Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

einde van 1918 de „vrede” wederkeerde, had het gros van de arbeiders gebrek aan alles. Kleeding, linnengoed, huisraad; het was alles óf reeds verdwenen, óf tot op den draad weggesleten. Dat betrof niet alleen bovenkleeding, maar .evengoed onderkleeding als bedverschooning. En dan moet n/en, zoo goed bekend met dat alles,, met al de ellende en het gebrek dat geleden is, zoo’n dame, die misschien god weet wat een heel klein beetje levenservaring heeft opgedaan, hooren gewagen yan arbeiders, die meer comfort hebben dan een vorst inde middeleeuwen. Mej. yan Dorp zal wel goed op de hoogte zijn met en heel veel studie gemaakt hebben van de staatshuishoudkunde. Nu moet ze alleen nog- maar eens les gaan nemen in de gewone en vooral inde arbeiders-huishoudkunde. En het beste 'lijkt het ons, als ze dan eens gaat „studeeren” bij de vrouw yan een metaalbewerker, die met het „vorstelijke” inkomen yan een 30 a 35 gulden het gezin moet besturen. Dat is dan tevens een schoone gelegenheid om eens te genieten van het comfort dat in zoo’n gezin wordt genoten. Mej. yan Dorp is geen middeleeuwsche ybrstin, maar wel is zij middeleeuwsch! Kleinzielige tegenwerking. ’t Gaat met onzen modernen bond de laatste maanden inden Gelderschen Achterhoek uitstekend. Niet minder dan een 3-tal nieuwe afdeelingen, te weten Gaanderen, Gendringen en Lobith, met tezamen een 150-tal leden, hebben we daar binnen een half jaar opgericht. Een ruim arbeidsveld met ongeveer 2500 metaalbewerkers ligt in deze omgeving nog voor ons klaar. Voorwaar de moeite dus wel waard. Dat ons organisatiewerk daar nu niet zoo gemakkelijk wordt gemaakt, hebben wij reeds meerdere malen vanaf deze plaats gemeld. In het bijzonder hielden bij onze eerste pogingen de R.-K. geestelijken een ware klopjacht op ons. Zaalafdrijving was hierbij een van de geijkte middelen. ’t Heeft echter niet mogen baten en gesteund dooreen flink aantal arbeiders, die onze beweging sympathiek waren, hebben we ons toch een behoorlijke plaats weten te veroveren. In het laatste bolwerk, n.l. Lobith, hebben we na heel veel moeite ook eindelijk een zaalhouder bereid gevonden ons voor vergaderingen van huishoudelijken aard zijn zaal, die nog wel vlak tegenover de groote scheepswerf der firma Bodewes gelegen is, af te staan. We hebben respect voor dezen man. Wie echter nu denkt dat we „boven Jan” zijn, is er naast. Zeker, het vertrouwen der metaalbewerkers winnen wij al meer en meer en reeds telt onze afd. Lobith een 75 leden. Onze bestuurders daar doen hun uiterste best en binnen niet al te langen tijd hopen we van de ruim 500 te Lobith werkzame metaalbewerkers de meerderheid bij ons georganiseerd te hebben. ~’t Kan verkeeren”, zei Brederode en terecht. Immers, voor een jaar terug hadden we daar een tweetal leden en de R.-K. en Chr. organisaties een 350, welk aantal thans tot een zielige 50 is ingekrompen. Het zal wel een oorzaak hebben en we verwedden er een lief ding om, dat die vele voomeen R.-K. en Chr. georganiseerden de lessen uit de laatste staking hebben getrokken. Intusschen is de kapelaan van Lobith weer op het oorlogspad getrokken, niet zoozeer om de afvallige leden Van den Roomschen Bond op hun oude plaats terug te brengen, dan wel om te voorkomen dat die arbeiders onder ons gehoor en tot onze organisatie zullen overgaan. Natuurlijk dat hiertoe het eerste middel weer is: zaalafdrijving. Bovengenoemde zaalhouder is opnieuw „bewogen” zijn zaal niet meer aan ons af te staan. Jammer voor den kapelaan dat hij slip heeft gevangen en deze zaalhouder vooralsnog een wat breeder standpunt inneemt dan deze geestelijke herder, die dooreen dergelijke daad ons tot tegenmaatregelen zou nopen, waarvan de bevolking ter plaatse schade zou ondervinden. Laat deze Eerwaarde toch bedenken, dat zeer veel modern georganiseerde varensgezellen regelmatig hun inkoopen doen in Lobith tijdens het oponthoud bij de douanecontrole. Wij huldigen deze tactiek niet en zullen slechts uit noodweer tot dergelijke middelen overgaan. We herinneren ons uit onze schooljaren altijd nog dat oude liedje : „Wij leven vrij, wij leven blij”. Later en ook thans weer blijkt ons, dat we nooit grooter leugen op toon gezet en begeleid met harmonische( ?) accoorden, in onzen Nederlandschen liederenbundel konden vinden. Maar a propos! We hebben binnenkort in Lobith ineen groote boerenschuur (je moet al wat doen om het „vrije” woord te voeren) een openbare vergadering. Misschien mogen we dan wel rekenen op

de komst van één der heeren uit het R.-K. of Chr. kamp, om ons eens duidelijk te maken, waarom de Moderne Bond tot eiken ! prijs hier geweerd wordt. 1 We beloven een tijdige aankondiging, I waar en wanneer die vergadering plaats vindt. Het lijkt ons echter vooralsnog maar het verstandigst, datum en plaats nog maar even voor ons te houden. Je kunt nooit weten! Intusschen, kameraden in Lobith en verdere plaatsen inden Achterhoek, bouwen we kalm en waardig onze organisatie verder uit in het belang der metaalbewerkers! H. W. Pro o entelijk overzicht van den zegelverkoop over de maand tort 1022. TOELICHTING: De achter de namen der verschillende afdeelingen geplaatste cijfers geven het aantal aan dat van elke 100 zegels in de verschillende klassen betaald is. Boven aan den staat vindt men in ieder vakje de waarde der verschillende zegels aangegeven. PERCENTAGE. t: ó d o d cj o u C o O O O O Q O O o O t- 00 O) ü 1 Alfen a/d Rijn 1 10 3 16 58 6 6 2 Alkmaar 47 1114 20 31 13 3 Almelo 9 9 13 13 26 24 6 4 Amersfoort; 1214 17 4 17 20 16 5 Amsterdam 13 44 8 1115 45 6 Apeldoorn 9 10 10 19 16 28 8 7 Arnhem 6 8 714 23 22 20 8 Assen 412 31 26 23 4 9 Baara ............. 6 6 8 10 21 33 16 10 Bedum 12 42 18 28 11 Bergen op Zoom ... 19 15 30 26 10 12 Beverwijk 8 12 16 17 18 29 13 Bildt, de 8 6 28 21 12 25 14 Bolnes 35 2 38 46 3 3 15 Borne 9 18 18 16 80 9 16 Breda 17 6 11 26 20 18 2 17 Brammen 29 1 9 Si 25 5 18 Bussum 77 6 41 19 20 19 Cappelle opd’Ussel. 37 12 19 45 9 5 20 Coevorden 17 15 48 20 —- 21 Culemborg 211 20 55 10 2 22 Dedemsvaart 15 58 8 19 23 Delft 6 4 6 11 31 23 19 24 Delfzijl 20 25 23 46 31 25 Deventer 1512 9 29 20 123 26 Dieren 19 9 15 41 9 34 27 Doesburg. 16 311 52 9 9 28 Dootinchem........ 9 3 13 38 87 29 Dordrecht... 9 7 6 17 30 21 10 30 Drachten 31 31 38 31 Edam _ 34 23 12 31 32 Ede 12 6 6 6 18 34 18 33 Enkhuizen. 3 18 4 24 27 24 34 Enschedé „. .... 7 9 12 21 19 26 6 35 Franeker ........... 7 20 73 36 Baanderen......... 1 6 5 82 6 37 G00r..... 32 33 28 7 38 Gorinchem .—..... 6 414 44 17 13 2 39 Gouda.... 5 13 9 22 29 10 12 40 Gouderak 117 15 31 124 41 Groningen......... 9 53 8 13 17 45 42 Haag, den ......... 112 4 8 13 17 45 43 Haar1em........... 15 6 6 15 21 19 18 44 Hardinxveld ........ 11 17 19 25 16 10 2 45 Hardingen........., 40 3 45 6 § 46 Hasselt ............ 10 65 25 47 Helder, den........ 8 20 21 14 23 14 48 H. I. Ambacht 1 21 35 26 152 49 Hengelo 37 8 18 30 30 4 50 ’s-HertogenboscU... 12 10 8 31 13 28 3 51 Hilversum 5 10 115 17 32 20 52 Hoogezand-Sap.meer 54 1227 42 6 4 53 Hoorn . 34 1111 63 53 54 Joure 13 10 20 15 32 10 55 Kampen 15 13 1411 22 17 8 56 Kinderdijk 34 6 26 49 111 57 Krimpen a/d Lek ~ s——4l 46 53 58 Krimpen a/d JJssel. 1 1 9 45 25 145 59 Kromm.-Wormerv. . 1 414 13 17 30 21 60 Leeuwarden 7 45 8 28 21 27 61 Lammer 24 9 10 57 62 Leiden..... 10 4 9 28 26 16 7 63 Lekkerkerk 6 3 13 41 28 9 64 Lobith 1 512 20 47 10 5 65 Maarssen 6 123 36 20 7 16 66 Maassluis 5 10 20 16 37 12 67 Maastricht ......... 1412 4 34 25 9 2 68 Meppel 23 26 21 13 152 69 Middelburg 511 11 24 21 24 4 70 Muiden 29 29 28 14 71 N. Lekkerland ..... 13 31 45 20 72 Nijmegen 14 9 414 2715 17 73 Olst 63 37 74 Oosterbeek 30 4 26 57 3 75 Oude Pekela 10 6 69 15 76 Oudewater 39 31 30 77 Papendrecht 1 10 7 36 36 10 – 78 Pernis, 75 515 59 45 79 Roermond 24 23 53 80 Ridderkerk 2 10 23 38 224 81 Rotterdam 8 34 6 22 25 32 82 Schiedam 9.6 45 24 21 31 83 Schoonhoven...*... 32 11 10 25 16 3 3 84 Sliedrecht 23 8 13 37 16 3 85 Smilde.... – 19 _ 81 88 Sneek 151 8 26 21 29 87 Souburg 57 21 157 88 Stadskanaal 11 6 53 30 89 Steenwij kV,,,...... 22 1233 H 1111 90 Tiel 1212 13 29 24 9 1 91 Tilburg ........ 77 4 18 80 23 11 92 Utrecht....... 155 4 17 21 19 19 93 Veendam 9 10 6 16 62 6 1 94 Veere.,............. 24 8 8 3 73 2 95 Velp 8 10 5 18 19 20 20 96 Vlaardingen 6 44 6 27 32 21 97 Vlissingen 12 24 29 277 1 98 V00rburg.......... 4 9 715 415 46 199 Wageningen 3 6 35 21 54 8 100 Weesp 511 6 10 22 29 17 101 Westerbroek 22 20 16 21 20 1 102 Winschoten 77 8 45 24 72 103 Wbubrugge........ 8 5 8 29 33 17 104 IJlst 3 8 40 44 5 105 IJmuiden .......... 9 1 44 12 10 60 106 IJsselmonde 153 17 26 39 107 Zaandam 6 4 6 16 15 23 30 108 Zaandijk 4 5 8 15 36 32 109 Zalfbommel—.... 9 20 6 38 19. 8 110 Zeist 28 112 12 28 10 9 111 Zuidbroek...; 51 14 21 14 112 Zutphen 11 21 515 20 23 5 113 Zw011e..., 9 1211 35 25 6 2 Verspreide leden... 10 5 10 10 23 42 Totaal gemiddeld 10 6 6 14 J2l 19 24

—— i——i"i Bij de cijfers. Onze Bondspenningmeester heeft zich 1 weer eens de moeite getroost een overzicht I samen te stellen nopens den zegelverkoop inde afdeelingen* Dit is nu de vierde maal dat een soortgelijk overzicht wordt gepubliceerd en steeds is geconstateerd kunnen worden dat er een verschuiving plaats had gevonden in de cijfers, welke de hoogere contributieklassen ten goede kwam. Hieronder volgt een overzicht waaruit deze stijging duidelijk blijkt: PERCENTAGE. E.4oct. 50 ct. 60 ct. 70 et. 80 ct. 90 ct. 100 ct. pCt. pCt. pCt. pCt. pCt. pCt. pCt. Aug. 1920 3 6 10 21 23 19 18 Febr. 1921 6 6 7 17 21 19 24 Aug. 1921 5 6 7 16 22 19 25 Mrt. 1922 10 6 6 14 21 19 24 Deze verschuiving naar de hoogere klassen heeft thans plaats gemaakt voor een verschuiving naar de lagere. Het zal iedereen, die de cijfers aandachtig beschouwd, onmiddellijk opvallen dat dit uitsluitend een gevolg is van de werkloosheid die onze industrie heeft getroffen. De daling, in vergelijking tof Augustus 1921, is als volgt: Zegels van 60 cents, daling 1 pCt. n i> 7° r> » 2 ~ ~ 80 ~ ~ I ~ Ii 11 100 „ ~ X ~ Totaal. . . 5 pCt. Hiertegenover staat een toename van de eenheidszegels (40 cents) van 5 op 10 pCt., dus eveneens precies 5 pCt. Op grond hiervan mogen wede conclusie trekken, dat de onderlinge verhouding van de cijfers niets is verslechterd tengevolge van minder plichtsgevoel bij onze leden, doch uitsluitend als gevolg van de crisis. Toch zal bij onderlinge vergelijking tusschen de onderscheidene afdeelingen een groot verschil opvallen, waaruit blijkt, dat er nog steeds afdeelingen zijn, die in vergelijking met anderen, een ongunstig beeld vertoonen. Daarom moet er ernstig gewerkt worden om de leden op hun plicht te wijzen. Vooral bij den grooten strijd, die achter ons ligt, zijn vele leden teleurgesteld wat de hoogte van hun uitkeering betrof. Dat was het noodwendig gevolg van hun te lage eontributie-betaling. Daarom kunnen we aan onze afdeelingsbesruren niet genoeg zeggen: „Dringt er bij de leden vooral op aan, dat zij betalen volgens hun inkomen. Daarmede wordt bij voorkomende gelegenheden veel onaangenaams vermeden en de leden kunnen dan ook niet met het argument aankomen, dat zij ~er niets van geweten hebben”» – ' Sfv! w Onze Taak. m, 11. Aan hef slof van ons eerste artikel stelden wijde vraag, Of de huidige en toekomstige economische verhoudingen aanleiding geven tot de vrees, bij velen te constateeren, dat’ onze strijd doelloos, uitzichtloos is. Wij gelooven dat dit zoo is, al meenen wij ook, dat slechts een gering deel zich rekenschap geeft van de beteekenis van de veranderde economische verhoudingen. De overgroote meerderheid van hen, die het vertrouwen verloren in onzen strijd, kwam niet in dezen toestand omdat zij de economie scherp ontleedde, maar wel, omdat de vakbeweging geen materieele voordeelen meer bracht, zelfs materieele verslechteringen niet kon keeren. Maar dit nu daargelaten. Wij kunnen ons indenken inde vrees die velen bezielt, dat het economisch aspect, dat de wereld biedt, dén strijd der arbeiders vruchteloos maakt. De maatschappelijke verarming, d.w.z. de schaarschte aan maatschappelijk kapitaal, is inderdaad niet gering en te verwonderen is het niet, dat er zijn die meenen dat er bïj de huidige economische constellatie geen ruimte meer is voor den vakbewegingsstrijd. Om voldoende duidelijk te leeren begrijpen, wat de oorlog en de na-oorlogsche toestand voor de wereld heeft beteekend, is het noodzakelijk, dat een ieder zich een duidelijk beeld stelt van wat wèl en wat géén maatschappelijk kapitaal is. Ten aanzien hiervan heerscht er zeer yeel verwarring. Velen zijn er, die onder maatschappelijk kapitaal verstaan, datgene, wat het wel het allerminst is, n.l. de talrijke papieren en andere in omloop 'zijnde betalingsmiddelen, die in stede van kapitaal te zijn, slechts kapitaal vertegenwoordigen. Velen meenen, dat, wanneer er maar voldoende van die betalingsmiddelen voorhanden zijn, Leiden uit last is. Ware dit zoo, dan zouden landen als Rusland, Duitschland, Oostenrijk e.a. in verhouding tot Nederland, welvarende landen zijn en elke verdere depreciatie van roebel, mark of kroon vermeerdering van welvaart beteekenen. Dit alles is echter juist andersom. • Voor den particulier moge het bezit’ van

dergelijke betalingsmiddelen rijkdom zijn, omdat het hem in staat stelt hiervoor een zekere portie werkelijk kapitaal in te ruilen, voor de maatschappij beteekenen zij niets, gaan ze allen tezamen inde kachel, zegt Prof. v. Gijn in zijn bekende brochure „Wat zal de naaste tijd brengen?”, dan is de maatschappij alleen wat bedrukt papier armer, maar niet armer aan kapitaal. Het kapitaal, waar ’t wel om gaat bij de voortbrenging van wat de menschheid noodig heeft, aldus v. Gijn, „dat kapitaal bestaat uit al de stoffelijke goederen, die de menschheid heeft, voor zoover ze niet zóó overtalrijk zijn, dat niemand er waarde aan hecht (lucht, licht, zee- en rivierwater enz.) Wie dat kapitaal, die stoffelijke rijkdommen bezit, en wie een vordering heeft op de bezitters van die rijkdommen, dat is uit het oogpunt van de productie slechts van bijkomstig belang; de hoofdzaak verreweg, is, hoeveel er is. Wat is dan nu de beteekenis van die rijkdommen, van dat kapitaal, voor de productie? De beteekenis is, dat de menschheid door de aanwezigheid van die goederen in staat is, veel rijkelijker voort te brengen, dan zij zou kunnen, indien zij eiken dag voor de behoeften van dien dag zelf werken moest, indien zij dus altijd langs den kortsten weg moest trachten te verkrijgen wat zij behoeft om te leven. Laat mij eens met een eenvoudig voorbeeld, aan Roscher ontleend, de rol van het kapitaal beschrijven. Een wilde vischt met zijn hand, hij vangt aldus eiken dag drie visschen, die hij voor , zich en zijn gezin be-, hoeft om den honger te stillen. Nu komt hij echter op het denkbeeld eenige dagen wat langer te visschen of wat minder te eten, en hij wordt daardoor in eenige dagen een voorraadje visch rijk, zeg b.v. negen visschen. Drie dagen lang kan hij nu het visschen achterwege laten, en hij heeft den tijd een eenvoudig net te maken, dat b.v, tien dagen lang dienst kan doen om dage-' lijks tien visschen te vangen. Met het werk van dertien dagen (drie voor het maken van het net, tien voor ’t gebruiken van het net totdat het pp is) verkrijgt hij nu tienmaal tien of honderd visschen, terwijl hij er dertig verbruikt in zijn tien vischdagen, en er dus 70 overhoudt. Hij heeft nu allen tijd om een paar nieuwe netten te maken en eeri boot wellicht, zoodat hij alweer gemakkelijker visschen vangen kan (misschien wel 20 stuks per dag). Zie, die wilde heeft, toen hij wat overwerkte of wat minder verbruikte, „kapitaal gevormd”, eerst inden vorm van negen visschen, welke hij later ineen net omzette, dat weer tot een grooteren voorraad visch leidde en tot meer netten en een boot. Hij is langs een omweg (net, boot, visch) gaan produceercu en zijn werk is, dank zij de kleine hoeveelheid rijkdom (9 die hij aanvankelijk opspaarde, steeds ruimer in opbrengst geworden”. Wij hopen hiermede voldoende duidelijk te hebben geschetst wat wèl en wat géén maatschappelijk kapitaal is. Eenmaal hiervan een goed begrip, zal het minder moeite kosten zich de geweldige economische beteekenis voor de wereld in te denken van den oorlog en de naweeën ervan. Gedurende een reeks van jaren is men bezig geweest, dat wat de wereld bezat aan' stoffelijke goederen, in koortsachtigen ijver kapot te maken en te vernietigen. Millioenen van krachtige voortbrengende mannen zijn een aantal jaren aan de productie onttrokken, om inden oorlog tegenover-* gestelden arbeid te doen, het vernietigen. Millioenen zijn er in dien oorlog gedood, millioenen voor hun leven invalide en tot eiken arbeid ongeschikt geworden. Die niet ten oorlog trokken, waren voor een niet gering deel werkzaam aan oorlogstuig, wat weer dienstig werd gemaakt aan de verdere ontreddering van de wereld. Voor milliarden aan schepen, dik wij Is met rijke ladingen bevracht, werden naar’ den bodem der zee gezonden. Niet geringer was het verlies aan fabrieken, machines,' gereedschappen enz. enz. Het afbeulen verder van machines, schepen, mijnen enz. enz., de roofbouw op de mijnen gepleegd, de vernietiging van gewéldig veel particuliere woningen en nog, zoo veel, zoo heel veel meer, het heeft het maatschappelijk kapitaal in hevige mate gedecimeerd. En alsof de oorlog zijn rol van alvernietiger niet naar behooren had vervuld, kwam het monsterverdrag van Versailles tot stand, hetwelk naar het woord van H. N. Brailsford op blz. 11 van zijn boek „Hoe redden wij Europa?” een vrede uitwerkte, die bestemd scheen den economischen dood van een half vasteland te doen voortduren. Men meene nu niet, dat deze verarming, deze geweldige vernietiging van maatschap, pelijk kapitaal van geen interesse is voor ons land, omdat binnen onze landsgrenzen de oorlog toch niet heeft gewoed. Voor hen, die door de gebeurtenissen van den laatsten tijd in ons land nog niet zijn wakker geschud, geldt het woord van Jan v.d. Tempel, op blz. 18 van zijn boek „Kapitaal en Volksinkomen”: „Maar meet niet naar den dag van heden uwe toekomstaf! Geleidelijk zal het tot ons doordringen, zullen wij met toenemende ontzetting bemerken, dat de welke Europa troffen^

Sluiten