Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren geplaatst, de zaak van den loonaanslag wel voor elkander was. Hoe het ook zij, de firmant is in dat opzicht gerust en de tijd zal wel leeren in hoeverre hij heeft meegedaan aan 'het verdeden van de huid voor nog de beer geschoten was. Minder gerust is hij, wat betreft verlenging van den werktijd en als met wringende handen roept hij om verlossing van „de ongelukkige arbeidswet”. Wat de loonen aangaat, in dat opzicht denkt hij het met z’n collega’s-ondernemers wel in orde te maken, maar tenopzichte van, de arbeidswet, acht hij zich met z’n gansche reeks van helpers toch niet sterk genoeg. Dat is min of meer begrijpelijk en voor de hand liggend. De strijd om het loonpeil is er een van uitsluitend économischen aard, terwijl de strijd om den werktijd voor een niet gering deel op politiek terrein is gelegen. . ' Daarmee wordt zoo heel duidelijk geïllustreerd, dat de politieke macht van de arbeidersklasse bij de huidige verhoudingen hooger wordt aangeslagen dan de economische, óók door de ondernemers. Inmiddels weten de arbeiders waar zij aan toe zouden zijn, indien de firma Du Croo Brauns het voor ’t zeggen had. Lagere loonen en eeri 54-urige werkweek. Daarmee zijn we dan weer in het luilekkerland van, vóór 1914. We nemen voetstoots aan dat de directie van Du Croo en Brauns naar deze (kapitalistische) vleeschpotten van Egypte terug verlangt en met haar de commissarissen en aandeelhouders. Maarde arbeiders verlangen er niet naar terug en wat meer zegt, zij zullen zich ook niet terug laten voeren, • • • Een van de heeren Wilton, heeft zich, ook laten interviewen. Als oorzaken van de heerschende malaise noemt hij: de hooge waarde van . den gulden, de ongunstige valuta-verhoudingen dus, verder de onpractische arbeidswetten (men lette op dit meervoud) en tenslotte de abnormaal hóoge lodnen in verhouding tot die van Duitschland. Broederlijke eenstemmigheid dus tusschen den heer Wilton en eender directeuren van de N.V. v.h. Du Croo en Brauns. Maarde eerste heeft nog iets meer gezegd, n.l. het volgende: „De voorgenomen aanstaande loonsverlaging kan hierin (bedoeld wordt de verhouding tusschen Duitsche en Hollandsche loonen) nog geen noe= xnenswaardige verandering brengen.” Ep. verder: ■ „Het I’s onmogelijk voorspellingen voor de toekomst te doen, echter behoeft de toestand onzer ondernemingen geen enkele reden tot ongerustheid te geven.” Hier wordt rondweg toegegeven, dat ~de voorgenomen” loonsverlaging heel weinig te beteekenen heeft. Twee zielen, één gedachte, wij denken er net zoo over als de heer Wilton. Dat is nu toch eens één punt yan overeenstemming tusschen hem en ons.. De voorgenomen loonsverlaging zal dus voor de firma Wilton geen noemenswaardige verandering brengen. Voor de arbeiders is het echter wel „noemenswaard” indién zij 10 pCt. van hun toch al ontoereikend loon moeten missen. Jammer genoeg is er, niet bij gezegd hoe groot de verlaging zou moeten worden om wèl „noemenswaard” te zijn. Wij vreezen dat het zóóveel zou bedragen, dat ’t voor de arbeiders niet meer van „noemenswaardig” belang zou zijn om er voor te werken. Gelukkig maar voor commissarissen en aandeelhouders van de N.V. Wilton’s Machinefabriek en Scheepswerf, dat aan het einde van het interview de geruststellende mededeeling volgt, dat: „de toestand der onderneming geen enkele reden tot ongerustheid behoeft te geven.” En dat, ondanks al de opgesomde en met de el uitgemeten bezwaren.

Lessen uit de organisatie! Als men zoo af en toe eens achterom ziet en terugblikt op hetgeen inden loop der jaren door de organisatie is verricht, dan is men soms inde gelegenheid zeer sterk sprekende gevallen, lessen, zou ik ze willen noemen, naar voren te halen. Daar heb je b.v. Appingedam. Zie de • lijst van afdeelingen in onzen bond thans na en gij zult daarop tevergeefs Appingedam zoeken. Toch is aan deze plaats, in verband met de arbeidersbeweging, een zekere roem verbonden. Ga het laatste xo a 15-tal jaren van de parlementaire geschiedenis van ons land na en bekijk deze in verband met de arbeidersbeweging, dan zult gij herhaalde malen den naam Appingedam met een zekeren roem vermeld vinden. Het „stemt rood” werd daar reeds „vroeg” door groote groepen arbeiders verstaan. Bij velen bleef het daarbij. Helaas 1 Bezie de vakbeweging in genoemde plaats en ge zoudt wanen te doen te hebben met: een plaats in het donkerste van de zwartste streek van ons land. Het was en is zoo goed als nihil. Of er dan geen arbeiders wonen? Zeer zeker, groote groepen, van allerlei soort, land- en industriearbeiders. Neem pnze industrie. Wie heeft niet gehoord van de „Bronsmotoren” ? Machines, die vóór en tijdens den oorlog hun roem verkondigden ver buiten de grenzen van ons land, buiten die van Europa zelfs. Ja, in schier alle werelddeelen kon men het geronk der Bronsmotoren vernemen. Een fabriek met een mooie toekomst.: Een toekomst die, men zou haast geneigd, zijn te zeggen, met opzet vernietigd is. Vernietigd door de leiding dér fabriek. De Bronsmotorenfabriek leverde vóór den oorlog zeker wel 75 pCt. van haar product aan het buitenland en-Ipdië. Concurrentie had men niet te duchten, omdat het patent, dat op dezen motor was genomen, dezen beveiligde voor elke mededinging. Totdat men het in het hoofd kreeg dit , patent naar verschillende landen te' verkoopen en men dus als het'ware zijn eigen concurrenten maakte. Nu kon men niet concurreeren tegen het buitenland. Aan wie de schuld ? Wie worden de dupe ? De eerste vraag is, door ’t voorgaande beantwoord, de laatste vraag zal straks beantwoord . worden. Naast deze fabriek is in Appingedam nog de Machinefabriek voorheen Ter Borg en Mensinga. Verder nog enkele kleinere bedrijfjes, zoodat wij in normale tijden het aantal metaalbewerkers hier veilig kunnen schatten op 300. Appingedam heeft reeds eenige malen een afdeeling van onzen bond binnen haar grenzen gehad. Vergissen wij ons niet, dan is in 1920 voor de v ij f d e maal een afdeeling ter ziele gegaan. Dit cijfer zegt voldoende ten opzichte van de mentaliteit der betrokken werklieden. Maar ook, voor wie wat nader met de zaken daar bekend is, van die van . . , de werkgevers. , In 1908 en later in 1912, ’ 13 en T4 maakte in het bijzonder de „Brons Motorenfabriek” kennis met onze organisatie. In laatstgenoemd jaar werd de directie dezer fabriek genoopt voor dien tijd belangrijke verbeteringen voor het personeel in te voeren. Toen de oorlog intrad, werd deze gelegenheid oorzaak, dat deze afdeeling zou , verdwijnen. Men wilde daar n.l. doen, niet aan vakactie, maar aan wereldpolitiek. En meteen zette men de contributiebetaling stop. Zwartkijkers willen zelfs beweren, dat ’t eerste gebeurde, om ’t laatste te raotiveeren, hetgeen, gezien wat later gebeurde, een schijn van waarheid krijgt. Wij gelooven daaraan echter niet. Hoe dan ook, de directie maakte van de haar geboden gelegenheid gebruik. Steeds

probeerde zij, wat loon en arbeidsvoorwaarden betreft, gunstig uitte steken boven die ’ van de omgeving. Een zeer geraffineerd in elkaar gezet stukwerkstelsel bewerkte rust. Men was en bleef doof voor organisatie. • Wel gelukte het een paar malen er organisatie te stichten, een afdeeling op te richten, maar dat was meestal een stroovuur. Men kon niet tot de overtuiging komen, dat organisatie onder alle omstandigheden geboden was. En men zuchtte maar steeds, dat men contributie moest betalen. Dat was zoo beroerd. Kon men nu maar op het zelfde koopje als men rood stemde, ook lid van de vakorganisatie wezen, dan was ’t wel in orde. Echter ook dan nog onder deze voorwaarde, dat er niet te veel werk aan verbonden was, want ook daaraan heeft men ! een broertje dood. j En of men hun al in woord en geschrift vertelde, dat de vakorganisatie, die naast – verbetering voor het heden, ook voor de toekomst had te werken, dus een waarborg was voor een zeker bestaan, nu ja, men deed alsof men ’t geloofde, maar je voelde dat het er niet i n ging. Men dacht blijkbaar, wat we hebben, dat hebben we, en voor de toekomst, nou ja ~ . Brons is zoo’n beroerde kerel nog niet. Alsof ook de directie dezer fabriek geen menschen waren zooals ■ de omstandigheden hen zouden vormen. Dat was inde jaren, toen de loonen en arbeidsvoorwaarden voor en na door de organisaties overal werden verbeterd. Brons ging mee, ging voor deze omgeving voor o p om organisatie te weren buiten zijn fabriek, hetgeen hem lukte. Thans zijn we inden tijd van neergaande conjunctuur. Mén spre e k t overal van loonsverlagingen; Brons Motorenfabriek echter handhaaft haar oude roem, zij gaat voorop. Reeds voor eenige weken kondigde zij een loonsverlaging aan van 20 pCt. Om echter zooveel als mogelijk was inde tot nu gevolgde lijn te blijven, was zij bereid een commissie uit het personeel te ontvangen en deze wist de verlaging tot 10 pCt, te reduceeren. Alsof het niet de bedoeling was geweest met 10 pCt. te beginnen. Dit was eén goedkoope manier om het personeel de overbodigheid van organisatie te demonstreeren. De commissie uit de werklieden kon nu, met haar (schijn) succes een hooge borst zetten. B ro n s Motorenfabriek gin g dus voor, Was de eerste van de machinefabrieken en is nog de eenige in deze omgeving. Meerderen bereiden misschien wel plannen voor; dat zijn dan echter nog maar plannen. Thans heeft ze met November een tweede verlaging aangekondigd. Ditmaal 10 pCt. Zij handhaaft dus haar roem en b 1 ij f t voor gaan. Zou het personeel nu ook inzien, dat vakorganisatie noodig is? Zouden met name de sociaal-deraocraten, of zij: die zich zoo noemen, nog langer de noodzakelijkheid kunnen ontkennen, dat het personeel „Brons” zich aansluit bij het leger van den arbeid en daarvoor met liefde offers van materieelen en geestelijken aard, b e 1 a n g r ij k e offers zoo noodig, moet brengen ? * .* * Wat wij hebben verteld van „Brons’ Motorenfabriek” geldt ook voor een belangrijk deel voor het personeel van Ter Borg en Mensinga. Dit personeel werd inden oorlogstijd , zoet gehouden door giften in natura, als vet, vleeschj spek, boonen, meel en aardappelen. Daarna werd hun verteld, dat zij voortaan gelijk zouden staan in loon en arbeidsvoorwaarden met de smidsgezellen te Groningen. De menschen sloegen daaraan geloof, verlieten de organisatie en... thans zijnde loonen in Groningen yan 70 tot 90 cent, om de hoogste niet te noemen, . benevens bij overwerk 25, 50 en 100 pCt. extra-loon. Bij de firma Terborg én Men-

singa is het hoogste loon 55 cent en voor overuren wordt geen cent extra betaald. Ook daar wordt binnenkort een derde loonsverlaging verwacht, (deze firma is Brons dus nog voor) en toch vindt men organisatie niet noodig. Die contributie ook! Rood stemmen is veel gemakkelijker en . . . goedkooper. Appingedammer Metaalbewerkers! Trekt de lessen uit deze historie. Sluit u aaneen in één hechte, sterke organisatie; onverzwakt deel genomen aan den strijd! Voorwaarts! Vormt een afdeeling die staat als een muur. Dan kunt ge uw ruggen rechten, dan kunt ge nog veel wat verwaarloosd is, herstellen. Organiseert u inden Algemeenea Neder= landschen Metaalbewerkers Bond. j W. | P.S, Ook andere perseneden als de hier genoemden, kunnen uit hetgeen hier vermeld is, lessen putten ter voorlichting hunner strijd. W. De capaciteit der Duitsehe Metaalindustrie. Dat inderdaad de capaciteit van de Duitsche industrie ook haar grenzen heeft, zooals ineen onzer brochures en ook ineen artikel van Danz in ons blad reeds is geconstateerd, vonden we nog eens bevestigd ineen bericht, voorkomende in „Het Handelsblad” van Maandag 34 Oct. j.l. We lozen daarin het volgende: De Duitsehe mhchine=mdi«strie. De algemeene herleving van zaken en een zeer groote vraag voor exportleveringen hebben de Duitsehe machine-industrie inden laatsten tijd nieuwe orders gegeven, welke werk voor maanden garandeeren. De orders breiden zich uit tot bijna alle takken van deze industrie, bij enkele groepen zijn ze zoo omvangrijk, dat de fabrieken voorloopig nieuwe orders moeten afstaan, vooral daar de voortdurend fluctueerende grondstoffenprijzen een calculatie der goederen op een eenigszins verwijderd tijdstip onmogelijk maken. Groote orders zijn inden laatsten tijd uit Nederland en de Noordelijke landen voor landbouwmachines ontvangen. Ook de Duitsehe landbouwers geven uit vrees voor nieuwe prijsstijgingen reeds thans hun orders. De textielmachine-industrie is van veel werk voorzien, vooral voor spin- en weefmachines, waarin ook het buitenland belangrijke orders heeft. Bij de locomotief fabrieken is het niet meer zoo stormachtig druk als vroeger. Toch is de toestand ook hier nog steeds bevredigend, evenals bij de wagenfabrieken welke voor eenige maanden nog met werk voorzien zijn. Een algeheele verandering is inde automobiel- en rijwielindustrie ingetreden. Beide takken van nijverheid _ worden door het buitenland zeer sterk in beslag genomen. De groote sportweek in Berlijn heeft tot deze verbetering krachtig medegewerkt. Bovendien moet in aanmerking genomen worden dat de prijzen ook van de voortdurende stijgende prijzen der openbare verkeersmiddelen profiteeren. Machines voor het landbouwbedrijf worden inden laatsten tijd iets meer gevraagd. Ook de mijnmachine-industrie werkt zeer gunstig en eveneens is de electriciteits-industrie voornamelijk in dynamo’s en motoren zeer sterk bezet, zoodat in vele bedrijven met overuren gewerkt moet worden. _ Het m,ogc, indien we bovenstaand bericht lezen, een minder aangename gewaarwording zijn, dat Duitschland tot barstens toe vol zit met werk, terwijl hier werkgebrek is, de wetenschap dat Duitschland toch niet in staat is om alles te maken en nu reeds orders moet afslaan, is een lichtpunt inde duisternis. Het spreekt bovendien als vanzelf, dat

Metaalbewerkers als -Uitvinders. .Uit het Hoogduitsch naar Th. Wolff (Friedenau). HL James Watt werd 19 Januari 1736 te Greenock in Schotland geboren als zoon yan een timmerman; nooit heeft hij een school bezocht, daar zijn ouders hem in lezen, schrijven en andere eenvoudige kennis, die zij machtig waren, onderwezen. Bij de bekrompen omstandigheden, waarin zijn ouders verkeerden, brak bij den jeugdigen Watt reeds spoedig de tijd aan om een beroep, te kiezen en om zelfstandig voor zijn levensbehoeften te zorgen. Zijn aanleg tot techniek, die zich reëds in ziyi kinderlijke spelen uitte, volgende, bepaalde hij zich, tot de mechanika en ging eerst te Londen, daarna te Glasgow bij een instrumentmaker en mechanicus inde leer, tegelijk onophoudelijk er óp bedacht, door zelfstudie zijn wetenschappelijke en technische kennis naar mogelijkheid uitte breiden. Toen hij na voleindigden leertijd zich als zelfstandig mechanicus té Glasgow wilde neerzetten, verzette het meclianikergilde zich daartegen,

gesteund door oude voorrechten, waarnaar alleen een te Glasgow geboren burger zich daar als zelfstandig ambachtsbaas mocht . neerzetten. Voor Watt was deze afwijzing wellicht een geluk, want, door den nood gedrongen, zocht en verkreeg hij een plaatsing als mechanicus in het natuurkundig laboratorium aan de universiteit te Glasgow. , Deze betrekking was een zeer bescheidene, maar bood aan den jeugdigen Watt ruim tijd en gelegenheid zijn technische neigingen te volgen en zich met proeven bezig te houden. Door zijn uitstekende intelligentie en bekwaamheid in vervaardiging van mechanische toestellen, kwam hij in nauwe aanraking met beroemde geleerden en natuuronderzoekers der universiteit, zoodat zijn kleine werkplaats menigmaal het middenpunt van deze geheele geleerde wereld was. In deze belrekkii\g was het ook, dat Watt de eerste aansporing ontving, om zich met de verbetering der stoommachine bezig te houden. Het was in 1763, dat hij van het natuurkundig instituut der universiteit de opdracht ontving om het oude model van een Newcomenschstoomwerktiug, dat niet meer functionneerde, weder gangbaar te

7| „in, 111— 'j-.-TTiHnnnrefJM maken. Hij voldeed daaraan, door den 1 cylinder, die in verhouding tot de andere deelen der machine te lang was, in te korten. Tegelijk was daardoor echter zijn belangstelling voor het werken der stoommachine opgewekt; hij bestudeerde de machine, haar werkwijze en arbeidswetten nauwkeurig en , toen hij de veelvuldige fouten en gebreken ontdekte, welke haar aankleefden, wendde , hij zich met vurigeh ijver tot de,verbetering der stoommachine, welke nu de groote, nooit volprezen taak van zijn leven zou worden. Bij het, Néwcomensche stoomwerktuig fungeerde de stoom maar als hulpkracht. Hij diende voor het verkrijgen vaneen luchtledige ruimte door condensatie, terwijl de druk der lucht op de oppervlakte van den zuiger, waardoor deze omlaag inden cylinder gedreven wordt, den arbeid verricht. Om deze reden wordt de Newcomensche eigenlijk luchtdruk- of ook atmosferische machine genoemd. Op den duur maakte zich.daarbij het euvel vaneen zeer groot kolenverbruik merkbaarder, naarmate deze in prijs stegen en zoodoende, werden de bestaansvoorwaarden der stoommachine voor de toe-

I komst zeer moeilijk. Zoo stonden de zaken, toen Watt zich met de verbetering dezer machine bezig hield. Door nauwkeurige bestudeering der wetten van stoomontwikkeling, warmteverbruik en werking van den stoom, werd het hem duidelijk, dat het enorme brandstofverbruik der Newcomensche machine zat in het buitengewoon hooge stoomverbruik, dat voor iederen zuigerslag het meervoud van den cyiinderinhoud bedroeg. De oorzaken van dat hooge stoomverbruik vond Watt inde twee verschillende functies, welke de cylinder gelijktijdig had te vervullen, namelijk den verhitten stoom op te nemen en daarna den heeten stoom weder af te koelen. Na elke gedane condensatie, waren ook tevens de cylinderwanden weder afgekoeld. .Stroomt nu de heete stoom weder inden cylinder, dan wordt deze door de koude cylinderwanden onnoodig zoolang tot water gecondenseerd, tot de cylinderwanden weder voldoende zijn verhit, waardoor dus deze hoeveelheid nutteloos voor practischen arbeid verloren is. Dat euvel verhielp Watt door een eenvoudige en doelmatige inrichting, die daarin bestond, dat de condensatie van

Sluiten