Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de Afdeelingen. AMSTERDAM. Gemeentebureau voor Beroepskeuze. (Keizersgracht 650.) Aantal aanmeldingen van advies gedurende het 2e kwartaal 1925 : Jongens 987, meisjes 443, totaal 1430. Aantal verstrekte beroepsadviezen gedurende her 2e kwartaal 1925: Jongens 1536, meisjes 520, totaal 2056. Aantal verstrekte onderwijsadviezen gedurende het 2e kwartaal 1925 ; Jongens 546, meisjes 185, totaal 731. Bij de plaatsingsafdeeling voor jeugdig personeel (behoorende tot de Gem .-Arbeidsbeurs) lieten zich inschrijven : April 1925: 501 jongens, 185 meisjes; Mei 1925: jongens, 137 meisjes; Juni 1925: 527 jongens, 246 meisjes. Totaal 2e kwartaal 1925: 1475 jongens, 568 meisjes. Daarvan werden geplaatst; April 1925 : 268 jongens, 138 meisjes; Mei 1925: 213 jongens, 90 meisjes; Juni 1925: 228 jongens, 70 meisjes. Totaal 2c kwartaal 1925:77111 jongens, 298 meisjes. HAARLEM. Het ongeval bij Figee. In aansluiting op ons bericht van 14 dagen geleden zijn wij nu, na onderzoek van onze leden inde comm. van overleg, in staal het volgende te melden. Het ongeluk gebeurde aan den waterkant. Daardoor moest het slachtoffer in een bootje worden gelegd en is men toen tevens met hem naar den overkant gevaren den dokter tegemoet. Hierdoor was het contact tusschen dokter en verbandmiddelen verbroken en is men naar Conrad moeten gaan om verbandmiddelen. Onze commissieleden hebben de verbandkamer naar aanleiding van ’t geval nog eens extra geïnspecteerd en wij zijn in de gelegenheid te berichten dat zij een en ander in orde bevonden. In en om het Instituut voor Arbeidersontwikkeling. Hoe gaat het toch met het Instituut voor Arbeidersontwikkeling ? Deze vraag werd den laatsten tijd nogal eens tot ons gericht. Zij was voor ons het bewijs, dat men niet tevreden was met de mededeelingen omtrent het verhandelde inde vergaderingen , van het Centraal Bestuur, die tot dusverre >n de arbeiderspers zijn gepubliceerd, maar dat men wel wat meer van ons werk en de Voorloopige resultaten wilde weten. Graag komen wij aan dat verlangen tegemoet en wij waardeerén het, dat de redacties onzer arbeidersbladen ons daarvoor gastvrijheid verleenen. Hoe gaat het ? Wel, we kunnen gelukkig niet anders zeggen dan: ~De kleine groeit flink en maakt het best.” Men moet bedenken, dat, toen S.D.A.P. en N.V.V. het rapport der commissie (nog eenige exemplaren verkrijgbaar bij ~Ont Het harden van staal. IV. De base moet op de zooeven genoemde manier werken, daar anders, wanneer het mengsel niet op gelijkmatige wijze op het oppendak vastgehouden wordt, oxydatie zou optreden. De toevoeging van water dient om het mengsel gemakkelijker op het te harden voonverp te brengen. De mengverhoudingen van de base en het smeltbare zout kunnen voor het practisch gebruik binnen zekere grenzen verschillen ; ook kan men in plaats van chloorcalcium elke andere substantie gebruiken, die op dezelfde wijze werkt. Ten einde gemakkelijk kromtrekken of scheuren te voorkomen, kan men de volgende kunstgrepen toepassen : Kleine asjes, kamwieltjes, vormstukken, etc. worden met een niet te dik ijzerdraad omwonden, waardoor zij; zich om zoo te zeggen ineen bevinden, die deze voorwerpen uitstekend beschut tegen oververhitting, dus de verwarming gelijkmatiger maakt. Ook kan men gebruik maken vaneen stuk uitgehold houtskool, hetwelk dienst doet als koker, waarin het voorwerp zonder oververhitting of verbranding verwarmd wordt. Ronde, vlakke stukken kan men tusschen twee flenzen spannen, doch mogen deze natuurlijk niet geheel door de flenzen bedekt worden en moet de te harden omtrek geheel vrij blijven. Gaten, speciaal die met scherpe kanten, vult men op met leem, daar deze anders daar waar de doorsnede verandert, geniakkelijk zouden inscheuren. Dunne voorwerpen kan men ineen gasbuis in het vuur leggen; men dient dan 'erst de gasbuis vóór te warmen en deze

wikkeling”) hadden goedgekeurd, het Centraal Bestuur hadden samengesteld en de bezoldigde bestuurders hadden benoemd, het eigenlijke organisatorische werk van den grond moest worden opgebouwd. Immers, er was besloten, dat de ontwikkelingsarbeid plaatselijk zou geschieden, niet door Centrale Commissies voor Arbeidersontwikkeling, zooals tot dusverre, maar door Arbeidersontwikkelingsvereenigingen, waarbij degenen, die voor het werk gevoelden, zich persoonlijk als lid zouden hebben aan te sluiten en voor dat lidmaatschap dan een zekere contributie moesten betalen. Het heeft niet-ontbroken aan waarschuwende stemmen, die deze verandering allerminst een verbetering achtten en voorspelden, dat er niets van terecht zou komen .... Maarde beide congressen hadden gesproken en zich met den nieuwen organisatievorm vereénigd. Het eerste werk was dus het maken van een reglement en het oprichten van ontwikkelingsorganisaties. Er waren immers nog geen arbeidersontwikkelingsvereenigingen. Ja, toch, er waren er drie. Wormerveer, Middelburg en Amersfoort hadden niet op ons gewaclat. Nadat her rapport was verschenen en de conclusies door S.D.A.P, en N.V.V. waren goedgekeurd, hadden zé alvast een begin gemaakt. Inden afgeloopen winter namen ze met den nieuwen vorm een proef, die gelukkig slaagde. ~Ja”, zei de bestuurder uiteen dier drie plaatsen, een eenvoudig arbeider, ~ze wilden er eerst niet recht aan, maar toen ik het rapport gelezen had, begreep ik, dat het dien kant uit moest. We moeten de menschen zelf in het werk betrekken en hen voor den goeden gang van zaken verantwoordelijk stellen. Ik heb net zoolang aangehouden, tot ik op de huishoudelijke vergaderingen van de partij-, de vakafdeelingen en de Vrouwenclub de zaak uiteen mocht zetten en het heeft geholpen. De vereeniging is gesticht en kreeg langzaam vasten voet. De leden halen zelf de contributie op en het bezoek der cursussen en Zondagmorgen-bijeenkomsten is zoo groot, als we het hier nog geen enkelen winter gehad hebben. We hebben geen schuld en dezen zomer gaan we wandeltochten en excursies houden.” Dat was een goed begin. Wanneer in een kleine plaats als deze, waar de omstandigheden niet gunstig zijn, waar zelfs een vereeniging als ~Ons Huis” weigert haar vergaderzaal af te staan, omdat het werk van ons Instituut een kleur heeft, die haar niet bevalt, wanneer dan niettemin een behoorlijke deelname wordt verkregen, mag men voorloopig tevreden zijn. De ervaringen, die wij in die plaatsen opdeden, waar wij nieuwe organisaties stichtten, bevestigden onze meening, dat de niemve vorm voor het welslagen van het werk inderdaad noodzakelijk is. Wij bereiden het organisatiewede stelselmatig en rustig voor. gedurende de verhitting der werkstukken steeds rond te draaien. Fijne drilboortjes verwarmt men ineen gasvlam en steekt, de punt snel ineen aardappel. De punt eener boor kan men glashard maken door de boor eerst tot kersrood te verhitten, de punt in kwikzilver af te koelen en dan de boor in water te dompelen. Ook kan men de boor eerst koud ineen stuk lood slaan en wel 8 a 10 m.M. diep naar gelang der groote, waarop men haar tot de gewone hitte verwarmt en ze vervolgens wederom in het vooraf gemaakte gat steekt. Daarna keert men alles het ondersteboven en laat de boor zóó langzaam af koelen. Thans nog iets over de verschijnselen,’ welke zich voordoen bij onoordeelkundige behandeling van het staal in het vuur. Houdt den reeds eerder genoemden hoofdregel steeds vast n.1.: ~Verwarm zoo s' lijkmatig mogelijk!” Om de juiste temperatuur te vinden, moet ge het verhitte staal even in het donker houden en zien of het aan het einde opgloeit. Is dit het geval, dan kan het afgekoeld worden. Goed gehard staal bezit geen eigenlijke korrel, doch een fijne matglanzende breuk. Komen na de bewerking kantscheuren voor, die loodrecht op den kant staan en ten deele donkergekleurde zijvlakken vertoonen, dan is het staal verbrand; óók is het dan zéér broos. Desondanks is het zéér hard, ja dikwijls nog harder dan bij goede bewerking, vooral als het mangaan en silicium bevat, daar deze bij de verbranding een silicaat vormen van verbazende hardheid. De oorzaak van het verbranden is, dat het staal onder toetreding van de lucht te hoog verwarmd werd, waardoor de koolstof op grootere of geringe doorsnee.

Eerst komt gewoonlijk een inleidende bespreking met de plaatselijke besturen. Daar zetten we doel en middelen van het Instituut uiteen en beantwoorden allerlei Vragen en opmerking. Nog geen enkelen keer is het voorgekomen, dat de besturen zeiden: ~Ge hoeft niet terug te komen, want hier zal het niet gaan op deze wijze !” En we kwamen terug. Het Instituut deed met behulp der besturen aan alle aangesloten leden ter plaatse een circulaire toekomen, die een korte uiteenzetting bevat van ons doel, een oproep voor eendoor een onzer te houden oprichtingsvergadering en een strook voor degenen, die zich voor het lidmaatschap willen opgeven. Alle vergaderingen slaagden. ■ We begonnen in Schiedam met 60, in Arnhem met 100, in Delft met 50, in Dordrecht met 124, in Deventer met 40, in Haarlem met 100, in Den Haag met 200, in Sneek met 100, in Zutphen met 40, in Weesp met 40, in Breda met 40, in Almelo met 92, in Leeuwarden met 110 leden. Maar als de secretaris later kwam om de eerste huishoudelijke vergadering bij te wonen, dan bleek het ledental overal reeds sterk toegenomen, in vele gevallen verdubbeld of verdriedubbeld. Delft b.v. steeg van 50 tot 250, Den Haag van 200 tot bóven de 500 leden. De contributie wordt vaak vrijwillig verhoogd. In Dordrecht leverde een fabrieksarbeider op de eerste huishoudelijke vergadering een lijst met 60 door hem gewonnen nieuwe leden in. We hebben nu na korten tijd werken zestien afdeelingen met ruim 2000 leden. Bovendien zijn reeds een groot aantal oprichtingsvergaderingen vastgesteld. Telkens melden zich niemve plaatsen aan, die de voorbereiding eener afdeeling van het Instituut ter hand willen nemen. Nu echter de verkiezingen naderen en de stembusactie ons aller krachten vraagt, zetten we het oprichten van nieuwe afdeelingen stop. Ons werk moet de arbeidersbeweging dienen, mag haar niet inden weg staan. Maar in J li beginnen we weer met frisschen m <f% Mei 1925. P. V. De vakbeweging in Hongarije. (Uit ~De Vakbeweging”.) Er is bijna geen land, waar de moderne vakbeweging met zooveel moeilijkheden te knapen heeft gehad als Hongarije. Deze moeilijkheden zijn van verschillenden aard. Voor alles zijn het de ouderwetsche industrieele toestanden van het land. De Hongaarsche industrie ontwikkelde zich we! voor den oorlog, maar van de 20 millioen inwoners van het land waren er slechts 700.000 werkzaam inde industrie. Aan den anderen kant waren ook de politieke toestanden niet gunstig voor de ontwikkeling eener vakbeweging. diepte verloren ging en vervangen werd door zuurstof. Is het staal vóór het harden verbrand, dan heeft de breuk wel een normaal aanzien, doch blijven de kantscheuren bestaan. Wanneer de structuur na de bewerking grove kristallijnen vertoont en het staal, ofschoon normaal hard, dientengevolge broes is geworden. dan werd het oververhit. De oorzaak is, dat het staal wel te hoog verhit werd, maar niet zóó hoog, dat de vonken er af vlogen ; er heeft dan ook geen chemische, maar alleen een mechanische verandering plaats gehad. Hoe hooger het koolstofgehalte van het staal is, hoe gevoeliger dit voor oververhitting wordt. Is het daarbij nog phosphorhoudend, dan wordt de gevoeligheid nog vergroot. Indien gedurende het smeden oververhitting heeft plaats gehad, dan zal dit bij juiste verwarming bij het harden een zéér slechten invloed op het staal uitoefenen. Een scheur welke door het smeden of walsen ontstaat, zal steeds parallel met de lengte-as van het staal loopen en heet daarom langsscheur. Zij heeft zwarte gladde breukvlakken, welke veroorzaakt worden door de gloeispaanvorming in het vuur. Een hardscheur daarentegen kan in elke richting, dus óók parallel met de lengte-as van het staal loopen. De breukvlakken zijn echter licht en toonen duidelijk de korrel van het staal. Dikwijls zijn de scheurtjes zóó fijn, dat zij met het bloote oog niet te zien zijn. Om dergelijke fijne scheurtjes te ontdekken, bestrijkt men de oppervlakte der te onderzoeken voorwerpen met petroleum, wrijft ze vervolgens goed af en strooit er een fijn laagje poeder van krijt op. De petroleum, die inde fijnere scheurtjes is ingedrongen,

De oppervlakte van Hongarije bedroeg vóór den oorlog 325.041 K.M.2 Na den oorlog was ze nog slechts 92.926 K.M.2, met 8 millioen inwoners. Het verlies aan land bedraagt 71.5 pCt., aan inwoners 63.6 pCt. De bevolkingsdichtheid was vóór den oorlog 64.1, na den oorlog 85»7 per K.M.2 Het grootste deel der bevolking is momenteel nog inden landbouw werkzaam. Op het oogenblik zijn er niet minder dan 1.200.000 landarbeiders, die heelemaal geen bezittingen hebben. Het aantal dergenen, die althans nog iets bezitten, bedraagt 500.000. Deze cijfers geven een beeld van de Hongaarsche toestanden. Hongarije is een agrarisch land en de grootste landgoederen zijn in handen van enkele duizenden personen. In 1890 wilden de Hongaarsche arbeiders evenals dat in andere landen het geval was, vakvereenigingen stichten. De arbeidstoestanden waren toenmaals de slechtste die men zich denken kan. Inde meeste bedrijven gold de 12—13 urige arbeidsdag. De arbeidsloonen waren zoo laag, dat de arbeiders nauwelijks de allernoodzakelijkste levensmiddelen konden koopen. Het stichten van vakvereenigingen was echter niet zoo gemakkelijk. In Hongarije bestond geen wettelijk recht van vereeniging; het werd slechts door ministerieele verordeningen geregeld. Daarom moesten alle op te richten vereenigingen, voor zij met haar werkzaamheden konden beginnen, haar statuten overleggen aan den minister van Binnenlandsche Zaken. En alleen wanneer ‘deze de statuten goedkeurde, konden de vereenigingen met haar werk beginnen-Hoewel het volgens de jurisprudentie der Hongaarsche grondwet overbodig werd geoordeeld om het recht van vereeniging en vergadering ineen aparte wet te regelen, omdat het houden vaneen vergadering en de organisatie in vereenigingen een natuurlijk recht van iederen staatsburger werd geacht, werd door de practijk bewezen, dat de uitoefening van het recht van vereeniging en vergadering altijd geheel afhankelijk was van de willekeur van den in functie zijnden minister. De Hongaarsche arbeiders wilden, volgens een Congresbesluit, landelijke bonden stichten. In 1890 hadden de arbeiders van een groot aantal beroepen reeds hun statuten, welke in dien zin waren opgesteld, ingediend. Nadat zij twee a drie jaren vergeefs hadden gewacht op de goedkeuring, ontvingen zij eindelijk een schrijven, waarin gezegd werd, dat de minister landelijke bonden niet zou toestaan, maar dat hij, als de arbeiders plaatselijke vereenigingen wilden oprichten, de desbetreffende statuten zou goedkeuren. Den arbeiders bleef niets anders over dan zich te schikken naar den wil des ministers. Zij moesten wel, want anders werd het hun ónmogelijk gemaakt, zich te organiseeren. Zoo werden talrijke plaatselijke vereenigingen opgericht. Tien jaren lang kwijnde de organi-, satie der arbeiders in deze plaatselijke vereenigingen, welke veel te zwak waren om de belangen der werknemers te behartigen. Na tien jaar kwam een minister aan ’t bewind, die eindelijk de statuten der landelijke verbonden goedkeurde. Maar ook de wordt door het krijt opgezogen en vormt hierop donkere strepen, die de plaats en de groote der scheurtjes duidelijk kenbaar maken. Komt ineen beitel een hoefijzervormige hardingsscheur voor, waarvan de ronding naar de snede gekeerd is, dan is het staal oververhit aan de hoeken en waarschijnlijk de snede niet vloeiend genoeg gehard. Is de cirkel onzuiver, dan was de oververhitting niet voor beide hoeken gelijk. Door den vouw door te breken, kan men zich daarvan gemakkelijk overtuigen. Zijn van scherpkantige voorwerpen de hoeken oververhit, dan zullen deze van het compacte geheel afspringen. Dit is eveneens het geval bij punten en koppen van hamers. Heeft het staal zijn natuur min of méér verloren en is het dus week geworden, dan werd het bedorven. De oorzaak is, dat het bij normale smeedtemperatuur onder toetreding der lucht te vaak of te lang verhit werd, waardoor ook hier de koolstof op grootere of geringere diepte verloren ging en vervangen werd door zuurstof. Ook dit bedorven staal is grofkorrelig. Vertoont het staal een wit kantje op de breukvlakte, of is de breuk zéér ongelijkvormig, dan werd het staal te snel verhit, zoodat omzetting van carbidkool in hardingskool niet voldoende heeft plaats gehad. Dit zijn in hoofdzaak de voorkomende gebreken. De kleinere zult ge bij toepassing zelf wel ondervinden, echter zijnde bovengenoemde wel de mee§t voorkomende. Thans de tweede behandeling n.1.; Afkoelen of Harden. Als begin van dit hoofdstuk ’t allereerst weer een grondregel. Houdt dien vast, ook door dezen leidraad heen; „Koel zoo ge-

Sluiten