Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stellen bij haar scherpsten concurrent, 'dan zou misschien blijken dat er inde hoogere regionen van de leiding meer duizenden guldens te bezuinigen zijn dan bij de werklieden tientallen. Laat deze directie bedenken dat wie de leiding wil hebben ook het vertrouwen noodig heeft en dat dit niet verkregen w'ordt door onnoodig harde maatregelen op de, zwaksten toegepast. In ’t gelid in ’t leger van den vrede. (J. H.) Ontwapening, staatspensioen, acht-urendag, vacantie, bedrijfsorganisatie en medezeggenschap. Ziedaar de eischen waarvoor de Nederlandsche arbeidersklasse op xó September zal demonstreeren. De ontwapening voorop! Waarom ? Omdat de permanente bewapening, die nog steeds aan de orde van den dag is, het allergrootste gevaar oplevert voor den beschavingsarbeid van onze beweging. Het militairisme is de gevaarlijkste uitlooper van het kapitalisme voor de arbeidersklasse. Brak dit monster onverhoopt weer los, dan stortte alles, dat tot op dat oogenblik met bovenmenschelijke kracht en omzichtigheid is veroverd en opgebouwd, weer ineen. De ontwapening is internationaal aan de orde, te Oenève inden Volkenbond, in aparte commissies voor ontwapening enz. Maar vorderen doet het vraagstuk niet!! Omdat de heerschende groepen uit de toonaangevende landen elkaar niet vertrouwen en daardoor onwillig zijn tot ontwapening. Omdat hetgeen Volkenbond genoemd wordt, nog lang geen Volkenbond is en er wel wordt gedebatteerd en gediscussieerd over ontwapening door de heerschers over de volken, maarde stem van de volken zelf komt daar niet tot haar recht. Steeds sterker moet dus ons zelf, door de arbeidersklasse, de eisch worden gesteld van Ontwapening! Staatspensioen voor oude arbeiders is nog pas geleden in ons parlement aan de orde geweest en door Sannes op uitmuntende wijze verdedigd. Met overgroote meerderheid werd het zeer billijke voorstel afgewezen. Pas als de stroom van onze moderne arbeidersbeweging aanzwelt tot een onweerstaanbare vloedgolf, zal in Nederland aan de oude arbeiders een bevredigend staatpensioen worden toegekend! De acht-urendag verkeert steeds in gevaar. Overtredingen bij de vleet en die lang niet voldoende worden gestraft. Bovendien behoeven wij metaalbewerkers ons maar alleen het standpunt van ~De Schel de "-directie voor den geest te stellen om te weten wat er zou gebeuren als de heeren het nog eens voor ’t zeggen hadden en onze organisatie eens niét die sterke burcht was, die zij voor de arbeiders inde metaalindustrie is. Groote -waakzaamheid en machtsontplooiing is ook hier geboden. Voor een sobere vacantie wordt reeds 18 weken verwoed door de loodgieters gestreden en ook door ’t personeel van ~De Schelde”. Groote offers worden door de arbeiders gebracht om een eisch ingewilligd te krijgen, waarvan de redelijkheid door ieder weldenkend mensch ten volle wordt beaamd. Bedrijfsorganisatie en medezeggenschap! Sterker, véél sterker zal onze beweging nog moeten worden, in getal en aan inzicht, vóórdat deze eischen door hen, die op ’t oogenblik in ’t economische leven alleenheerscher zijn, zullen worden ingewilligd. Om al deze dingen is ’t dringend noodig dat onze 16-September-betoogingen niet alleen spreken tot de bezittende klasse, maar ook tot onze mede-arbeiders, die onze rijen weer verlieten of tot heden verre van ons bleven. Tot de eerste moeten onze betoog! ngen zeggen, dat wij niet van plan zijn onze eischen op te bergen, maar dat wij er voor zullen weten te ijveren en te vechten tot zij volledig zijn ingewilligd. Tot de laatsten moeten wij zeggen, in deze beweging ligt het heil uwer toekomst besloten. Geeft hieraan uw hart, uw hand, uw daad! Kameraden, op 16 September; Omhoog het vaandel der gesmaden en met duizenden en tienduizenden er achter. Breekt tegenstand en sleur! (v. M.) Zeer treffend heeft Jan Rot met z’n ijsbreker het breken van tegenstand geschetst. Er zijn maar weinig platen door den Bond uitgegeven, die ’t zoo doen als deze. Telkens weer zie ik de menschen naar die plaat die stevig op den voorgevel van m’n huis geplakt zit opkijken en telkens is er minstens één van ’t gezelschap, die je de woorden hoort herhalen; ~Breekt tegenstand en sleur!” Wanneer ’t zoo is, moet je wel daaraan denken en moet je pp den duur de noodzaak wel gaan

gevoelen, steeds en steeds weer het werk der ijsbrekers te gaan verrichten, om de ijskorst te breken, óók onder eigen menschen. De steunbeweging is in vollen gang. ’t gaat goed hier, maar . . . ja, daar heb je de maren, het kon beter! . lederen keer wTeer, als je liet geld gaat halen bij de werkers van den Bond, bij die leden en vertrouwensieden, die altijd weer klaar staan om ’t vele werk te verrichten, hoor je klagen over Piet of Klaas die geen penningske willen bijdragen, maar óf onder ’t opsommen van heele reeksen bezw'aren óf onder ’t uiten van wel zeer flink klinkende, maar innerlijke zwakheid verradende termen zich er af maken. En dan denk ik weer vergeef dat ik vervelend wrord aan „Breekt tegenstand en sleur!” Zeker er kunnen vele moeilijkheden in een gezin zijn. Die moeilijkheden kunnen soms zóó groot zijn, dat ondanks vader werkt, er niets of , . . bijna niets af kan. Maar . . . men vergroot zoo vaak in eigen gedachten z’n moeilijkheden! Er is zooveel verschil in hoe men ’t opneemt, ’t Gebeurt dat je in gezinnen komt waar zeer weinig verdiend wordt, waar je zoo op ’t eerste gezicht zien kunt dat daar binnen gevochten wordt door moeder de vrouw, soms wanhopig gevochten, om de touwtjes aan elkaar te kunnen knoopen. Dan ben je bang de lijst te presenteeren, dan voel je je zelf een onwelkome gast. Met een bezwaard gemoed vraag je een bijdfage. Je zegt er zei al bij; zelfs de kleinste bijdrage is al goed en . . . dan ontvang je een bijdrage, die zelfs het gemiddelde overschrijdt en je ontvangt nog wat bemoedigende woorden er bij op den koop toe! Dan huppel je vergeef me die uitdrukking over straat, want die simpele daad van werkelijk offeren is zelfs ruim voldoende om je alle narigheden te doen vergeten, want daar in dit gezin, bij die leden leeft de solidariteitsgedachte, daar voel je den geest van kameraadschap en dan denk je, van zulke menschen zullen" we ’t moeten hebben inde andere maatschappij, waar we allen naar verlangen ! Eenigen tijd geleden was ik bij de Vlissingers. Ik had het genoegen er met den postenleider ’s morgens op uitte trekken om de fabriek aan te zien gaan en daar getuige te zijn van het binnenbrengen der „stakkers”. Geëscorteerd dooreen stel kozakken, die met een air van je welste hun productieven arbeid verrichten, ging er druppelsgewijze het niet strijdbare gedeelte der „Schelde"-werkers de poort binnen. Hun geheele houding alleen al wees uit, dat, ze innerlijk overtuigd waren van hun lafheid! Later op den dag zag ik de stakers in de „Willem Hl kazerne” die kazerne is nog nooit voor zoo’n goede zaak gebezigd hun intrek nemen, en nog steeds moet ik denken aan den prettigen, aangenamen geest, die van deze menschen uitging. Zeldzaam is het te zien, wat een moed, wat een opofferingsgezindheid en een innerlijke kracht er schuilt in die „Zeeuwen”, die eigenlijk voor ’t eerst de strijdbijl eens hebben opgenomen en goed ook! Wie den peren-uitdeelenden Jaap kent, die kent den geest der stakers: een van buitengewone kracht sprekende gemoedelijkheid. Kijkt, vrinden, als ik dan zoo’n lid aantref, dat bruutweg of smoesjesmakende, weigert iets te geven, zou ik hem wel aan z’n haren daarheen willen slepen om . . . glad genezen terug te komen! ’t Zou immers iemand niet mogelijk zijn niets meer te willen afstaan als ie slechts maar één oogenblik met die kerels mee gevoeld zou hebben de rechtvaardigheid, de harde noodzaak van hun titanenstrijd! In gemoede, duizend en één-grieven-opsommende-mopperende-klagende-over-lamlendigheid-en-laksheid-je-gegriefd-voelende -kameraad, ik wil een oogenblik al je grieven toegeven, maar . . . vertel me eens, sedert wanneer meen je zelf je eersten plicht te mogen verzaken, omdat (als ’t alles juist zou zijn) anderen ’t óók doen? Wat is daarop uw antwoord ? Kom vrind, laten we elkaar geen smoesjes wijs maken. Laat er wezen wat er wil, maar in geen enkel opzicht kan men zich beroepen op een ander bij ’t niet nakomen – van eigen plicht! En een zeer ernstigen plicht hebben wij thans te vervullen tegenover onze strijdende kameraden aan „De Schelde” en de loodg-ietersgezellen! Geen uitvluchten meer dus, geen jeremiades over van alles en nog wat, bespreekt i die, waar ze thuis höoren, maar niet bij de steuninzameling. Daar moeten kwartjes voor den dag komen ! De eerste inzameling is goed geweest, maar . . . ’t kan beter. Vooruit dus vrinden! Het gaat om ’t hoogste goed: ons recht op wat zonneschijn. „Breekt tegenstand en sleur!” Maakt het tot uw devies, óók bij deze steunbeweging J

Solidariteit is de beste deugd inden strijd der arbeidersklasse. Toont door regelmatig te teekenen op de lijsten van het N. V. V., dat inde moderne vakbeweging de solidariteit geen ijdele klank is. Vacantie op het platteland. (J. B. A. R.) Wie eenige jaren geleden over bovengenoemd onderwerp meende in de krant te moeten gaan schrijven, was met een dergelijke taak nogal gauw klaar. Er was n.l. tot voor eenige jaren terug, ook onder onze industrie-arbeiders op het platteland, van vacantie niets bekend. Na je schooljaren was het woord „vacantie” uit je woordenboek geschrapt en je wist van te voren dat tusschen Pinksteren en Kerstmis, indien geen ziekte of werkloosheid je deel zou worden, elke week, elke dag, hetzelfde beeld zou geven van en naar de fabriek enz. enz. En al scheen de zon nog zoo heerlijk, al zag je dagelijks de dames en heeren „der betere standen” in hun auto’s, plezierjachten en dergelijke, hun vacantie doorbrengen, jij had maar één taak, één ijzeren plicht, die loodzwaar op je drukte: naar de fabriek, werken, tobben, sjouwen, opdat „anderen” ongestoord van hun vacantie konden genieten. Al is het dan nog lang niet wat het moet en kan zijn, wij zijn toch vooruitgegaan, kunnen zelfs elk jaar vóoruitgang constateeren, al geldt ook hier de waarheid, dat zij, die het best georganiseerd zijn, de beste vacantie krijgen. Nemen wij b.v. de groote scheepswerf van v.d. Giessen te Krimpen a.d. IJssel. De vorige week hebben daar de bijna nooit rustende hamers gezwegen van Woensdagmiddag tot Maandagmorgen. Maar toch konden wij daar geen vooruitgang van de vacantie-idee bespeuren. ’t Vorige jaar n.l. kregen die arbeiders, na eendoor ons verspreid strooibiljet, dat nogal scherp gesteld wms, plotseling drie volle dagen vacantie, zonder dat zij er een cent voor hadden te betalen. Begin 1928 hield de directie een stemming onder haar personeel overeen voorstel om 3 pCt. van het loon af te doen houden, n.l. 2 pCt. voor de ziekenkas en 1 pCt. voor 1J vacantiedag per jaar en betaling der chr. feestdagen. Er was een niet onbelangrijk aantal tegenstemmers, maar men telden hen, die niet meestemden, onder de voorstemmers en achtte het voorstel toen als aangenomen. Aldus hadden deze arbeiders dit jaar een belangrijk bedrag aan die vacantie mee te betalen en over het tijdstip, waarop deze zou worden gegeven, niets mee te vertellen. De kleine machinefabriek v.h. C. v.d. Giessen, de werktuigenfabriek, geeft, indien mogelijk, zoo ongeveer wat de „groote werf” geeft. Dooreen samenloop van omstandigheden kon zij echter moeilijk aan die x pCt. komen. Wat was n.l. het geval ? Die arbeiders waren in ’t voorjaar van dit jaar al 3 pCt. gaan betalen voor hun ziekenkas, die met 2 pCt. niet bleek te kunnen bestaan. De directie kwam toen voor twee mogelijkheden; óf 4 pCt. te gaan heffen en dat zal zij wel niet hebben aangedurfd, óf geen vacantie en dan weet je van te voren, dan komt, evenals in ’t voorjaar, „die Bond” weer en je moet óf toegeven, óf je krijgt last met het personeel en dus, toch maar vacantie gegeven. Het personeel is echter, gezien het feit dat men toch 3 pCt. van het loon moet missen, er net zoo slecht aan toe als van de „groote werf”. Nemen wij er deze week nog bij de Bolnesmotorenfabriek te Krimpen a. d. Lek. De directeur de heer Joh. van Cappelle, paste ook nu weer het joude beproefde middel toe, n.l. hij ging inde week van 31 Augustus eens wat extra jammerklachten doen hooren inde fabriek tegenover zijn arbeiders. Als je hem gelooven wilde, nou dan legt die philanlropische directeur op eiken Bolnes-motor die de fabriek verlaat, een belangrijk bedrag toe. Je snapt wel niet dat hij dan toch maar blijft draaien, maar je weet als je een „naam” op te houden hebt, doe je er veel voor. Maar het doel werd bereikt. Het personeel kreeg den hal ven Koninginnedag en den Zaterdagmorgen, zonder dat het hun wat kostte, vrijaf. De arbeiders mochten zich dus wat gaan vergapen jxan een oranjeheibeltje hier of daar en de directeur kwam er ook dit jaar met een praatje en een koopje af. Maar. . . dan schiet ons weer een verhaaltje te binnen uit het oude boek over dat oude volk, dat rondzwierf inde woestijn. Enkele van hen mochten ’t eerst het beloofde land betreden en zij keerden terug met groote prachtige vruchten. ’t Was een mooi vruchtbaar land, waar men heentrok. Maar het oude verhaal ge-

waagt er van dat de toekomstige bewoners er voor hebben moeten strijden om dat beloofde land te bezitten. Welnu, al dwaalt dat personeel grootendeels ook nog inde woestijn rond, toch heeft het een kijkje gekregen in het be loofde land. Wij zijn bereid met hen te worstelen en te strijden om voor hen dat beloofde lam te veroveren, ondanks het feit dat de directie van de Bolnesmotorenfabriek op elke motor moet toeleggen. Een volgende week zullen wij van dt andere vacantie-gebeurtenissen iets vertellen. Stakers van „De Schelde’' op tournée. (A.A.) Reeds 13 weken hadden we gewandeld, gezwommen, inde duinen liggen blakeren, kortom alles gedaan om de stakersvertaling van onze Zeeuwsche wapenspreuk „Luctor et Emergo” waar te maken. Ter verduidelijking wil ik hier wel mededeelen, dat de vrije vertaling van deze wapenspreuk luidt: „Ik worstel en laat: mij bruin branden.” Dit leventje kon ons, afgezien van het financieele nadeel, best bekoren. Maar 13 weken is een lange tijd en dan ga je, al ben je staker, wel eens naar wat afwisseling verlangen. Dit bracht ons op het idee vaneen tocht dooreen mooi gedeelte van Nederland. Evenwel is bij ons de minister van financiën zoek en met een leege beurskom je niet ver. Doch geen nood; wie niet sterk is moet slim zijn. De fietsen zijn niet voor niets uitgevonden. Er werd dus besloten een fietstocht te organiseeren voor liefhebbers van den langen afstand. Zoo gezegd, zoo gedaan. Er werd duchtig spoed achter gezet, want we wilden van de heden nog gunstige weersomstandigheden zooveel mogeiijk profiteeren. Wij kregen een clubje van 9 personen bii elkaar, waaronder 2 dames. Alzoo stonden weden 23en Augustus gepakt en gezakt aan den weg om onzen tocht te aanvaarden. Voor logies was bij de kameraden in Breda, Nijmegen, Arnhem, Utrecht en Dordrecht gezorgd. Dus gingen wij met luchtig gemoed de komende dingen tegemoet. Wij zétten er vanaf ’t begin een stevig gangetje in en kwamen, flink door elkaar geschud door de hobbelige Zeeuwsche wegen, flink trarispïreerend', te Zoom aan. Daar hebben we 2 uur gerust en ons kuchje verorberd. Toen met bekwamen spoed naar Breda. We werden te Prinsenhage reeds opgewacht en zonder ongevallen Breda binnengeloodst. Hier vonden we heerlijk onderdak en konden we des nachts genieten vaneen verrukkelijk onweder. Zooiets komt natuurlijk juist van pas als je eens lekker uit wilt slapen van zoo’n tocht. ’s Anderen daags zouden we naar Nijmegen peddelen. We werden op „het rechte pad” gebracht door twee dames van Bredasche bondsleden, die ons uitgeleide deden. Onderweg hadden we last met een gebroken ketting. Wie schetst onze teleurstelling toen na de reparatie geen druppel water inden omtrek bleek aanwezig te zijn. Echter geen nood. We hebben toen onze handen maar met koude koffie gewasschen om een blank velletje te krijgen, We hadden voorts tot Nijmegen weg, wind en zon mede en kwamen via Den Bosch zonder verderen tegenslag te bestemder plaatse aan. Hier weer dezelfde joviale ontvangst als in Breda. We hebben hier 2 nachten bij de collega’s gelogeerd om de omstreken van Nijmegen eens te kunnen doorkruisen. Hadden wij echter kunnen vermoeden dat we zoo zouden moeten klimmen, dan hadden we vast een paar reservebeenen en wat adem medegenomen. Enfin, we kwamen toch nog levend in Nijmegen aan en hebben dien dag veel genoten van bosch, hei en schitterende vergezichten. De volgende etappe was, zooals we zeiden, „voor een kip”. Slechts 18 K.M. van Nijmegen naar Arnhem. Hier werden we verwelkomd door den hoofdbestuurder Walther, die ons den volgenden dag de omstreken van Arnhem heeft laten zien. Hier ook weer dezelfde gastvrije huisvesting. Den daarop volgenden dag hadden we Arnhem—Utrecht te trappen. Op dit deel van onzen tocht hadden we het geluk een lekken band te krijgen. Ik zeg geluk, want anders hadden we zeker nog wel een paar kilometers met honger verder gereden. Nu werd ’t oponthoud natuurlijk dankbaar benut om ons rantsoentje te verorberen, waarna er gerepareerd werd. Hier gelukkig geen koffiebad. Ook in Utrecht ondervonden we van alle zijden evenveel belangstelling van bestuur en leden. Het was grappig te zien hoe

Sluiten