Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36STE JAARGANG ZATERDAG 16 MAART 1929 No. II

jpBiPM fci" r agaii weekblad van den bcsss Ialcemeenen mederlamdschen metaalbewerkersbond I

ABONNEMENT: Bij vooruitbetaling per jaar ..... f t.50 || É Voor Buitenland verhoogd met porto H Losse nummers. t> 0.03 B

ïreKtcur™.VAN DER HOUVEM 1 ■ HEMOM/LAAM 2A AMSTERDAM.! |

AD VERTEN TIEN; | Gewone advertentiën .... per regel f 0.30 m Afdeelingsadvertentiën . . , „ „ „ 0.20 H Aanvragen voor personeel . . „ „ „ 0.20 B

OPLAAG 32.350 Officiëele Mededeelingen. Deze week wordt het contributiezegel op de He week in het Bondsboekje geplakt. Verdeeldheid, de schaduw der samenwerking. Onze Nederlandsche moderne vakbewe, ging heeft haar deuren wijd open gezet voor allen die den strijd voor betere sociale toestanden mee willen voeren. Allen, zonder onderscheid, zijn welkom en niemand is genoodzaakt zich aan een beginselverklaring te toetsen of te onderwerpen. Wij roepen de menschen voor den strijd zooals ze inde avonduren bij stroomen van honderd- en duizendtallen de fabrieken en werkplaatsen verlaten. Wij roepen de honderden en duizenden, die den geheelen dag voor een en hetzelfde doel tezamen gewerkt hebben in dienst van de kapitalistische productie. Bij stroomen gaan ze ’s morgens aan ’t werk, bij stroomen ook verlaten zij ’s avonds de plaats waar zij den geheelen dag tezamen geweest zijn. Maar geroepen om in één organisatie hun belangen te dienen, in één organisatie hun kracht en invloed te cöncentreeren, loopen ze eigenwijs elk een andere richting uit. ’t Is eigenlijk een gekke boel in ons land als we ’t goed beschouwen. De vele moeilijkheden, waarmede onze nog betrekkelijk jonge vakbeweging te kampen heeft, worden in niet geringe mate vergroot door de Verdeeldheid die haar kenmerkt. In tegenstelling met de saamhoorigheid die ’t kenmerk is van den arbeid, laten de arbeiders, althans een deel van hen, zich in allerlei bonden en bondjes onderbrengen. En als ze dat gedaan hebben, aldus hun kracht versplinterd, dan voelen ze heel erg de noodzaak van s-a-m-e-n-w-e-r-k-i-n-g. Eerst de normale goede samenwerking in één lichaam verijdelen en dan . j. . bidden in vele gevallen om tot . . . samenwerking te komen, ’t Is toch eigenlijk te dol om los te loopen. * ♦ ♦ In ons sectarisch landje behooren v-e-r-d-e-e-l-d-h-e-i-d en s-a-m-e-n-w-e-r-k-i-n-g bij elkander zooals de steel bij den hamer. De verdeeldheid is tot een tweede natuur geworden en daarmee de samenwerking evenzeer. Laat ons erkennen dat het inden regel met die samenwerking nogal gaat. Een beetje geven en nemen, elkanders gevoeligheden wat ontzien, dan loopt het wel. Ook de arbeiders, die in en met de verdeeldheid leven, weten wel dat zonder die samenwerking niets is te bereiken en dus is men we! genoodzaakt, al is ’t maar voor tijdelijk, de verdeeldheid buiten de deur te zetten. Zeker, men went aan de samenwerking ®n de minder principieele leden komen er daarvoor allicht toe „de verdeeldheid” in de vakbeweging niet zoo erg zwaar te laten Wegen. Men vergeet echter, dat ’t vaak heel wat Voeten inde aarde heeft alvorens alle beletselen voor zoo’n samenwerking zijn weggenomen en evenzeer wordt vergeten dat heel dikwijls aan ’t einde vaneen

actie moeilijkheden ontstaan juist omdat dan de verdeeldheid de samenwerking weer gaat overheerschen. Die min of meer door de omstandigheden geboden samenwerking wordt altijd gevolgd door de niet te ontloopen schaduw die verdeeldheid heet. Er is soms veel noodig om tot samenwerking te komen en soms ook . , . blijft de samenwerking uit. Daarvan hebben we dezer dagen een aardig staaltje ondervonden en wij willen dat nu eens openbaar maken. Voorop stellen wij, dat het niet in onze bedoeling ligt bepaalde personen of eenige organisatie in gebreke te stellen. Te Apeldoorn is voor het loodgieters- en fittersbedrijf een collectief contract afgesloten, Daarbij zijn onze Bond en de Christel. Bond partij. Het contract loopt van jaar tot jaar door, tenzij het tijdig dooreen der partijen wordt opgezegd. Onze leden-loodgieters waren ditmaal van oordeel, dat het contract moest worden opgezegd ten einde voorstellen te kunnen indienen voor een gunstiger vacant ieregeling. Er waren echter twee. bonden partij en dus was de medewerking van den Chr. Bond noodzakelijk. Goed, ook de Chr. Bond vergadert met zijn leden-loodgieters en, zijn wij goed ingelicht, dan adviseerde de bestuurder zijn leden zich met de opzegging accoord te verklaren. De christelijke loodgieters waren echter van oordeel, dat het contract niet moest worden opgezegd en namen dienovereenkomstig een besluit. Gevolg: er komt geen samenwerking tof stand want de Chr. Bond is tegen opzegging- Nu bedenke men hierbij, dat onze Bond daar ter plaatse een 30 leden-loodgieters omvat, terwijl de Chr. Bond er niet meer dan een 10-tal georganiseerd heeft. De 10 leden van den Chr. Bond beslissen in dit geval dat het contract niet wordt opgezegd, dat geen poging zal worden gedaan om een betere vacantieregeling te bereiken en onze 30 leden hebben zich nu eenvoudig naar die kleine minderheid te regelen. Waren deze loodgieters niet in twee verschillende bonden georganiseerd, dan zou bij een meerderheid van 30 tegen 10 het contract opgezegd zijn geworden. Wij hebben in dit geval geen aanleiding om den Chr. Bond in gebreke te stellen. Het bestuur heeft onder de gegeven omstandigheden de uitspraak zijner leden te eerbiedigen. Maar het geval op zichzelf krijgt daardoor geen gunstiger aanzien. Integendeel. Hier blijkt maar al te duidelijk hoe verderfelijk in sommige gevallen de verdeeldheid inde vakbeweging is. En nu houde men hierbij vooral in het oog, dat er geen enkel principe in ’t geding was. De vraag of het contract moest worden opgezegd om daardoor een andere vacantieregeling te kunnen voorstellen, heeft zoomin iets met principes te maken als de vraag of eèn bepaald stuk werk met den bout dan wel met de vlam gesoldeerd moet worden. ’t Is niet het eerste en ’t zal ook wel niet het laatste geval zijn waarbij de samenwerking door de verdeeldheid wordt verdrongen.

Maar wij vestigen er met nadruk de aandafcht op, dat steeds en altijd, wanneer het met eenige samenwerking verkeerd liep, nooit anders dan plat materialistische dingen de oorzaak waren. Wij ontrukken dit voorval aan de vergetelheid om onzen leden nog eens duidelijk voor oogen te houden, dat nooit berust moet worden inden toestand van heden, waarbij de arbeiders zich gescheiden organiseeren. Men make zichzelf nimmer wijs dat de kameraad, die zich verkeerd organiseert, een volwaardig organisatiernan is, wiens daad evenveel waarde heeft als van hen, die den eenen grooten algemeenen bond versterken. De religieuze bonden zijn van oordeel dat zich onder onze leden velen bevinden die eigenlijk bij hen hooren. Wij zijn overtuigd van het tegendeel. Wij weten dat er honderden zijn, die uit vrees voor familie of vrienden niet den moed hebben om de keuze van hart en verstand te volgen. Dezulken helpe men een overwinning op zichzelf te behalen, opdat zij breken met een gewoonte waardoor zij zichzelf en hun gansche klasse benadeelen. Waar de moderne arbeidersbeweging nog niets heelt kunnen „vergiftigen”. Ontegenzeggelijk is het dat overal waar de moderne arbeidersbeweging nog niet of onvoldoende is dóórgedrongen, de meest achterlijke toestanden bestaan. De beide Zuidelijke provinciën Brabant en Limburg zijn het meest sprekende getuigenis voor de waarheid van deze stelling. De menschen in deze gewesten staan in doorsnee genomen nog op een peil dat niet hoog genoeg reikt om hetgeen van ons uitgaat te kunnen omvatten. Onze beweging is gegroeid op den bodem van de grootere centra van menschen, waar het geestelijk leven van de massa meer wordt bevrucht door het nieuwe dat er leeft en opkomt. De R.K. beweging, die zich uit lijfsbehoud zoo sterk mogelijk isoleert, is tot nog toe niet in staat gebleken om daar waar zij het terrein beheerscht, dezelfde toestanden te scheppen als inde omgeving waar zij min of meer parasiteert op het radicalisme van die niet tot haar behooren. Dat zegt ons genoeg. Daar waar zij een vruchtbaren bodem heeft om haar idealen van het solidarisme tusschen de standen ,tot werkelijkheid te maken, demonstreert de R.K. beweging de grootst mogelijke onmacht. Zij vermag niet eens datgene te verwezenlijken wat elders onder onzen invloed tot stand kwam. Laat staan dat zij een schrede verder zou kunnen gaan. Een onzer Bredasche vrienden vertelt in dit nummer hoe uiterst conservatief ineen gemeente als Breda met de werkloozen wordt omgesprongen. Dat is in Breda, een stad waar allerlei invloeden het maatschappelijk leven beheerschen. Hoe moet het dan wel niet zijn op het platte land waar de arbeiders zoo goed als in ’t geheel niet met nieuwe denkbeelden in aanraking komen? Dezer dagen lazen wij in „Het Volk” een artikel vaneen der redacteuren, waarin ons een schets wordt geleverd van de

verhoudingen zooals hij die in ’t uiterste Zuiden van Brabant, vlak bij de Belgische grens heeft aangetroffen. Hij bracht n.l. een bezoek aan Budel, de eenige plaats in ons land waar zink ui! erts wordt getrokken. Wat hij over de toestanden en verhoudingen schrijft, wat hij er met oog en oor waarnam, is waardin grooter kring bekend te worden en daarom besloten wij het artikel ook in ons orgaan op te nemen. Onze menschen in fabriek en werkplaats moeten weten welke toestanden nog mog'elijk zijn ineen streek die niet door „het socialisme vergiftigd is”, zooals de geijkte term luidt. Zij kunnen er uit leeren dat daar waar onze beweging wel het „vergif” heeft gebracht, het levenspeil zoowel in materieel als in geestelijk opzicht torenhoog uitsteekt boven dat, wat de ~Volk”-redacteur beschreef en dat wij hier laten volgen. ♦ * * De eerste indruk is,, dat Budel een eenigszins eigenaardige, afgelegen plaats is voor de vestiging vaneen industrie, maar wie beter op de hoogte geraakt van den toestand, ziet dra in, dat deze plaats toch wel voordeelen heeft. Voor den fabrikant tenminste! De fabriek ligt op eenigen afstand van Budel, aan de Zuid-Willemsvaart, waar de schepen met ertsen ift een ruime haven kunnen lossen. Bovendien is de groote spoorlijn Eindhoven—Roermond en die naar Hamont, in België, vlak bij. Wat het transport betreft, ligt de fabriek dus wel gunstig. Bovendien: weinig plaatsen zijn er in ons land, waar een ondernemer een zoo volgzame arbeidersklasse voor zoo gering loon te zijner beschikking heeft. Toen wij, gewend den koninklijken weg te bewandelen, bij de directie van de zinkfabriek aanklopten en verzochten de fabriek te mogen zien, evenals zij dat had toegestaan aan den vertegenwoordiger vaneen katholiek blad, werd het ons botweg geweigerd. Men vreesde blijkbaar, dat wij met de arbeiders in aanraking zouden komen en poogde dat met allerlei drogredenen te verhinderen. Monsieur le Direkteur Dor, type van den Belgischen bezitter, liep er in het Fransch bij te mopperen én ried den man, die ons te woord stond, bij herhaling aan: „Zeg maar, dat wijde fabriek nooit laten zien!” Prompt werd deze raad opgevolgd, maar door ons natuurlijk met een verwijzing naar het artikel in het katholieke blad beantwoord. Toen volgde het slot-argument, tegen de bevalligheid waarvan wij niets inbrachteh, ook al, omdat het ons toch niets gegeven zou hebben: „Die katholieke krant heeft geen lezers en „Het Volk” wel!” Wij voelden neiging om voor dit brutale kompliment een buiging te maken . . . Wij keerden echter de fabriek den rug toe en gingen het door den fabrikant gebouwde dorp Place Dor in. Schamele woningen aan een hobbeljgen weg, huizen, hekken en tuinen overdekt tnet een vettige laag, die zich afzette uit den stinkenden, prikkelenden zinkdamp, die traag over de streek zich voortbewoog. Een groot gebouw leek ons een soort, logement en wij stapten dus maar eens

Sluiten