Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

binnen. Daarvan waren ..uit Kopenhagen ’ 667S en van „het land” 7637 (van dc 18000 leden zeker geen ongunstig resultaat). ! Kopenhagen is de. ccnige groote stad in | Denemarken, waar meer groote bedrijven j zijn, reden waarom het gebruikelijk is, | Kopenhagen van het overige Denemarken | bij stilistieken tc separeeren. In Kopenhagen met 6678 arbeiders wei- j den gemiddelde uurloonen van 257 Ore (volgens valuta f 1.44), in dc provincies 220 Ore (f 1.23}) verdiend, zoodat het gemiddelde uurloon over het gehcele land en 14135 deelnemers aan deze statistiek 237 Öre (f 1.33) bedraagt (zeker wel heel wat hooger dan in Nederland). De kleine bedrijven en smederijen staan op dén laag- • sten trap dezer uurloonen, terwijl, volgens . leeftijd gerangschikt, de hoogste loonen in de leeftijdsgroep van 40 tot 50 jaren vallen. „Arbejderen”, het correspondentieblad van het Deensche Vakverbond, geeft in nr. 12 (1921) buitendien nog een lijvige statistiek over de loonen der verschillende leeftijdsgroepen bij cenige groote bedrijven en bedrijfssoorten, welke hier te veel ruimte zouden vergen. Ineen verder overzicht zijnde opgaven der arbeiders en die der werkgevers over de gemiddelde loonen in verschillende jaren naast elkaar geplaatst. De opgaven der arbeiders beginnen in 1898 (dus na de groote uitsluiting) en bedroeg toen het gemiddelde uurloon inde hoófdstad 41 Öre I (23 cents) inde provincie 35 Öre (19} ct.) j en gemiddeld over het geheele land 38 Öre | (21 ct.). In 1909 komen de opgaven der | werkgevers erbij en beperken wij ons daar- j uit het volgende mede te deelen : Opgaven der arbeiders. 'j'Kopenli'ïgen Provincies Het celïcclc Aantal jnsr land : adclnc- I .. f . f 1■!; mende ore Cts. : öre | Cts. | öre Cts. arb. .19095-2 ' 29 45 25 4827 ; 6190 1920 j: 267 I 144 220 237 133 ; 14461 Opgaven der werkgevers. ,Url.Ko*; PrOVinCiOS | HetlinT,e ij deelnï-J ■ . i ' i 1 j J mende |j öre I Cts* ] öre Cts. | öre 1 Cts. j! arb. 1909 i 58 I 32» 49 27* I 50 28 ■ 3687 1920 | 268 150» 232 130 i 251 141 12504 II .1 I Verder komen ook opgaven van den Electriciensbond in deze statistiek voor, over loonen der electromonteurs. Er waren 653 opgaven (201 uit Kopenhagen en 452 uit de provincies, Het gemiddelde uurloon in Kopenhagen was 220 Öre. inde provincies 204 Öre. De werkgevers leverden overeen iets grooter aantal arbeiders en waren vol» gens dezen de loonen in het 4de kwartaal x 9-o in Kopenhagen 234 en inde provincies 226 Öre. Het groote verschil tussche beide opgaven ligt daarin, dat de bondsleden bijna niet in tarief werken en maar */„ der leden tariefloonopgave deed. Voor tijdloon gaven de werkgevers een gemiddeld uurloon van resp. 219 en 213 Öre op. A. J. De Regeering en de Volkshuisvesting. Uit „De Vakbeweging”. , I. Eender ergste kwalen, waaronder de arbeidersklasse te lijden heeft, is. de woningnood. Dit is geen verschijnsel, dat zich alleen in ons land openbaart. In vrijwel alle landen heerscht woningnood, in het eene land wat erger dan in het ander. Dit gebrek aan voldoende woningen wij zullen maar niet eens spreken van goede woningen dateert niet van de laatste jaren. Reeds lang voor den oorlog deed zich een nijpend gebrek aan arbeiderswoningen. vooral inde steden, gevoelen. Het particuliere bouwkapitaal bleek door verschillende oorzaken, zooals moeilijkheden op de hypotheek-markt, stijgende grondprijzen, scherpere bouwverordeningen, om een paar van het complex van oorzaken te noemen, niet meer in staat, tegen een huurprijs, die de arbeiders konden betalen, woningen te bouwen. En aangezien in onze nooit genoeg te prijzen heerlijke samenleving alleen geprodu- . ceerd wordt voor de winst en niet voor de behoefte, hield de . aanbouw van nieuwe woningen lang geen gelijken tred met de toenemende bevolking. , Als op zooveel ander terrein faalde ook op het gebied der volkshuisvesting het particulier initiatief en deed zich voor de overheid de noodzakelijkheid van ingrijpen gevoelen. Zoo ontstond in 1901 in ons land de Woningwet. Deze wet bevat twee groote beginselen. Het eene, wat wij zoüden kunnen noemen het negatieve, bestaat hierin, dat slechte woningen onbewoonbaar kunnen worden verklaard, en het positieve, dat met behulp van Rijks voorschotten, tegen matige rente verstrekt, nieuwe woningen kunnen worden gebouwd. Daarnaast opende deze w?t, die ongetwijfeld onder de belangrijkste ler categorie sociale wetten, welke in ons | land zijn tot stand gekomen, kan worden {

■ géieken.d, de mogelijkheid, dat voor hen, die niet in staat zijn, den vollen' kostprijs j eener nieuwe woning te kunnen betalen, | een bijdrage inde huur kan worden ver-. I Icend. j De eerste jaren was er in. de practijkvan i de Woningwet niet heel reed Ie bespeuren, j Tiet waren den eersten tijd belangstellcni den, die het initiatief namen ,om inde ellendige woningtoestanden, welke ia • óns land bestonden, verbetering te brengen. Dat veranderde langzamerhand, toen de arbeidersbeweging sterker, werd en de belanghebbenden, d.w.z. de arbeiders zelf hun schouders onder dit werk zetten. Over.al werden bouwve.reenigingen opgericht, die met ijver aan het werk togen. Daarnaast werden in meerdere of mindere mate, dat:, hing vaak af van den politieleen invloed der arbeidersbeweging, een aantal krotwoningen voor verdere bewoning ongeschikt verklaard. Over het tijdvak xgoi—l9ls wérden in totaal 568 voorschotten voor woningbouw met een totaal bedrag van f47.616.587.67 door het Rijk verleend, . waarvan f 4.617.673.79 aan gemeenten, die zelf bouwden en f 42.998.913.88 aan toegelaten lichamen. Aan bijdragen inde huur werd over die jaren f 66.000 beschikbaar gesteld. D# oorlog heeft aan dit stuk cultuur! arbeid een belangrijke hinderpaal in deni weg gelegd. De eerste twee-jaar na hfet > uitbreken daarvan stond de aanhouw van ; arbeiderswoningen door de haast met den | dag stijgende bouwkosten, zoo goed als I stil. Maar het gevolg daarvan was, dat de woningnood steeds grooter werd. Aan -Onbewoonbaar verklaringen van krotten werd niets meer gedaan, ja een groot aantal vdn deze werden weer voor bewoning geschikt -verklaard. ' De verwachting, algemeen gekoesterd, dat aan het oploopen der prijzen wel spoedig een einde zou komen, bleek niet in vervulling te gaan. Zou, de woningnood niet tot een catastrophe leiden, dan moest er worden gebouwd. . Daardoor bereikte men twee dingenxe, vermindering van den woningnood; 2e. bestrijding der werkloosheid onder de bouwvakarbeiders en de arbeiders in . aanverwante bedrijven, aan wie anders groote sommen inden vorm van werkloosheidsuitkeering. verstrekt had moeten worden. . Middelerwijl waren de bouwkosten zoodanig gestegen, dat de arbeiders niet meer in Staat waren den kostprijs der woningen te betalen, zoodat van Overheidswege een bijdrage moest worden verkend. , Dit nu. is gedurende de laatste jaren op verschillende wijzen geschied. In 1916 kwam de zoogesnaamde nrentevoet-bijdrage” tot stand. De rente van bouwvoorschotten werd 1 Januari 1916 gesteld op 4.7 pCt., in December 191.6 teruggebracht tot 4} pCt., met de bepaling, dat wanneer hierdoor geen sluitende exploitatie kon worden verkregen, m.a.w. dé huren te hoog zouden worden, de Regeering een bijdrage wilde verkenen, mits de Gemeenten de helft daarvan voor haar • rekening namen. * _ Op deze ~rentevoet-bijdfage” volgde in 1916 de „materiaal-prijzen” bijdrage. Op 9 November 1916 deelde de Minister van Binnenlandsche Zaken, per circulaire mee, dat de Regeering besloten Ixad aan de gemeenten een tijdelijke buitengewone bijdrage uit de schatkist toe te kennen van 50 pCt. van het verschil tusschen de annuïteit (rente en aflossing) over het werkelijk verleende voorschot en het bouwvoorschot, dat bij normale bouwm-ateriaalprijzèn noodig ware geweest, wanneer de gemeente de overige 50 pCt. voor haar rekening nam. Januari 1917 volgde een nieuwe aanschrijving, waarbij de bijdrage van het Rijk werd verhoogd tot 75 pCt. Deze bijdrage zou verleend worden tot uiterlijk 1 Januari j92z. Het gevolg van deze circulaire was, dat in een aantal gemeenten flink werd aangepakt. Er was echter ook een antal, dat niets deed, onder het motief, dat de financiëeie toestand van dien aard was, dat onmogelijk 25 pCt. van de bijdragen voor rekening der Gemeentekas kon worden genomen. Nu is ongetwijfeld de verhouding Rijk | en Gemeente } in hooge mate onbillijk. Tijdens den distributietijd werd als. regel go pCt. van de verliezen voor tekening van het Rijk genomen en slechts 10 pCt. voor de gemeenten. Ten opzichte van den woningbouw was er zeker alle aanleiding geweest, dat voorbeeld te volgen. De Regeenng bleek daartoe evenwel niet bereid. Na de „materiaalprijzen-bijdrage” kwam de „woningnoodwet-bijdrage”, waarbij het Rijk zich bereid verklaarde, voor den bouw van noodwoningen, waarvoor een levensduur van 5 jaar werd aangenomen, 90 pCt. van alle kpsten a fonds perdu voor zijn rekening te nemen. De resteerende 10 pCt. komen ten laste van de gemeenten. Toen kwam de Minister 25 Juni 1919 met een circulaire, waarbij de ~rentevoet-bij ■ j clrage”, de „matenaalprijzen”-bijdrage en 1 ook de bijdragen der industrie (een tijdlang

werd óók van de inclustriëe’en een bijdrage gevraagd, wanneer voor bij hen in dienst zijnde arbeiders woningen werden gebouwd)-kwamen te vervallen. Daarvoor werd in dc plaats gesteld een enkele bijdrage, die gelijk zou zijn aan het verschil tusschen de huur. die op grond Van dc werkelijke bouwkosten, alles inbegrepen, noodig zou wezen om een sluitende esploitatie-rekening te verkrijgen en de huur, die clóor de huurders moet worden opgebracht. Van deze bijdrage komt 75 pCt. ten laste van het Rijk en 25 pCt. voor rekening van de Gemeente, vöor noodlijdende Gemeenten en in bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. Onder een arbeiderswoning, aldus de circulaire, is te verstaan een woning met niet meer dan 5 kamers en een keuken. Voor woningen met bedsteden worden voorschotten niet meer gegeven. Voor woningen met niet meer dan twee slaapkamers zullen voorschotten en bijdragen niet dan bij hooge uitzondering en onder beperkende voorwaarden, wat de verhuring betreft, worden verleend. Als regel zullen de woningen ten minste drie slaapkamers moeten hebben, waarvan ten minste twee voldoende ruimte bieden voor de plaatsing van twee ruime ledikanten. Behalve de drie slaapvertrekken moet de woning bevatten . een woonkamer-keuken of een woonkamer en een keuken; zij kan bovendien bevatten een zgn. „mooie kamer” van kleinere afmetingen dan de woonkamer. De uitvaardiging van deze circulaire was een gebeurtenis. Met één slag werd een einde gemaakt aan een aantal peuterige bepalingen, welke tot dusver bij het verïeenen van bouwvoorschotten met bijdragen hadden gegolden en die aan de bouwverenigingen zooveel last en narigheid' hadden bezorgd. Dat was, zouden wij kunnen zeggen, Minister Aalberse in zijn goeden tijd. Er moesten groote ruime arbeiderswoningen worden gebouwd. Het leidende beginsel was : bereken het tekort op de exploitatie, het ontbrekende zal voor 75 pCt. door het Rijk en voor 25 pCt. door de Gemeente worden bijgepast, Een jaar later, 30 Juli 1920, kwam een nieuwe circulaire, waardoor practisch gesproken, de, circulaire van 25 Juni 1919, die allerwege zoo’n gunstig onthaal had gevonden, in dé snippermand werd gedeponeerd, In het vervolg zouden debijdra gen verleend worden naar den kubieken meter inhoud per woning. In deze circulaire werd bepaald, dat voor woningen met een inhoud van 225 M3. voortaan 50 pCj. van dé totale bouwkosten uit de huren mopst worden bestreden, voor een woning niet een inhoud van 226—275 M3. werd dit 60 pCt. en voop woningen met een inhoud van 276—300 M3. 70 pCt. Uitdrukkelijk werd er op gewezen, dat deze percentages minima waren en dat bij de vaststelling der huren rekening moest worden gehouden met de hpogere draagkracht der huurders. Daarenboven-werd de rente, die midden Juli 1919 op 5 pCt. was gesteld, 1 December 1920 verhoogd tot 6 pCt. Uit alles bleek,, dat de Regeering-van het stelsel der bijdragen af wilde. Terug naar bet vrije verkeer, was de leuze, die zeer sterk inde Regeeringsstukken, op den woningbouw betrekking hebbende, werd gehoord. Het kost te veel. Nu valt het niet te ontkennen, dat er langzamerhand groote bedragen in den woningbouw werden gestoken. In 1916 bedroegen de woningbouwvöorschotten 16 millioen gulden, in 1917 49 miilioen, in 1918 48 millioen, in 1919 88 millioen en in 1920 138 millioen. Yari 1916 lot en met 1920 is toegestaan aan grondvoorschotten f 28.3364.715.15 en aan bouwvoorschotten f 340.828.177.65, dat is totaal f 369.192.892.80. Over dit tijdvak werd f 249.105.245.96 aan bouwvoorschotten uitbetaald, dat is dus bijna een kwart milliard. Door v.d. Tempel werd in zijn praeadvies, uitgebracht voor het Instituut voor 'Volkshuisvesting,- berekend, dat het verlies door Rijk en Gemeenten over deze 5 jaar geleden ongeveer 75 millioen gulden bedraagt, aangenomen, dat gemiddeld 70 pCt. van de exploitatiekosten uit de huren worden gedekt. Maar ondanks deze inderdaad groote bedragen is nog maar een klein stukje van den woningnood gelenigd. Middelerwijl werd ook nog op andere wijze dan door het verïeenen van voorschotten en een jaarlijksche bijdrage inde exploitatiekosten, door de Regeering getracht den 1 aanbouw van woningen te forceeren. In 1917 stelde hel Koninklijk Nationaal Steuncomité ieder, die huizen wilde gaan bouwen iri cie gelegenheid dat te doen, door een bijdrage van 25 pCt. inde bouwkosten, welke a fonds' perdu werd verstrekt. Begin

1919 was op deze wijze 1 miilioen aan premie verleend. Veel gebruik is van dit aanbod van het K. N. S. niet gemaakt. De bouwkosten waren te hoog geworden, dan dat met deze bijdrage een loonende exploitatie kon worden opgezet. Bij Koninklijk Besluit van 8 November 1920 kwam een nieuwe regeling tot stand.' .. Om den aanbouw door particulieren van arbeiders- en middenstandswoningen te bevorderen, werd een premie beschikbaar gesteld van f 20.— per M2. woningoppervlakte, met een maximum van f 2000 per woning. Daarenboven werd op billijke voorwaarden, tegen een rente van 6 pCt., hypotheek op dergelijke te bouwen huizen verleend ten bedrage van 00 pCt; van het verschil tusschen de stichtingskosten en de verleende premie. De eigenaren waren geheel vrij om met de op deze wijze gebouwde huizen te doen en te laten, wat zij zelf wilden. Zij mochten ze verkoopen of verhuren, zooals ze wilden. Tengevolge van de sterke daling, inde prijzen der bouwmaterialen, heeft de Re-, geering met ingang van 1 April 1921 de' maximum-premie vastgesteld op f 1700 per woning. Toen kwam plotseling de, laten wij maar ‘zeggen, beruchte circulaire v«n i Juni j.1., die voor het vraagstuk der volkshuisvesting van onberekenbare gevolgen kan zijn. De beteekenis van deze circulaire is: particuliere bouw hoofdzaak, bouw van overheidswege en door bouwvereenigingen aanvulling. De bijdragen tot een minimum beperkt, de huren zoo sterk mogelijk opgevoerd, dat is de nieuwe politiek, die thans door Minister Aalberse in toepassing wordt gebracht. Ook op het gebied der volkshuisvesting is reactie troef geworden. Ks. . VERANTWOORDING. Onderstaande afdeelingen droegen af in dc maand October over September. Alkmaar f 290.14, Almelo f 52.92, Amersfoort f 162.41, Amsterdam i 2080.95, Apeldoorn f 280.40}, Assen f 58.78, Bedum f35.64, Breda f244.97, Brummen f49.72, Capelle op d’ IJssel f xog-.34, Coevorden f 159-33, Dedemsvaart f 32.34, Delft £992.53;}, Deventer f385.37, Doetinchem f 65.30, Dordrecht f 544.44, Drachten f 9.65, Ede f 76.36, Enkhuizen f 39.20, Enschedé f400.59}, Franeker f56.75, Gorinchem «f 213.71, Groningen f327.46,. Den Haag f 649.47A, Haarlem f 989.05, Hardinxveld f 52.92, Harlingen f 27.72, Hasselt f 7.08, Helder f 34.26, Hengelo f 452.78, Joure f 38.87, Kinderdijk f 217.36, Krimpen a/d Lek f 125.44, Krommenie f 123.52, Leeuwarden f 257.38, Lemmer f 66.33, Leiden f 18.81, Maassluis f 17.36, Maastricht f 16.58, Meppel f 111.14, N.- Lekkerland f 64.90, Olst f 65.22, Oosterbeek f 59.40, Pernis f 47.84, Ridderkerk f 84.50, Rotterdam f 4829.84, .Schiedam f 1100, Schoonhoven f137.29, Smilde f20.16, Sneek f138.75, Souburg £39-96, Stadskanaal f 264.33, Steenwijk f 32, Velp f 100, Voorburg f 106.71, Wageningen f 78.05, Weesp f 293.23, Woubrugge f 19.31, Ijlst f 16.50, IJmuiden f 439.78, IJsselmonde f50.23, Zaandam f478.71, Zaandijk f 113.94, Zalt-Bommel f 149.49, Zeist f 75.24}, Zutphen f 143.68, verspreide leden-f 184.40. Onderstaamle afdeelingen droegen niet af, doch behielden hun afdracht voor uit* keeringen: Alphen a/d Rijn, Arnhem, Baarn, Bergen op Zoom, Beverwijk, De Bildt, Bolnes, Borne, Bussum, Culeraborg, Delfzijl, Dieren, Edam, Goor, Gouda, Gouderak, Hendrik-Ido-Ambacht, ’s Hertogenbosch, Hilversum, Hoogezand, Hoorn, Kampen, Krimpen a/d IJssel, Lekkerkerk, Maarssen, Middelburg, Nijmegen, Oude Pekela, Oudewater, Papendrecht, Sliedrecht, Tiel, Tilburg, Utrecht, Veendam, Wèsterbroek, Winschoten, Zuidbroek, Zwolle. De * afdeelingen Doesburg, Muiden, Vlaardingen en Viissingen zonden, trots herhaald verzoek, geen afdracht. J. G. SIKKEMA, Penningmeester. ADVERTENTIEN. I Ka een langdurige ziekte overleed lieden 9 M onze trouwe Bondsraakker 9 Zijn jarenlang lidmaatschap en medestrijden I ■ voor de organisatie mogen allen ten voor-9 g Rust in vrede, trouwe kameraad. Namens afd. Bolnes-Siikkervcer (Noord) I

VAKONDERWIJS PER BRIEF voor Metaaibew., Werktuigk , Machinisten en Elestrot. Op!, voor Diploma’s en Nieuwe Nijvertiesds. acten. Boekh, v, Patr. Vraag gratis prosp. en proef!, aan 1.T.M.0. Von Zssenstraat 1 k, Amsterdam.

Sluiten