is toegevoegd aan uw favorieten.

De metaalbewerker; orgaan van de Metaalbewerkersbond in Nederland, jrg 28, 1921, no 12, 19-03-1921

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

algemeen daarvoor de zorg hebben vaneen goed werkman. Zij zullen gebreken, die zij aan het werk mochten bemerken, onmiddellijk den patroons mededeelen. Zij zullen, wanneer zij gereedschap of materiaal van de patroons verliezen, daarvoor de patroons schadeloosstellen, terwijl, geen materiaal, van welken aard ook, van clientèle van patroons mag worden medegenomen en ten bate van de werklieden mag worden aangewend. De werklieden zijn verplicht bedoeld materiaal •den patroons te overhandigen. Art. ix. Het is geoorloofd inde individueele arbeidsovereenkomst een proeftijd te omschrijven als bedoeld in-art. 1691 van het Burgerlijk Wetboek. Art. 12? Liet is geoorloofd inde individueele arbeidsovereenkomst op te nemen het concurrentiebeding, als bedoeld in art. 1637 X van het Burgerlijk Wetboek, Art. 13. De patroons en de werklieden zijn bevoegd terstond de dienstbetrekking te verbreken, als de werklieden of patroons hun daartoe een dringende reden geven inden zin van de artt.iójgp en iö39q van het Burgerlijk Wetboek. Bovendien zullen als dringende reden .gelden : a. Indien de werklieden onder den invloed van sterken drank op het werk komen, sterken drank medebrengen,-gedurende de normale dagtaak gebruiken, halen of laten halen ; b. indien de werklieden gedurende de normale dagtaak zonder voorkennis en toestemming van de patroons of hunne plaatsvervangers het werk verlaten of anderen aansporen het werk te verlaten; c. indien de werklieden zonder toestemming van dé patroons of gedurende de normale dagtaak werk verrichten voor derden. Indien de patroons of de werklieden onrechtmatig de dienstbetrekking hebben verbroken, zullen zij van elkander geen hoogere schadeloosstelling vorderen dan een bedrag, gelijkstaande met het loon, hetwelk gedurende den termijn van opzegging zou zijn verdiend.. Patroons en werklieden verbinden zich van elkander voor het ortrechtmatig verbreken der dienstbetrekking geen hoogere schadevergoeding te zullen vorderen en doen mitsdien uitdrukkelijk afstand van alle andere of hoogere uitspraken, die zij tegen elkander kunnen doen gelden, terwijl de bepalingen van aanvullend recht van het Burgerlijk Wetboek op de patroons noch werklieden van toepasing zijn. Art. 14. Het maximum-bedrag, hetwelk als loon aan de werklieden mag worden toegekend in geval van aangenomen werk, mag nimmer meer bedragen dan 30 pCt. boven het loon als oedoeld in dè klasse-indeelinc. O Art. 15. Wanneer de patroons en werklieden het Vvensohelijk achten, een korteren termijn of een langeren termijn van opzegging te bepalen dan in art. 16391 yan het Burgerlijk Wetboek bedoeld, behoort de termijn van opzegging ih de individueele arbeidsovereenkomst te worden omschreven. . Art. 16. De partij ter eener zijde verbindt zich zorg te dragen, dat hare leden den werklieden geen hooger loon zullen aanbieden als omschreven inde bij .deze collectieve arbeidsovereenkomst behoorende klasseindeeling en in art. 14 dezer collectieve arbeidsovereenkomst, noch betalen, in welken vorm ook, terwijl de partij ter andere zijde, of eene organisatie, die daarvan deel uitmaakt, zich verbindt, te zorgen, dat hare leden geen hooger loon zullen vorderen, noch aanvaarden, in welken vorm ook. Art. 17. De patroons verbinden zich aan niet bij de partij ter andere zijde aangesloten werklieden dezelfde arbeidsvoorwaarden toe te kennen als in deze collectieve arbeidsovereenkomst omschreven, terwijl de werklieden zich verbinden bij patroons, niet aangesloten bij de partij ter eenre zijde, geen andere arbeidsvoorwaarden te aanvaarden dan ciie, welke in deze collectieve arbeidsovereenkomst zijn omschreven. Art. iS« . Geschillen, voortvloeiende uit deze collectieve arbeidsovereenkomst, worden berecht dooreen commissie, bestaande uit zooveel patroons als er organisaties ter andere zijde Zlin, benevens, uit zooveel werklieden als olganisaties de partij ter andere zijde forraeeren, met dien verstande, dat iedere organisa te van de partij ter andere zijde een lam eden daartoe aanwijst. Indien de patuj ter eenre of eene organisatie der partij ter andere zijde nalatig is in het formeeren er m de vot tge clausule bedoelde commissie mede te werken, geschiedt de aan-

wijzing op verzoek vaneen der partijen door den Edelachtbare» heer kantonrechter te Amsterdam. De commissie kiest uit haar midden een voorzitter en een secretaris, met dien verstande, dat, wanneer de keus van voorzitter ■ uit de partij ter andere zijde is gedaan, de secretaris gekozen moet worden uit de partij I ter 'eenre zijde, of omgekeerd. : Wanneer overeen onderwerp dé stem: men staken, wordt op dezelfde wijze ais in de eerste clausule van dit artikel omschre- l ven, een reservc-commissie geformeerd, welke uit andere personen behoort te bestaan, wier taak is overeenstemming in verband met het aan de orde zijnde onderwerp te verkrijgen. Wordt geen overeenstemming verkregen, dan wordt de collectieve arbeidsovereenkomst als ontbonden beschouwd . De akte van compromis wordt door middel van de organen den patroon en werklieden kenbaar gemaakt. De partij ter eenre zijde verbindt zich de patroons te royeeren, indien zij zich niet voegzaam onderwerpen aan een besluit of uitspraak der commissie als in-dit artikel bedoeld, terwijl de partij ter andere zijde, of een organisatie, die van deze partij deel uitmaakt, zich verbindt, dat de werklieden in zulk een- geval de dienstbetrekking doem eindigen, met inachtneming van den termijn van opzegging en dat geen andere werklieden, beboerende tot haar, een dienstbetrekking met om die reden geroyeerde patroons aangaan. De partij ter andere zijde verbindt zich in tegenovergestelde richting, in geval werklieden zich niet aan de uitspraak onderwerpen ; het is den patroons, leden van de partij ter eenre zijde, verboden, dergelijke werklieden in dienstbetrekking te houden of te nemen. Alt. 19. Deze collectieve arbeidsovereenkomst zal aanvangen op’ 1 Mei 1921 en eindigen op 30 April 1922-, behoudens in geval, bedoeld in het slot van de vierde clausule van art. 18 dezer L. C. A. Wenschen partijen de L. C. A. te continueeren, zoo geven zij elkander daarvan schriftelijk kennis vóór of op 31 Maart f922, waarna zij voor den duur van één janr Wordt voortgezet. De partij ter andere zijde. De partij ter eenre. Klasse-in d e ei i n g. ■ Afdeeiingen. Klasse. Loon. Alkmaar II Almelo ' .. IV Alpen a. d. Rijn Amsterdam ' f Apeldoorn 111 Appingedam Arnhem Assen Bergen op Zoom Breda 111 •Bussum Delft Deventer Dordrecht II Enschedé 111 Gorinchem Gouda . Hf ’s Gravenhage I Groningen Haarlem J ■ Helder • • . Hengelo (O.) .Hilversum ’t Hoogezand Kampen Leeuwarden ’ JJI Leiden Maastricht lü Meppel Middelburg IV Nijmegen Oldénzaal Oost-Geldcrlund Rotterdam J Schiedam Stadskanaal Utrecht Veendam' Vclson Vlaardingén Voorne en Puften Winschoten j‘,’ Zaanstreek Z. O. Hoek Drenthe In het algemeen,is ook dit ontwerp voor { ons een teleurstelling. 1 Wel is ten opzichte van de hoogte van ’t. | ziekengeld en den duur der uitkeering een | belangrijke verbetering bij het vorige ont-i werp te constatceren, doch vérder is er aan | het eerste schema van October 1920 weinig of niets veranderd of toegevoegd. Van j vacantiedagen wordt in het contract niet gesproken. De klasse-indeclmg, zooals dia thans is aangegeven, is slechts voor een gering deel der plaatsen ingevuld, waaruit "blijkt, dat 1 nog een belangrijk deel van de afdeeiingen | j van dien Patroonsbond, ondanks het aan- 1 i

dringen van het bestuur van dien bond, zich niet de moeite getroost heeft, zich uit te spreken of men vóór of tegen het afslui- I ten vaneen contract is. i Waar in art. 1 van het contract gezegd : wordt, dat het alleen zal gelden voor die leden-patroons, die wonen in het ! ressort der afdeeiingen, die zich bereid verklaard hebben de overeenkomst na te | komen, is dat dos een slecht voorteeken. Reeds bij het vorige ontwerp hebben wij ! aan den patroonsbond gezegd, dat wij liever een contract hadden dat' bindend zou zijn voor alle leden-patroons. De organisatie van de patroons is echter niet van dien aard, dat het bestuur een dergelijk bindend contract kan voorstellen en wij zullen voorloopig in het loodgietersbedrijf genoegen moeten nemen met een contract, dat niet voor alle plaatsen, waalleden van beide partijen gevestigd zijn, geldend zal wezen. ïen opzichte van het loon voor de nieuwe contractperiode, zijn ons door de patroons geen voorstellen gedaan, zoodat wij ten opzichte daarvan ook nog volkomen in het duister blijven. De loonen in het bouwvak, die bij het eer. ste ontwerp konden dienen, zijn nu, voor het komende contract]aar niet meer maatgevend én wij zullen ons ten opzichte daarvan het best aan kunnen sluiten bij de eischen van den modernen Bouwarbeidersbond. Ten opzichte van de artikelen 12—14—16 en 17 hadden wij reeds deze te laten vervallen. Nu ze opnieuw door de patroons worden voorgesteld, zullen wij bij de komende besprekingen onze bezwaren hiertegen moeten aanvoeren. C. O. Dumping. (Overgenomsn uit „De Vakbeweging”). 11. Gaan wij nu eens na, wat dit beteekent voor den buiteniandschen handel van Duitschland. (Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor andere landen met ~ongunstige” wisselkoersen.) Gesteld, dat een werkman in Nederland ih een zeker vak op een gegeven oogenblik f 40.— verdiende en in Duitschland in hetzelfde'vak M. 70.—, op een oogenblik, toen de Mark nog 60 cent waardwas. Dan kon de Duitsche fabrikant, indien hij voor het overige geen voorsprong had (door betere machines, betere bedrijfsmethoden, enz,), met zijn artikelen niet op de Nederlandsche markt concurreeren. Na een zeker aantal maanden was de waarde der Marken geleidelijk teruggegaan, laat ons zeggen tot 50 cent. Indien op dat tijdstip de arbeiders zich nog niet voldoende bewust waren van het feit, dat de waardemaat kleiner was geworden, en dus nog geen loonsverhooging hadden gevraagd, en indien ook voor het overige nog geen verandering inde prijzen van de grondstoffen enz. was ingetreden, dan was de tegenwaarde van het Duitsche loop van M. 70 in Nederlandse!» geld tot f 35. gedaald, en had de Duitsche fabrikant dus een voorsprong op den Nederlandschen verkregen. Dit is dp ~dumping”-uitvoer, waarover thans door onze fabrikanten zoo luid wordt geklaagd. Intusschen spreekt het vanzelf, dat dit voordeel weder verdween, zopdra prijzen en loonen in Duitschland zich aan het kleiner worden van de waardemaat hadden aangepast, m. a. w., zoodra loonen en prijzen in het bovenbedoelde geval met circa 17 pCt. zouden zijn gestegen. In dit geval deed liet er niets meer toe, of Duitschland met een kleinere geldman t rekende, daar hieruit wegens dé overeenkomstige stijging der prijzen geen voordeelen tegenover het buitenland voortvloeien . Nu ging de waarde van de Mark echter, laat ons zeggen, verder van 50 tot 40 cent terug. Voorden Duitschen fabrikant ontstond dus opnieuw een ~ export -premie’ ’, alweder tot tijd en wijle prijzen en loonen zich aan de nieuwe waardevermindering van de Mark hadden aangepast. En zoo vervolgens’. Thans is de waarde van de Mark tot circa 4I cent gedaald, d. w. z. tot een veertiende van de waarde vóór den oorlog. Uiteen berekening van de gemiddelde waarde van 75 groothandels-artikelen (het z.g. „indexcijfer”) inde „Frankfurter Zeitung”, blijkt echter, dat nu ook de gemiddelde prijs dezer artikelen precies veertien maal zoo hoog is als vóór den oorlog. Wanneer dat ook met de loonen enz. het geval is, dan is er vaneen exportpremie en de mogelijkheid van dumping bij dezen prijs g-eeneriei sprake meer. In het bovenstaande voorbeeld zou het loon van den Duitschen werkman van M . 70 gestegen‘zijn tot 14 maal 70, d.i. M. 980 per week. Terwijl de M. 70 vóór den oorlog a 6b cent een bedrag van f 42.— in Nederlandse!» geld vertegenwoordigden, maken de M. 980 a cent zelfs nog een wat hoogere waarde uit, n.l. f 44—, zoodat de Duitsche fabrikant in dit geval tegenover zijn buitenlandsche concurrenten er niet beter, maar

nog iets slechter aan toe zou zijn dan : vroeger. • * « i Nu wezen wij er reeds op, dat de aanpassing in werkelijkheid slechts geleidelijk geschiedt, zoodat intusschen telkens perio; den kunnen voorkomen, waarin een land i met slechte valuta inderdaad een vbor| sprong op buitenlandsche concurrenten heeft. Dit is temeer het geval, omdat natuurlijk niet alle grondstoffen en fabrikaten tegelijk en evenveel in prijs stijgen, naarmate de valuta slechter wordt. Er zijn thans in Duitschland artikelen, waarvoor niet veertien maal zoo veel moet worden betaald als vroeger, maar wel 50 a 100 maal zooveel) vooral dezulken die geheel uit het buitenland moeten worden ingevoerd. Andere daarentegen zijn nauwelijks in prijs verdubbeld of verdriedubbeld, speciaal artikelen, die men geheel uit het binnenland kan betrekken, en waaraan wreinig arbeidskracht ten koste behoeft te worden gelegd. Zelfs wanneer de prijzen zich over het algemeen aan de wijziging van de geldswaarde hebben aangepast, kunnen dus speciale artikelen hierop tijdelijk of blijvend een uitzondering maken. Bovendien spraken wij hierboven alleen van de loonsverhoogingen, die verband houden met de vermindering van de koopkracht van liet Duitsche geld. Ook in het buitenland' zijnde loonen echter verhoogd, hetzij omdat ook daar de koopkracht van het geld is gedaald, zij het ook minder dan in Duitschland, of wel, omdat de arbeiders zich inderdaad een grooter aandeel inde opbrengst der productie hebben weten te verschaffen. Indien, om alweder bij het vroegere voorbeeld te blijven, het loon van den Nederlandschen arbeider van f 40.— op f 80.— per week zou zijn gekomen, doch . dat van den Duitschen arbeider slechts van M. 70 op M. 980, dan zou inderdaad deze laatste op dit oogenblik, in Nedertandsch geld oragerekend, slechts de helft verdienen van zijn Hollandschen makker. Dit zou dan echter niet het gevolg zijn van den lagen stand der Duitsche valuta, doch van de algemeenc verarming in Duitschland, waardoor het volk gedwongen wordt, meteen lageren levensstandaard genoegen te némen dan elders. * * * Vatten wij nu het bovenstaande samen, dan blijkt, dat de stelling, die door onze confectiefabrikanten en zoovele andere industrieelen voortdurend wordt verkondigd, n.l. dat de lage stand der Duitsche valuta Duitschland een voorsprong geeft tegenover ons land, op zichzelf volkomen onhoudbaar is. Het beeft niet de minste beteekenis, of een land ineen munteenheid van twaalf gulden, van één gulden, van zestig cent of van vier cent rekent, en het is onzinnig, om een bepaalden toeslag op de invoerrechten te willen heffen die hooger zou zijn, wanneer de Mark acht, dan wanneer zij vier cent noteert. Wel is het echter van beteekenis, wanneer de geklswaarde vaneen land voortdurend verandert, omdat hieruit telkens gedurende eenigen tijd een voorsprong voor de exporteurs aldaar kan voortvloeien, tot prijzen en loonen zich weder aan deze nieuwe geldeenheid hebben aangepast. Gesteld dat men hiertegen langs den weg van invoerrechten maatregelen wilde nemen, dan zou men in ieder afzonderlijk geval moeten onderzoeken, hoe bij een gegeven geldstand de feitelijke productiekosten zijn. Dit fs echter eer» schier onbegonnen werk, daar men hierbij niet alleen zou hebben rekening te houden met de loonen en de prijzen der grondstoffen, doch ook met huren, belastingen, tarieven van ; gas, electriciteit, tram, spoor enz., die mede de kosten van het levensonderhoud,, den levensstandaard en in laatste instantie de kosten der industrieele productie bepalen. liet probleem heeft trouwens nog een anderen kant. Wij wezen er. op, dat de Duitsche fabrikant telkens gedurende eenigen tijd een voorsprong krijgt, wanneer de geldswaarde opnieuw daalt ,terwijl loonen enz. zich hieraan nog niet hebben aangepast. Het komt echter ook voor, dat de valuta niet daalt, maar stijgt. De Markenkoers is b.v. reeds eens weder twaalf cent geweest. In dat geval herhalen zich alle verschijnselen natuurlijk in precies omgekeerde richting. De tegenwaarde van loonen enz. is dan in Duitschland tijdelijk belangrijk grooter. De waarde van voorraden vermindert, en de fabrikanten zien hun „export-premre” verdwijnen en lijden integendeel ernstige schade, doordien zij niet meer tegen liet buitenland kunnen concurreeren, zoolang niet door loonsverlagingen enz. de vroegere verhouding weder is hersteld. Het groote ksyaad zit dus niet inde lage valuta, maar inde wisselende valuta, waarbij loonen en prijzen zich niet schielijk genoeg kunnen aanpassen. Dit kwaad is, zooafs wij aantoonden, niet te ondervangen dooreen verhooging der invoerrechten, gesteld al dat men hiervan in beginsel niet