig is, om als tusschenpartij tusschen anarchisten en sociaal demokraten door te schipperen, hem nu zoover bekeerd te hebben, dat hij ditmaal o. a. het volgende verdedigde:

„dat het al of niet meedoen aan de verkiezingen slechts een nuttigheidsvraag is;

dat in het al of niet meedoen aan de verkiezingen niet het groote gevaar gelegen is voor het schipbreuk lijden der socialisti sche beweging maar wel in het meedoen aan den opbouwenden parlementairen arbeid door de gekozenen;"

Men kan op de gedaanteverwisselingen van Domela Nieuwenhuis in de laatste 4 jaren bijna niet het oog houden. Ziehier enkele tijdperken uit zijn „ontwikkelingsgang".

1880. D. N. herhaalt zijn voorstel: „er zal van overheidswege overal verplicht en kosteloos onderwijs worden gegeven en over tien of twintig jaren zal het algemeen stemrecht worden ingevoerd.

1885. D. N. kan niet langer wachten: „de tijd van koncessies is nu voorbij en wij verlangen nu invoering van algemeen stemrecht zoo spoedig mogèlijk."

1888. D. N. trekt eerzaam als vertegenwoordiger voor Schoterland de Tweede Kamer binnen, maakt zich erg kwaad, dat de heeren niet beter naar hem luisteren, gaat debatten over het socialisme uit den weg (14 Mei en 7 Dec. '88), doet interpellaties, stelt moties en wetsontwerpen voor en houdt zich druk bezig met „opbouwenden parlementairen arbeid."

1889. D. N. zegt te Parijs, dat hij niets van het parlement verwacht en laat daarop volgen:

„Laat ons eens een oogenblik aannemen, dat wij overal hadden gezegevierd, dat wij een arbeidswetgeving hebben, zooals wij die wenschen — meent ge dan, dat de algemeene toestand zich veel ten gunste der arbeiders zou verbeteren? Als men mij naar mijne meening vraagt, zal ik geheel openhartig antwoorden, dat nle slechtste streek, die de regeeringen ons zouden kunnen spelen, zou zijn: onze eischen inwilligen, want dan hadden ze voor 20 of 25 jaar iedere revolutionaire beweging onder de arbeiders gedood."

Dit zei D. N. in Juni 1889. 11 Dec. 1889 dacht hij hier weer geheel anders over (of bij moet met opzet gelogen hebben!); toen toch drong hij er op aan, dat de Regeering de sociale kwestie moest ter hand nemen en haalde woorden van prof. Quack aan, waarin deze de liberale partij oproept, om te zorgen, dat de staat zich de maatschappelijke nooden zal aan trekken. Prof. Quack waarschuwt voor de revolutie, als de Staat dat niet doet; maar, zegt prof. Quack, doet de Staat het wel, zorgt de Staat wel voor de sociale aangelegenheden, „dan zal men als eerste belooning, het woord hooren herhalen, dat een socialist wrevelig over een vriend van graaf Shaftisbury zeide: „Als die man op die manier voort gaat, dan gooit hij onzen geheelen appelenwagen onderste boven."

Precies hetzelfde als wat D. N. te Parys had gezegd, een paar maanden vroeger.

Toch zei deze nu juist het tegenovergestelde, nl.:

„Ziet, Mijne lieeren, wij socialisten zijn in het geheel niet bang, dat daardoor onze geheele appelenwagen ondersteboven geworpen zal worden, want wij zijn het, die voortdurend hebben aangedrongen, dat de Staat zich meer zal bemoeien met den wetgevenden arbeid, die betrekking heeft op de economische verhoudingen."

13 Maart 1890 vroeg D. N. in de TweedeKamer de Regeering, om naar de internationale Conferentie te Berlijn arbeiders te zenden en te trachten, daar den 8-urigen arbeidsdag te behandelen „als een van de hoofdzaken voor eene sociale arbeids conferentie,, — terwijl hij in 1889 te Parijs van den 8-urendag weinig verwachtte en er juist een gevaar in zag, dat de Begeeringen dergelijke maatregelen tot stand brachten.

18 Dec. 1890 stelde D.. N. in de Tweede Kamer voor, op de begrooting een post voor oprichting van een Centraal bureau voor Statistiek te brengen.

6 Feb. 1891 deed D. N. óók nog mede aan „opbouwenden parlementairen arbeid", door voor te stellen, de f 600.000 tractement der Koningin te verminderen met de f 175.000, die de Regentes kreeg, wat hij evenwel moest terugnemen, omdat de Grondwet reeds bepaalt, dat in die f 600.000 het tractement der Regentes is begrepen. Daarop stelde hij voor de Koningin gedurende hare minderjarigheid f450.000 te geven in plaats van f600.000.

1891 verklaart D. N. (in de 4e uitgave van „Hoe ons land geregeerd wordt".) Gelijk de wetten dien (slechten) toestand in het leven riepen, zoo zal het de afschaffing dier wetten zijn of de vervanging door andere in aller belang, waardoor verandering ten goede zal komen."

Mei 1891 wordt een brochure van D. N. verspreid, waarin hij al de zegeningen schildert, die over ons land zouden zijn uitgestort, als zijne voorstellen en raadslagen in de Tweede Kamer waren aangenomen (Vier jaren klassenregeering). Daarin zegt hij dat do volkssouverdniteit bestaat „m het stembiljet dat beslist, in het iva.pen dat verdedigt en in den bodem, die voedt." En verder: „Als wij het sternbiljet hebben veroverd, dan zullen wij daardoor (!) komen tot het wapen en den bodem."

Dus: de verkiezingen nummer een!

Kerstmis 1891 is D. N. voor het handhaven der „revolutionaire taktiek" en maakt zift excuses, dat hij in de Tweede Kamer allerl.'i wetsvoorstellen enz. heeft gedaan.

1892 geeft D. N., als' verantwoordelijk re dakteur van R. v. A. weer herhaaldelijk toe dat de socialisten in het parlement wel mogeD meedoen aan het maken van wetten bv. tot invoering van den 8 urendag en kosteloos volksonderwijs.

1893 is D. N. vóór het Hollandsche voorstel op het Congres te Zurich, om alleen voor de agitatie aan de verkiezingen mee te doen en in de Kamer alleen te protesteereü'

Juli — Aug. 1893 is D.N., als verantwoordelijk redacteur van R v. A. er voor, in de Kamer óók dien wetgevenden arbeid te verrichten, die door de kiezers is goedgekeurd'

Kerstmis 1893 is D. iV. tegen elk meedoe11