is toegevoegd aan uw favorieten.

De metaalbewerker; orgaan van de Metaalbewerkersbond in Nederland, jrg 33, 1926, no 13, 27-03-1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Duitsche scheepsbouw. De toestand inde Duitsche Scheepsbouwnijverheid is, blijkens een bericht in de „Nieuwe Rotterdammer Courant” van 11 Maart, buitengewoon slecht. De concurrentiemogelijkheid is afgenomen en inkrimping van de industrie wordt noodzakelijk geacht. Wij lazen het volgende: De toestand van de Duitsche scheepslK>«wnijverheid is, schrijft de Hamburgsche correspondent van de ~B. B. Ztg.”, ongunstig. Men heeft daar de laatste jaren een uitbreidingspolitiek gevolgd, welke er toe moest leiden, dat de orders voor nieuwen aanbouw op den duur bij lange na niet groot genoeg waren om alle werven aan het werk te houden. Orders van nieuwen aanbouw van 80 tot 100.000 ton zijn bij een capaciteit van 1 millioen br. reg. ton van weinig beteekenis. Zij beteekenen nog minder, als men bedenkt, dat eenige maanden geleden het aantal orders nog kleiner was dan inde afgeloopen maand. Om echter den toestand juist te beoordeelen, moet men geen rekening houden met de capaciteit. De Duitsche scheepsbouwn ij verheid moet zichzelf inkrimpen tot een levenskrachtige industrie van zoodanigen omvang, dat zij inde toekomst kan voldoen aan de behoeften van de Duitsche scheepvaart. In scheepsbouwkringen wordt deze noodzakelijkheid, naar de correspondent verder opmerkt, ook toegegeven. Houdt men nu rekening met de huidige grootte van de wereldscheepvaart en van den wereldscheepsbouw, dan blijkt, dat het aantal nieuwe orders vrij belangrijk is, niet alleen in Duitschland, maar ook in andere landen. Hieruit zou men tot gunstige gevolgtrekkingen kunnen komen. Het is echter zeer wel mogelijk, dat het groote aantal nieuwe bestellingen een voorbijgaand verschijnsel is, want het is niet aan te nemen, dat de crisis inde scheepvaart zoo ineens en zoo volkomen geëindigd zou zijn en dat er voor dein andere landen ook veel te sterk uitgebreide scheepsbouwindustrie inde toekomst ten volle emplooi te vinden zou zijn. Deze gevolgtrekking is weinig bevredigend,- doch zij vloeit voort uit den onnatuurlijken toestand, welke inden internationalen scheepsbouw heerscht. In bijna alle landen zijn tijdens en na den oorlog de werven in omvang en in aantal belangrijk toegenomen. De conjunctuur en de hooge prijzen voor nieuwen aanbouw oefenden een groote aantrekkingskracht op het kapitaal, hetwelk thans inde scheepsbouwnijverheid tamelijk wel braak ligt en geen kans heeft om zich zonder groot verlies er uit terug te trekken. Vandaar dat men overal poogt om liquidatie van werven te voorkomen en den afbraak van onrendabele of onbruikbare werven uitstelt. De gevolgen hiervan zijn een belemmering om spoedig tot een gezonden toestand terug te keeren, een kunstmatige verlenging van de crisis en een valschen schijn wat beterft den werkelijken toestand van den internationalen scheepsbouw. Hoe flinker het mes erin gezet wordt in alle landen, hoe beter, In Duitschland is de toestand bijzonder ongunstig. Behalve een te groote uitbreiding heeft ook de slechte algemeene toestand des lands invloed. In de Duitsche scheepsbouwnijverheid is de crisis het scherpst en zij dreigt het eerst ten offer te zullen vallen aan de internationale malaise op dit gebied. Hierdoor ontstaat het gevaar dat zij ten deele ook de gevolgen van de crisis in den scheepsbouw van andere landen zal moeten dragen, en Duitschland percentsgewijs tot grooter beperking van de scheepsbouwindustrie gedwongen zal worden dan andere landen. In vele landen wordt de scheepsbouw door den staat gesubsidieerd. Hierin ligt ook een belemmering voor het doorzieken van de crisis, daar ook op dit gebied de nationale voorkeur meer en meer op den voorgrond geschoven wordt en elk land er op bedacht is, de noodzakelijke inkrimping door anderen te laten bewerkstelligen. De Duitsche scheepsbouw bevindt zich, naar de schr. opmerkt, in dit opzicht zeker niet ineen sterke positie. Uiteen overzicht van de in 1925 op Duitsche werven te water gelaten schepen, in het „Hamburger Fremdenblatt”, blijkt dat 10 werven, welke elk meer dan 10.000 br. reg. ton hebben gebouwd, tezamen 54 schepen, metende 255.115 br. reg. ton, of meer dan 80 pCt. van dein totaal in Duitschland te water gelaten tonnage, voor hun rekening hebben genomen. Men ziet hieruit, welk een gering percentage er voor de kleine werven overblijft. In het begin van 1925 ging een aanzienlijk gedeelte van de nieuw gebouwde schepen naar het buitenland en wel 13, metende,

48.703 br. reg, ton naar Noorwegen, 4, metende 34.472 br. reg. ton naar Zweden, 4, metende 35.767 br. reg. ton naar Danzig, 3, metende 24.264 br. reg. ton naar Nederland, enz. De toestand is thans geheel veranderd. De voornaamste nieuwe orders komen bijna alle van Duitsche reederijen. De concurrentiemogelijkheid van de Duitsche werven is belangrijk verminderd. Het schijnt thans niet meer mogelijk om tegen Engeland te concurreeren. In elk geval kan worden vastgesteld, dat de Engelsche reederij, welke in 1925 de zooveel besproken order van 5 motorschepen aan de Deutsche Werft te Hamburg had gegeven, onlangs 4 dergelijke schepen in Engeland zelf heeft besteld. Tot zoover de berichten die van Duitsche zijde afkomstig zijn. Onze lezers zullen bemerken dat de toestand in ons land zeer gunstig afsteekt bij dien van Duitschland. Hier is inden scheepsbouw zoowel te Rotterdam als te Amsterdam behoorlijk werk. In Duitschland is, voornamelijk in de Oostzeeplaatsen, waar de scheepsbouw beoefend wordt, groote werkloosheid en de beste vaklieden van daar probeeren elders werkgelegenheid te bekomen. Ondanks de toestand bij ons veel gunstiger is, kan toch een zekere overeenkomst met dien in Duitschland niet ontkend worden. Te groote uitbreiding van sommige ondernemingen is ook ten onzent oorzaak, dat bij zoo goed als algeheele bezetting van de werven, soms nog met verlies of anderszins zonder of met onvoldoende winst gewerkt wordt. Dat deze toestand een slechte invloed op het loonpeil uitoefent, is buiten kijf. Ook hier is een teveel aan scheepsbouwgelegenheid, zoo goed als in Duitschland en liquidaties en afschrijving op aandelenkapitalen, die dringend noodig zijn, worden kunstmatig tegengehouden. Intusschen blijkt nu dat Duitschland geen ernstige concurrent voor ons land is, zoodat een beroep op den toestand aldaar, waarmee we inde laatste jaren nogal eens bestookt zijn geworden, niet langer ernstig behoeft te worden genomen. Het bericht, dat we hierboven afdrukten, is een bevestiging van ons standpunt dat de minder gunstige toestand inde scheepsbouwindustrie van internationalen aard is, die met verlaagde loonen en verlengden arbeidsduur niet is te verbeteren. Contractactie inde Verwarmingsindustrie. De bestaande collectieve arbeidsovereenkomst in bovengenoemde branche expireert 1 April a.s. Door de ledenvergaderingen inde betreffende afdeelingen zijn bereids een zeer groot aantal wijzigingsvoorstellen bij het bondsbestuur ingezonden. Op Zaterdag 20 Februari 1.1. is door de gedelegeerden-vergadering over deze voorstellen een nadere beslissing genomen en zijnde definitieve voorstellen geformuleerd. Alvorens deze voorstellen aan de werkgevers toe te zenden, zonden wij ze aan den R. K. Metaalbew. Bond, die ook partij is, met de vraag of hij zich op deze voorstellen kon vereenigen. Een nadere bespreking vloeide daaruit voort, waarbij bleek, dat de voorstellen, die deze bond wilde doen, hier en daar van de onze min of meer afweken. Na een paar uur daarover te hebben vergaderd, ten einde tot overeenstemming te geraken, deelde de bestuurder van den R.K. Bond mede, dat deze bond afzonderlijk zijn voorstellen zou indienen. Een mallere vertooning is moeilijk denkbaar dan wanneer er, zooals in dit geval, samenwerking, dus overeenstemming is, toch elk zijn eigen brief schrijft. Intusschen, de R. K. metaalbewerkers schijnen zoo iets nog goed te keuren. Na het voorgaande zullen onze lezers reeds begrepen hebben, dat wij van onzen kant geen prijs meer stelden op overeenstemming omtrent dein te dienen voorstellen. Door onzen bondsvoorzitter werd daarop medegedeeld, dat wij in dat geval onze eigen voorstellen zouden indienen. Dat is geschied en wij laten deze hieronder volgen : Aanvullingen en (of) wijzigingen Contract inde Verwarmingsindustrie. I°. Beneden den 18-jarigen leeftijd wordt niemand in het bedrijf toegelaten. 2°. Helpers zullen gedurende ten hoogste J 1 jaar in die functie werkzaam zijn. Na 1 dit jaar gaan ze automatisch over inde ■ functie van hulpmonteur. 1 3°. Het minimura-uurloon bedraagt voor: een helper ƒ 0.40, een hulpmonteur ƒ 0.55. , ■ een 2en monteur op 25-jar. leeft, ƒ 0.75. | ; een icn monteur ƒ 0.85. • 1

4°. Dat voor de betaling van Chr. feestdagen en vacantie een fonds wordt gevormd, waardoor de arbeiders beter dan tot nu toe verzekerd zijn. s°. Dat vastgesteld worden de grenzen der gemeenten, waarvoor verblijfkosten (koffiegeld) wordt vergoed. 60. Het kostgeld voor de hulpmonteurs wordt bepaald op ƒ 1.— per dag. 7°. Art. 10 zoodanig te wijzigen, dat men elke week naar huis kan reizen enz.; 1 uur afstand van station tot station. B°. Bij eventueele ongevallen, waarvoor krachtens de Ongevallenwet uitkeering wordt verstrekt, zal 10 % toeslag worden gegeven. 9°. In Art. 11 te wijzigen 6 in 10 en 12 in 20. io°. Dat overeengekomen wordt, dat bij uitbesteding van werk voor onder-aannemers dezelfde arbeidsvoorwaarden zullen gelden. ii°. Dat een permanente commissie wordt gevormd uit de contracteerende partijen, die direct kan optreden bij het ontstaan van geschillen. Inmiddels heeft de eerste conferentie met de werkgevers plaats gehad. Het bestuur van den Bond van Werkgevers inde Verwarmingsindustrie nam "tegenover alle voorstellen een gereserveerde houding aan. Zij zullen de voorstellen inde ledenvergadering brengen, waarna wij dus een nader antwoord wachtende zijn. Omdat niet te verwachten is dat vóór 1 April overeenstemming is verkregen, werd besloten den duur van de bestaande overeenkomst met één maand te verlengen. De verwarmingsmonteurs kunnen goed werk doen door inmiddels propaganda te maken en nieuwe leden te werven. Het kan noodig zijn! v. E. ___ Uit de Afdeelingen. ALPHEN AAN DEN RlJN7~Actië bij de firma Boot, Scheepsbouw en Motorenfabriek. Schreven wij eenigen tijd geleden over de actie Boot te Leiden, die als resultaat had dat de loonen met 3 en 2 cent per uur werden verhoogd, thans kan worden medegedeeld, dat door het optreden der samenwerkende organisaties ook voor de arbeiders, werkzaam bij de firma Boot te Alphen a.d. Rijn, bijna een gelijke verbetering inde arbeidsvoorwaarden is tot stand gekomen. Onze verzoeken aan de firma Boot te Alphen waren gelijk aan die bij de firma Boot te Leiden gesteld, omdat over het algemeen precies door de firma Boot te Alphen a.d. Rijn wordt gevolgd, hetgeen bij Boot te Leiden is tot stand gebracht. Inde bespreking, die te Alphen met de firma Boot werd gevoerd, bleek zeer sppedig dat de firma niet bereid was op de voorstellen van de organisaties in te gaan en dat zij zich in hoofdzaak wilde bepalen tot het geven van eenige centen loonsverhooging, daarbij nog in acht nemende, dat loonsverhooging voor hen, die meer dan 50 cent per uur verdienden, zou worden gegeven naar prestatie. Waar door de organisaties was gesteld een overeenkomst met de firma Boot te willen aangaan op den grondslag zooals die in Leiden was overeengekomen, konden de organisaties geen genoegen nemen met het voorstel van de firma Boot te Alphen en stelden zij zich bij een vernieuwde bespreking met de firma op het standpunt, dat de organisaties bereid waren aan een goede oplossing mede te werken, indien de firma Boot te Alphen bereid was hetzelfde in te voeren wat in Leiden is overeengekomen. Door de firma werd vooral bezwaar gemaakt tegen het betalen van 25 pCt. extra loon indien langer dan 48 uur wordt gewerkt en dat van vacantie geen sprake kon zijn. Hierbij werd zelfs de opmerking gemaakt, dat indien 25 pCt. voor de overuren moest worden betaald, dat dan in het vervolg zoo min mogelijk zal worden overgewerkt. Het spreekt vanzelf dat dit voor onze organisatie geen motief was om dan maarde 25 pCt. niet te handhaven. Het gaat er in hoofdzaak juist in onze organisatie om, het percentage zoo hoog mogelijk te stellen, om daarmee te bereiken, dat zoo min mogelijk de 48-urige werkweek wordt verprutst. Omtrent de vacantie wilde de firma geen enkele toezegging doen. Dat wil echter niet zeggen dat geen vacantie zal worden verstrekt. Er werd besloten, dat de organisaties daarop in Juni a.s. zouden terugkomen. Ten slotte verklaarde de firma zich bereid aan alle werklieden 2 en 3 cent loonsverhooging te zullen geven en dat voor de overuren 25 pCt. extra zal worden betaald. Verder was de firma Boot te Alphen genegen aan de arbeiders, die inde tweede ploeg moeten werken en des ’s middags om 3 uur moeten beginnen, na zes uur des avonds 5 pCt. extra loon te betalen.

Al moeten wij erkennen dat niet alles is bereikt wat wij als doel hadden gesteld, kan niet ontkend worden, dat het voor de arbeiders weer een kleine verbetering brengt inde bestaande arbeidsvoorwaarden. Wij zijn overtuigd, dat naarmate de organisatie meer kracht kan ontwikkelen, zij betere arbeidsvoorwaarden zal weten vast te stellen. Laten vooral de metaalbewerkers te Alphen nu eens toonen, dat zij zich bewust zijn, dat alleen door de kracht van de organisatie verbetering is te bereiken en dat zij zullen zorgen dat binnen den kortst mogelijken tijd onze organisatie in ledental toeneemt. Wij vertrouwen dat onze leden den tijd, die ons nog scheidt van Juni, zullen weten te benutten, opdat de organisatie dan voor het daarsteilen van vacantie des te krachtiger zal kunnen optreden. H. J. B. AMSTERDAM. De Gemeente-Arbeidsbeurs te Amsterdam (met inbegrip der met' het Gemeentebureau voor Beroepskeuze verbonden Jongelieden-afdeeling) boekte over de maand Februari 1926 voor het me-, taalbedrijf 2990 aanbiedingen van werknemers, 468 aanvragen van werkgevers en bracht 268 plaatsingen tot stand. Op ’t einde der maand stonden nog als niet geplaatst ingeschreven 2329 werkzoekenden tot genoemd bedrijf behoorend. * * ♦ „De Nieuwe Gedachte”. Zondag 28 Maart' des morgens half elf, bijeenkomst in ’t Centraal-Theater, Amstelstraat. Spreker: N. J. Pabon. Onderwerp; Het tragische sterven. * * * Religieus Socialistisch Verbond. Zondag 28 Maart 1926, des morgens om 10J uur, zal. in het Odd-Feilow-Huis, Keizersgracht 428, spreken Mr. M. J. A. Moltzer, Amsterdam. Onderwerp: „De proletarische ■wereldbeschouwing en haar tekort”. Muzikale medewerking: Mej. H. Gruys, viool; Mevr. de Maaré, piano. * * * Vrijdenkersvereeniging „De Dageraad”. Openbare bijeenkomst op Zondag 28 Maart a.s., ’s morgens ten 10 ure precies, in het | „Paleis voor Volksvlijt”. Spreker de heer A. L. Constandsc. Onderwerp: De wonderen van Mozes. DELFT. Wetsovertreding en handha* ving der wet. Reeds meerdere malen vestigden wij er in ons vakblad de aandacht op, dat in onze goede oude Prinsenstad werkgevers zijn, die op een eigenaardige manier wettelijke voorschriften en bepalingen nakomen. Het is nog niet genoeg dat er een zeker aantal uren door ook een zeker aantal arbeiders mag worden overgewerkt, neen er moet steeds maar meer bij, desnoods zonder bekomen toestemming. Zoo konden wij voor eenige weken terug | inde pers lezen, dat de Machinefabriek ~Reineveld” 24 verbaliseeringen had bekomen en door den rechter was veroordeeld tot even zoovele boeten a f 0.50. Typeerend was in dit geval dat er ar b eiders waren die voor zijn Edelachtbare verklaarden geen bezwaar te hebben om langer te werken. Wat te denken van zulke stumperds! . Maar geeft deze veroordeeling ons ook niet te denken ? Klasse-justitie bestaat er immers niet ? Dat bij zulke veroordeelingen de werkgevers zich niet af laten schrikken, kan ieder begrijpen en dat juist daardoor vele werkgevers de wet blijven saboteeren, is niet te verwonderen. Dagelijks kunnen overtredingen worden geconstateerd. Zaterdagsmiddags wordt er nog al eens bij de N. V. Pletterij v.h. L. I. Endhoven en Cie. overgewerkt, natuurlijk zonder vergunning. Zaterdag 23 Jan. werd aan deze onderneming des middags een inval gedaan door de arbeidsinspectie en werden ruim 50 verbalen opgemaakt.Het was ons toevallig ter oore gekomen dat er steeds maar overgewerkt werd zonder zich over de toestemming daarvoor te bekommeren. Onze berichtgever bleek goed ingelicht te zijn. Wij lieten dit geval bij de arbeidsinspectie bekend maken, met als gevolg, dat op last dezer autoriteiten des middags om half vier afgeblazen moest worden en de arbeiders twee voor twee het hek mochten verlaten, nadat eerst hun namen genoteerd waren. Zooals gezegd ruim 50 processen-verbaal werden opgemaakt. Wij zullen nu eens afwachten hoe de rechter deze onderneming zal veroordeelen. Plet is niet voor het eerst dat hier proces-verbaal is opgemaakt. Herhaaldelijk hebben wij er op gewezen en de arbeidsinspectie ervan in kennis gesteld. Het is nu maarte hopen dat de rechter ook recht zal doen, opdat aan deze schandelijke wetsverkrachting eindelijk een einde wordt gemaakt. Ook de Delftsche Machinefabriek aan den Haagweg heefet maling aan de wet-