Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30STE JAARGANG ZATERDAG 15 DECEMBER 1923 No. 50

De metaalfcememer

Oleekblad van den Hlgetncenen nederlandschen roetaalbewrKmbond.

J_ —! Jt . . REDACTEUR: G. VAN DER HOUVEN Arbeiders aller Landen Kennis Is m^cht, Vereenigt U. Adres van Redactie en Administratie Hemonylaan 24. Amsterdam Eenheid bracht -* ' 1 r ; Telefoon 26175 »

ABONNEMENT: , ADVERTENTIËN .... Stukken van algemeenen aard moeten ai te rink Maandags, _ . . ... , , Bü vooruitbetaling per jaar. . , , | | | f 1.50 _ , . 0 . . „r j ° Gewone advertentiën . • . . per regel f 0.30 dij jca.l Bondsnieuws en advertentiën Woensdagsmorgena . . non Voor Buitenland verhoogd met porto. .. inr,ptnnif>T, Aanvragen voor personeel .••••.*• 0.20 Losse nummers o.ob Zy ‘"Stomen Afdeelingsadvertentiën 0.20

OPLAAG 24.400 Ofdciëale Mededeelingen. Deze week wordt het contributiezegel op de 50a week in het Bondsboekje geplakt, » *- * Wij maken de leden van de afdeelingen Dordrecht, Stadskanaal en Veendam attent op de in dit nummer voorkomende advertentiën. • » • OPGELET! Medewerkers en inzenders, gelieve er rekening mee te houden, dat met het oog op . _e komende feestdagen, in de week van 23—29 December ons blad niet zal uit* komen. Het laatste nummer van den jaar» gang 1923 verschijnt dus op 22 December a.s. Stukken en mededeelingen voor dit nummer moeten uiterüjk Dinsdagavond 18 December a.s. in ons bezit zijn. RED. Geen zelfzuchtig egoïsme. Het eeuwenoude Kaïn’s woord „Ben ik mijn broeders hoeder?” wordt nog altijd, zij het dan ook met andere woorden gebruikt. We ondervonden dat nu weer in verband met de steunbeweging ten behoeve der Twentsche uitgeslotenen. Wij vernamen van metaalbewerkers, leden van onzen Bond, die zich met eemberoep op de loonsverlagingen die zij zelf hebben moeten accepteeren, van steun voor de Twentsche makkers afmaken. „Wij hebben ook al zoo en zooveel procent loonsverlaging moeten aanvaarden, dus... moeten de textielarbeiders ook maar er aan gelooven.” Ze beboeren ongetwijfeld niet tot de besten onzer leden die zoo redeneeren, maar toch is het nuttig en noodig om deze „ketterij jegens het arbeidssolidairisme” maar eens openlijk ten toon te stellen. Het is een algemeen verschijnsel onder de menschen dat zij desnoods willen helpen waar het anderen betreft die in slechter doen zijn dan zij zelf. Zoodra echter de steun wordt gevraagd voor menschen die nog iets meer hebben of in gelijke conditie verkeeren, is het met de liefde gedaan. „Ik heb loonsverlaging gekregen en dus moeten anderen het ook maar aanvaarden”, zie daar de dwaze err van alle kameraadschap gespeende redeneeringen die men thans kan beluisteren en waarop de ondernemers in niet geringe mate speculeeren. Er zou uit practische overwegingen voor dit standpunt nog wat te zeggen zijn indien die anderen, waarvoor de steun gevraagd wordt, nog in ’t geheel geen offers aan de reactie gebracht hadden. In dat geval echter zouden de belanghebben bij de vraag of zij al dan niet in verzet moesten gaan, daarmede ernstig rekening hebben gehouden. Het staat echter heel anders; de loonen en arbeidsvoorwaarden in de textielindustrie behooren zeker tot de slechtsten in ons land. Na een eerste verlaging van io pCt. zijn deze gekomen op ongeveer f 22—f 26 per week voor volslagen arbeiders. Het zijn deze loonen, welke de rijke fabrikanten met nog 10 pCt. willen verlagen, omdat de diverse organisaties geweigerd hebben de 48-urige werk-

week prijs te geven. De steun, die gevraagd is, is dus zeker niet bestemd voor arbeiders die het beter zouden hebben dan de metaalbewerkers. We herhalen nog eens hetgeen we reeds de vorige week duidelijk deden uitkomen, deze groote strijd is er in wezen een voor het behoud van de 48-urige werkweek en dus ook voor ons metaalbewerkers van het allergrootste belang. Als men zich niet kan opwerken tot zooveel solidariteitsgevoel met de Twentsche strijdende klassegenooten, laat men dan althans ernstig overwegen, dat een verlies voor hen, droeve gevolgen voor de groote massa van de Nederlandsche arbeidersklasse met zich kan brengen. Laat ons echter voor de steunbeweging werken en laat ons steunen inde eerste plaats uiteen gevoel van kameraadschap, omdat de strijd gaat tegen een machtig fabrikantendom dat zijn ruw geweld toepast om een groot deel van Den, die tot de onzen behooren, in volledige loonslavernij terug te voeren. Inzake steun ver leening moet hét gevoel zegevieren over.het verstand en in dat geval zijn we er niet bevreesd voor, dat ook onze leden zullen doen, hetgeen hun band He doen vindt en wat plicht is voor iéder die niet in zelfzuchtig egoïsme onder wil gaan. Inderdaad interessant. Onder het opschrift „Interessante onthullingen over n November 1918” bevat „De Werkgever”, orgaan van de Vereen iging van Nederlandsche Werkgevers, van 1 December j.I. een inderdaad interessant artikel, dat ons nog eens naar dien veelbewogen tijd terug voert. Een zekere Fransche mijnheer, G. H. Bousquet, heeft een boekje geschreven, waarin hij de sociale evolutie van ons land gedurende de jaren 1914—1922 behandelt en het is de inhoud van dit boekje, waaraan het werkgeversorgaan zijn volle aandacht wijdt. De heer Bousquet is voor verkrijging van zijn stof persoonlijk in ons land zijn licht op wezen steken en heeft daartoe van velerlei zijden zijn inlichtingen ontvangen, zoo ook o. a. van den secretaris van het Bureau voor de R.-K. Vakorganisatie, den heer P. J. S. Serrarens. Volgens den schrijver heeft genoemde secretaris een verklaring gegeven van het feit, dat de regeering in November 1918 plotseling besloot tot het aanhangig maken van verschillende sociale maatregelen. We zullen een deel uit het artikel uk „De Werkgever” hier laten volgen: De heer Serrarens, die het weten kan, vertelde hem (den heer Bousquet), dat de leiders der katholieke partij inden loop van 11 November 1918 een program van hervormingen en een plan van verdediging hadden opgesteld. In die bijeenkomst was de vraag gesteld, of men, zoo het geval zich voordeed, niet handelen zou gelijk het katholieke Centrum uit den Duitschen Rijksdag (dat immers met de uiterst linksche partijen de revolutie deed slagen), maar besloten werd het Huis van Oranje in elk opzicht te steunen.”

Volgens deze onthulling heeft het inden kring van de leidende R.-K. personen toch een ernstig punt van discussie uitgemaakt welken koers men zou volgen. Vermoedelijk hebben de heeren onderling de kansen gewikt en gewogen om ten slotte maar tot steun aan het huis van Oranje te besluiten. Waren de kansen voor hen wat ongunstiger geweest, dan zou het niet buitengesloten geweest zijn, dat zij, evenals het Duitsche R.-K. Centrum, met den uiterst linkschen vleugel zou zijn meegegaan. De mededeeiingen van den heer Bousquet zijn werkelijk niet onbelangrijk. Maar er volgt nog meer: „Den volgenden morgen, d. w. z. enkele uren vóór dat de heer Troelstra zijn rede hield, hadden de afgevaardigden der katholieke partij een onderhoud met minister Aalberse, aan wien zij hun program voorlegdèn. De christelijke werk liedenorganisaties hadden meegèdeeld, dat zij het toen niet. het geschikte oogenblik vonden, hoewel zij bereid waren de regeering te steunen. De minister van Arbeid aanvaardde namens het kabinet het program en toen eerst was men zeker van den steun der katholieke arbeiders.” Uit dit gedeelte blijkt wel heel duidelijk, dat heel het optreden van de christelijke vakbeweging in die dagen een kwestie van koop en verkoop geweest is. Het heet immers: „Toen eerst was men zeker van den steun der R.-K. arbeiders”. De regeering werd dus gedwongen van den nood een deugd te maken. Zij werd commissionair zoowel engros als detail, in sociale hervormingen, om daardoor de katholieke arbeiders .gemobiliseerd te krijgen voor steun aan het Huis van Oranje. We gaan verder en citeeren: „De eischen van het program vermeldt de heer Bousquet aldus: l°. een wet op het collectief arbeidscontract; 20. Verschillende verzekeringswetten; 3°. instelling vaneen vakvereenigingsorgaan met publiekrechtelijke bevoegdheid ; 40. de 8-urige arbeidsdag (en nog korter arbeidstijd voor afmattender arbeid); 50. de Engelsche week; 6°. verbod van loonarbeid voor de gebuw:de vrouw; 7°, een wet op de huisindustrie; B°, verbod van arbeid tot den leeftijd van 14 jaren; 9°, éen wet op de beroepsziekten; io°. bestrijding van de tuberculose; n°, oprichting van sanatoria; 12°. maatregelen tegen den woningnood, in bijzonder voor groote ge'zinnen; 130. erkenning van de vakvereenigingen van ambtenaren en salarisverbeteïing voor dezen.

Dank zij deze handige manoeuvre, aldus besluit de schrijver zijn onthullingen op dat punt, kan de Regeering rekenen op een stevige hulp en den toestand met meer vertrouwen onder de oogen • zien.” De redactie van „De Werkgever” vervolgt dan: Wij zullen de waarheid van dit laatste niet ontkennen en, ook al onthouden wij ons vaneen oordeel over de houding van het, thans afgetreden, kabinet inde woelige dagen van November 1918, wij moeten toch even vastleggen, dat de sociale wetten en maatregelen, waarmee ons volk sedert bedacht werd, dus niet zoozeer hun oorsprong hebben gevonden i ineen rijk wellende bron van sociaaiethisch, gevoel als wel in het feit, dat met de beloften daartoe de Regeering zich een zekerheid had gekocht tegen revolutionnaire aanslagen.” (Gecursiveerde van óns. Red. „Metaaibew.*’.) De waardeering dier wetten en maatregelen op zichzelf wordt hierdoor niet in groote mate beïnvloed, maar het heeft toch zijn onbetwistbaar nut, dat thans, zij het ook via een buitenlandsch auteur, het ware licht opgaat over de eigenlijke drijfveer, welke de regeering en Minister Aalberse bewogen heeft.” Op zichzelf beschouwd zijnde onthullingen, welke de heer Bousquet doet, voor ons niet zoo buitengewoon verrassend. Ook zonder diens wisten wij wel, dat de Regeering haar positie in 1918 afgekocht heeft met beloften en dat op die wijze de christelijke arbeiders belatafeld zijn. Van al die beloften is tenslotte weinig tot stand gekomen. De reactie was den toestand al heel spoedig meester en sedert dien zijnde beloften in ’t vergeetboek geraakt. We weten hoe ’t gegaan is met den 8-urendag en de z.g.n. Engelsche week. Van de laatste is eigenlijk voor de groote groepen van industriearbeiders nooit sprake geweest en zelfs de 48-urige werkweek wordt langzamerhand illusoir. De regeering doet er niets meer voor en laat alles aan den strijd der arbeiders zelf over. Het is, gezien de omstandigheden, eigenlijk niet anders te verwachten geweest. Een regeering die og dergelijke wijze door eigen vrienden wordt gedwongen om sociale maatregelen te treffen, is zoodanig een speelbal van de omstandigheden dat zij tot afbraak van eigen werk zeer wel te vinden is. Dat heeft ons de gesc{p„j„nis van de laatste maanden afdoende bewezen. Voor onze propaganda, vooral ook onder de bedrogen christelijke arbeiders, zijnde onthullingen van den heer Bousquet inderdaad van belang en we zijnde redactie van „De Werkgever” dankbaar dat zij deze ter kennis van haar lezerskring gebracht heeft.

Sluiten