Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35STE JAARGANG ZATERDAG 4 FEBRUARI 1928 No. 5

g ALCEWEEMEW MEDERLAHPSCHEW WETAALBEWERKERSBOWP | ABONNEMENT: AD JeRTENTIEN : ■ Voor Buitenland verhoogd met porto fl,s° B HEMOriXLAAhI 24 AMSTERDAM.! H ;; ; T "f'ƒo.2o I Aanvragen voor personeel ' 1 .’.’ 0.20 1

OPLAAG 28.600 Officiëele Mededeelingen. Deze week wordt het contributiezegel op de 5s week in het Bondsboekje geplakt. Wat buurvrouw vertelt De redacteur van het orgaan van den Christelijken Metaalbewerkersbond heeft in z’n blad van 28 Januari j.l. een stuk geschreven over eenige verbeteringen, die de Minister van Arbeid voor de werkloozenkas van den Christelijken Bon'd heeft goedgekeurd. De redacteur, tevens bondspenningmeeSter, verhaalt van den langen wég die is afgelpgd moeten worden om de gewenschte wijzigingen in het ‘reglement goedgekeurd te krijgen. Wij weten er van mee te praten en begrijpen dus volkomen zijn ontboezemingen. Hij geeft een overzicht van wat verbeterd is. Het verschil in uitkeering tusschen de / gemeenteklassen is geringer geworden, " maar het is de bedoeling van den Christel. Bond geweest om van die regeling van uitkeering naar gemeenteklassen geheel verlost te worden. Dat is intusschen niet gelukt en bij vermelding van dit betreurenswaardige feit voelt de redacteur zich genoopt het volgende te schrijven : „Hiermede willen wij niet zeggen, dat wij van meening zijn veranderd inzake algeheele opheffing van het verschil in de gemeenteklas-indeeling. Wij krijgen dat er echter alleen niet door en voorzoover ons bekend, wil de Alg. Metaalbewerkersbond' er niet van weten het verschil van uitkeering inde verschillende gemeenten op te heffen. Zou dat wèl het geval zijn, dan zou daartoe, zijn wij wel ingelicht, thans de mogelijkheid bestaan.” Ziezoo, het onkruid is uitgezet, de Alg. Bond fungeert als oorzaak van het feit, dat de leden inde lagere gemeenteklassen een geringere uitkeering ontvangen, ’t Zou wel lukken om van die Massificatie af te komen, maar zie je, de Alg. Bond wil niet meedoen en dus is die de schuld dat de Chr. Bond moet berusten. Is hier de wensch niet de vader der gedachte ? Voor zoover den heer Grotenhuis bekend, wil onze Bond er niet van weten, aan de klasse-indeeling een eind te maken. Hij heeft niet de moeite genomen even te telefoneeren en ons te vragen hoe wij er tegenover staan. Had de heer Grotenhuis, alvorens te schrijven wat hij dacht te weten, even geïnformeerd, dan zou hij precies geweten hebben hoe wij tegenover die zaak staan en wat wij zelf in verband daarmee gedaan hebben. Maar neen, ’t moest inde krant. Hij was zeker van z’n zaak en ’t was blijkbaar een te mooie gelegenheid onzen Bond in ’t openbaar in gebreke te stellen. De vlieger zal echter niet opgaan, waarde collega. Ter informate onzer leden releveeren wij het volgende : Op 13 Juli 1927 ontvingen wij van het Ministerie van Arbeid een schrijven van den volgenden inhoud:

’s-Gravenhage, 13 Juli 1927. Aan het Bestuur van den Alg. Nederl. Metaalbewerkersbond te Amsterdam. Gelijk u bekend is, wordt af en toe door de besturen van sommige werkloozenkassen erop aangedrongen, goed te vinden, dat ik een wijziging van het reglement in dien zin goedkeur, dat daaruit wordt- weggenomen de groepeering der uitkeeringsbedragen naar de gemeente, waar de verzekerde woonachtig is. Ik heb, gelijk u eveneens bekend is, tot dusverre tot zoodanige goedkeuring niet willen overgaan en ook thans nog sta ik op het standpunt, dat zulk een regeling uit meer dan één oogpunt voordeelen oplevert. Ik zou mij echter desondanks Wel gaarne een oordeel vormen omtrent de vraag, welke financieele gevolgen voor de onderscheidene w-erkloozenkassen, die hierbij betrokken zijn, een wijziging in het reglement voor de werkloozenkas, als ik hierboven bedoelde, zal veroorzaken, m.a.w. in welke mate procentsgewijze de jaarlijksche uitkeeringsbedragen vermoedelijk zullen stijgen. Gelijk vanzelf spreekt, hangt het antwoord op zoodanige vraag ervan af, welken maatstaf men als eenheidsuitkeef i n g zal aannemen, indien het drieërleiuitkeeringsbedrag verdwijnt., Ik noodig uw bestuur nu uit, mij zoo nauwkeurig en uitvoerig mogelijk, met cijfers toegelicht, te willen mededeelen, hoeveel vermoedelijk procentsgewijze het uitkeeringsbedrag voor de werkloozenkas zou stijgen, indien inplaats van drieërlei groepen van uitkeeringsbedragen als maatstaf werd aangenomen het uitkeeringsbedrag, dat thans geldt voor gemeenten der tweede klasse. Het komt mij voor, dat ik mij op die manier het best een oordeel zou kunnen vormen óver de finacieele gevolgen, hierboven bedoeld. Indien u meent daaraan te moeten toevoegen een mededeeling omtrent de stijging, indien men als toekomstig bedrag aanneemt het uitkeeringsbedrag, dat thans voor de gemeente der eerste klasse geldt, dan hebt u natuurlijk daartoe volkomen vrijheid. De Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid, Voor den Minister, de Secretaris-Generaal, (w.g.) A. A. SCHOPTEN. Uit dit schrijven blijkt, dat de Minister op 13 Juli nog altijd op het standpunt staat van behoud der klassificatie. Hij vraagt echter cijfers om de zaak te kunnen beoordeelen en verzoekt een berekening te maken waaruit kan blijken met hoeveel procent de kasuitgaven zouden stijgen indien alle uitkeeringen werden gebaseerd op de tweede gemeenteklasse. Er bij wordt vermeld dat de vrijheid gelaten wordt een zelfde berekening te maken op den grondslag van uitkeering volgens" de eerste gemeenteklasse. Aan een en ander is door ons bij schrijven van 25 Juli 1927-voldaan. Ofschoon de brief van respectabelen om vang is, zullen wij hem in dit geval geheel publiceeren.

Hij luidt als volgt: Amsterdam, 25 Juli 1927. Aan Zijn Excellentie den Minister van Arbeid te ’s Gravenhage. Excellentie, Ingevolge verzoek neergelegd in Uw schrijven van 13 Juli 1927, No. 894, leg ik U hierbij namens ons bestuur de gegevens voor welke U wenscht. De gegevens loopen over het geheele jaar 1926. Hoewel in 1927 eenige wijziging is gebracht inde uitkeering, maakt dit ten opzichte van de uitkomsten geen verschil, daar het Uw Excellentie toch om het percentage te doen is. Bij dit schrijven zijn gevoegd drie bijlagen, waarin de geheele uitkeering zoowel als bet aantal dagen in iedere klasse en in iedere gemeenteklasse nauwkeurig is omschreven. Samengevat komt dit op het volgende neer. De uitkeering aan werklooze leden inde: ie. gemeenteklasse bedroeg ƒ 371.577.00 2e. ~ ~ ~ 45.424.25 3e- „ ' ~ 19-7-21 -50 Totaal , , „ . ... . ƒ 440.022.75 Hierbij deze opmerking. Het werk e-lij k uitgekeerde bedrag is ƒ 438.397.73. Verschil ƒ 1.625.02. Dit kleine verschil ontstaat omdat de uitkeering gedaan ojd 52 Zaterdagen voor de kas wordt, gebracht, terwijl het aantal dagen in 1926 precies wordt genomen. Verder is van invloed dat rekening moet worden gehouden met 70 pCt. en bij gedeeltelijke werkloosheid ook niet steeds het volle bedrag wordt uitgekeerd. Ten einde echter een juist overzicht te krijgen, is de volle uitkeering genomen zooals het reglement aangeeft. B ij Ia g e 1 geeft het volgende beeld: Indien aan werkloozen inde eerste gemeenteklasse de uitkeering zou zijn verstrekt geldend voor de tweede gemeenteklasse, dan zou de uitkeering minder zijn geweest dan thans. Dit minder geeft bijlage 1 aan en bedraagt ƒ 39.582.30. B ij 1 age 2 wijst het volgende aan: Indien aan werkloozen inde derde gemeenteklasse de uitkeering zou zijn verstrekt geldend voor de tweede gemeenteklasse, dan zou de uitkeering meer zijn geweest dan thans. Dit meerdere geeft bijlage 2 aan en bedraagt ƒ 2.684.65. Wordt het meerdere van het mindere afgetrokken, dan blijft het verschil f 36.897.65. Conclusie: Indien er een uniforme uitkeering ware geweest op den grondslag van de tweede gemeenteklasse, dan zou niet zijn uitgekeerd ƒ 440.022.75, doch ƒ 36.897.65 minder of ƒ 403.125.10. Wat neerkomt op een mindere uitgave van pl.m. 8.4 pCt. B ij Ia g e 3 geeft een overzicht van de stijging der uitkeering, bedoeld inde slotalinea van Uw schrijven. Deze bijlage geeft precies aan wat zou zijn uitgekeerd indien er een uniforme uitkeering zou zijn geweest op den grondslag der eerste gemeenteklasse.

Dit komt hierop neer: Uitgekeerd zou zijn . , ;. ƒ 447.711.30 „ is . . . . . ~ 440.xx22.75 Verschil . . . . ƒ 7.688.55 Waaruit Uw Excellentie kan zien, dat, althans voor onze organisatie, de uitkeering naar drie gemeenteklassen van niet de geringste beteekenis is. Het lijkt iets, doch beteekent in wezen niets. Een geringe stijging of daling der werkloosheid brengt duizenden guldens verschil in één maand, terwijl het hier nog geen ƒ 8000 overeen geheel jaar bedraagt. Het volgende ter illustratie: Uitk. Maart 1927, 4 weken, ƒ 45.920.47 ~ Mei 1927, 4 ~ „ 23.x09.58 Het eenigste wat door de gemeenteklassen wordt bereikt, is dat men een geschoolden arbeider ineen derde gemeenteklasse met een loon van 35 gulden en meer, een uitkeering moest geven, althans in 1926, van ƒ 11.90 per week, wat neerkomt op 33 pCt. van zijn loon. Dat is toch zeker de bedoeling der werkloozenverzekering nooit geweest. Het zal derhalve ons bestuur zeer aangenaam zijn, indien Uw Excellentie kon besluiten ook dezen crisismaatregel (drie gemeenteklassen) finaal af te schaffen erf alle uitkeering te stellen op den grondslag der uitkeering inde eerste gemeenteklasse.. Opgemerkt zij hierbij nog, dat thans de leden inde tweede en derde gemeenteklasse dubbel worden getroffen doordat : ie. de werkgevers de loonen reeds vaststellen naar de drie of vier gemeenteklassen,- zoodat automatisch een arbeider ineen lagere klasse een lager loon ontvangt en 2e. dat ook de werkloozenverzekering denzelfden arbeider, die reeds ineen lagere contributieklasse volgens zijn loon betaalt, nog weer een lagere uitkeering doet toekomen. Vertrouwende hiermede aan Uw verzoek te hebben voldaan, teekent Hoogachtend, Voor het bestuur van de Kas varf den Alg. Ned. Met. Bew. Bond.; w.g. J. G. SIKKEMA Penningmeester* Ondanks de uitvoerige motiveering, verduidelijkt en toegelicht met cijfers, heeft de Minister nog niet kunnen besluiten de klassificatie op te heffen. Onze vriend Sikkema heeft berekend, zulks op de volledige gegevens van het jaar 1926, dat de kas nog geen f Sooo.— meer zou hebben moeten uitgeven indien in dat jaar de uitkeeringen allen zouden zijn geschied op de basis van de bedragen, geldend voor de ie Gemeenteklasse. Onze leden kunnen hieruit concludeeren dat onzerzijds Minister Slotemaker de Bruine duidelijk te verstaan gegeven is dat hij zoo spoedig mogelijk aan de classificatie een einde behoort te maken. En ook kunnen zij concludeeren dat de redacteur van ~De (chr.) Metaalbewerker” praatjes verkocht heeft. Buurvrouw is aan ’t kletsen geweest..*

Sluiten