Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meenschapsin vloed (medezeggenschap van verbruikers en van staatsorganen) in de nog niet gesocialiseerde bedrijven zou hebben te brengen.” En inde inleiding wordt dan verder uiteengezet, dat de socialisatie een proces met verschillende phasen is met als eindelijke uitkomst: het socialisme, d.i. „de opheffing van den particulieren eigendom der productiemiddelen en hun overgang in maatschappelijken eigendom.” Verder wordt op blz. 20 van het Rapport over Bedrijfsorganisatie en Medezeggenschap van 1923 de vraag gesteld, of het mogelijk is op dit terrein aan de besluiten van den ondernemingsraad, aan de besluiten van de werknemersvertegenwoordiging meer dan adviseerende kracht toe te kennen. Het antwoord luidt, dat men te dezer zake goed zal doen maat te houden en de werkelijke verhouding goed in het oog te vatten. „Voorshands moeten de leden van den ondernemingsraad —aldus de commissie veelal nog als onbevoegd beschouwd worden om een beslissende stem te hebben daar, waar het de leiding van de onderneming betreft, waarin zij werkzaam zijn. Dat kan veranderen en een van de middelen en ongetwijfeld zelfs het krachtigste middel om dit te veranderen is hen over deze dingen te laten denken door althans hun oordeel te vragen. Zoo zullen zij ervaring opdoen, tot tijd en wijle komt, waarop hun medebèslissingsrecht kan worden toegekend. Voorloopig zal, voorzooveel de ondernemingsraad zelf betreft, met het geven van raadgevende bevoegdheid inzake de leiding moeten worden volstaan.” Bij ons bestaat dus niet de minste twijfel omtrent de verder liggende doeleinden (socialisatie en opheffing van het particulier bezit van de productiemiddelen) die u langs den weg van Medezeggenschap en mede-beslissingsrecht wenscht te bereiken. Wij zijn ons ten volle bewust, dat u een eventueele regeling van medezeggenschap,in den geest van de bij de N.V. „De Arbeiderspers” ingevoerde, evenals reeds zoovele andere maatregelen in afwachting van verdergaande zoudt aanvaarden. Van ons is evenwel geenerlei medewerking te verwachten voor uw streven om den particulieren eigendom der productiemiddelen op te heffen of door middel van een regeling van medezeggenschap of het recht tot medebeslissing het huidige maatschappelijke stelsel te ondergraven. Uit dien hoofde bestaat bij ons bezwaar over de mogelijkheid van verwezenlijking van den door de N.V. „De Arbeiderspers aanvaarden „vorm van medezeggenschap” in het door ons Verbond bestreken deel van het bedrijfsleven, van gedachten te wisselen.” Tot zoover het ondubbelzinnige maar daarom niet minder interessante antwoord van het Verbond van Nederlandsche Werkgevers. De heeren waren inde klem gezet. Dat wat van niet de minste beteekenis was, wat slechts namaak was van hetgeen ,Stork en Van Marken al veel vroeger gedaan hadden, is nu eensklaps een dreigend gevaar geworden voor het huidige maatschappelijke stelsel! Volgende week geven wijde repliek van het N.V.V.-bestuur. De V.A.R.A. Wijl ontvingen het gedrukte jaarverslag van de Vereeniging van Arbeiders Radio Amateurs, of korter gezegd, van de V.A.R.A. Het bevat tevens het omroeprapport. Welk een geweldig groot lichaam is onze V.A.R.A. ineen tijd van 5 jaren geworden ! Op 1 Januari 1926 telde de vereeniging 500 leden en 5 jaar later, op 1 Januari 1931, was dit gestegen tot 107.851. Hier is, zoo zouden- wij haast geneigd zijn te zeggen, een wonder geschied. Dat de V.A.R.A. zich een gevestigde plaats inde wereld van den radio-omroep veroverd heeft, zal vriend noch vijand kunnen betwisten. Zij is er en zij blijft, welke stormen ook over haar heen zouden gaan. In niet minder dan 348 afdeelingen vindt zij haar vertakking tot inde uiterste hoeken van ons land en haar orgaan „De Radio-Gids” gaat thans wekelijks in 110.000 exemplaren het land door. De moderne arbeidersbeweging heeft veel steun, vooral van moreelen aard, aan de V.A.R.A. verleend, maar daar staat tegenover, dat de V.A.R.A op haar beurt een krachtige steun voor de moderne arbeidersbeweging geweest is. Beide zijn met vele zichtbare en onzichtbare draden aan elkander verbonden. Zij deelen wederzijds lief en leed. Aan onze leden de taak om ook de V.A.R.A., onzen arbeidersomrocp, steeds te helpen bevorderen.

Historische ontwikkeling. (D. B.) Crisis, werkloosheid! Meer dan ooit treedt op den voorgrond hoe de burgeiijke verhoudingen, gebaseerd op het privaatbezit, te klein zijn geworden voor den vooruitgang van het moderne industrieele leven. Meer dan ooit toont de huidige depressie dat het tijd wordt, de noodzakelijkheid der wereldsgewijze productie met al haar consequenties te erkennen. (Stichting vaneen Europeeschen statenbond, invoering van bijvoorbeeld den dubbelen standaard met een daaraan verbonden Europeesche munteenheid). Deze geweldige vlucht van het huidige bedrijfsleven valt niet meer nationaal te regelen. Zelfs niet door trust- en kartelvorming. Ook niet door internationale samenwerking van het bankkapitaal, althans niet onder de burgerlijke verhoudingen. Deze maatregelen kunnen er alleen toe bijdragen, dat de bezitters der productiemiddelen een geweldige economische overmacht krijgen op de arbeiders. Denkt bijvoorbeeld aan Philips. Het is dan ook tijd dat de arbeidersklasse aan deze problemen de noodige aandacht gaat schenken en zich de vraag stelt, wat er tegen gedaan kan worden. Even een kort overzicht der huidige productie. Beginnen we met het bekende feit te constateeren, dat deze productiewijze chaotisch is, wat leidt tot het niet kennen van de koopkrachtige vraag der consumenten, zoodat men dus maar lukraak produceert. Hierbij rekent de ondernemer op ’t spel van vraag en aanbod, als zijnde het natuurlijke middel dat de productie in evenwicht zal houden. Dat dit echter niet zoo is, bewijst wel weer deze crisis. Met een enkel voorbeeld is dit dan ook wel duidelijk te maken. Letten wij slechts op het feit dat men de goederen als volgt indeelt: Goederen van de ie orde: onmiddellijk geschikt voor verbruik, kleeren, woonhuizen, voedingsmiddelen enz.; goederen van de 2e orde: om goederen van de eerste orde voort te brengen, machines, ovens, grondstoffen; goederen van de 3e orde: om goederen van de tweede orde voort te brengen, korenmolens, molens, grondstoffen, koren. Hier blijkt direct, dat slechts bij planmatige overzichtelijke productie de juiste verhoudingen dezer goederen behouden kunnen blijven. Wanneer we ons nu even herinneren dat men slechts voor de winst produceert, dan begrijpt men dadelijk dat deze verhouding verbroken wordt. Hierbij is het goed op te merken, dat de ondernemer bij de productie slechts de begeerten en de koopkracht van de markt der finaalgoederen (verbruiksgoederen) kan schatten en daarnaar in verband met den stand van het arbeidsloon, kapitaalrente, prijzen van grondstoffen enz., den omvang van zijn productie en den prijs van het finaalgoed kan en moet richten. Men zal dus begrijpen dat wanneer een crisis uitbreekt, als regel ingeluid dooreen beurscrisis als gevolg vaneen handelscrisis (hier ook het circulatiemiddel goud, zilver als een waar aan te zien), welke weer een gevolg is vaneen productiecrisis, wij in zoo’n crisis rekening hebben te houden met van den ondernemer, die in zijn bedrijfshuishouding rekening heeft te houden met den kostprijs zooals deze in normale, ja zelfs gunstige tijden geschat is (hooge loonen, hooge prijzen grondstoffen, hooge kapitaalrente enz.). Ik wees reeds op het feit, dat er slechts voor de winst geproduceerd wordt (nut min het offer).. Men begrijpt dus dat de ondernemer zijn productie zoo hoog moge-Hjk tracht op te voeren en, gezien het feit dat hij noch de begeerten noch de koopkracht der consumenten kent, het aanbod van den producent grooter zal zijn dan de koopkrachtige vraag van den consument. Dat wil dus niet zeggen, grooter dan de behoeften der consumenten, waardoor er een overschot ontstaat die verdere productie niet meer loonend maakt. Dit geldt inde eerste instantie natuurlijk niet voor alle bedrijfstakken, maar op den duur, gezien de wisselwerking tusschen deze, natuurlijk wel. Was het nu zoo dat de ondernemers de koopkrachtige vraag konden overzien, dan was het misschien mogelijk dat het aanbod zich bij de vraag zou aanpassen. Dit is echter niet zoo. ledere ondernemer werkt op eigen gelegenheid en voor eigen risico. leder tracht, bijvoorbeeld door reclame, zijn eigen productie zoo hoog mogelijk op te voeren. Bij de productie speelt nog een zeer ongunstige factor mee en wel, de speculatie. De speculanten onttrekken inde gunstige periode de goederen aan de markt om de prijzen op te jag’en, waardoor reeds hierdoor de ondernemers een verkeerden indruk krijgen van de koopkrachtige vraag. Daarbij doet zich ook nog het verschijnsel voor, dat vaak ten gevolge van schaarschte van ruilmiddelen, de waarde van het geld stijgt en dus de goederenprijzen dalen, wat pok den

indruk kan vestigen of er een verminderde vraag naar goederen is. Daarnaast werken er nog andere factoren die tot crisis leiden of kunnen leiden. B.v. instabiliteit der wisselkoersen. Wanneer bijvoorbeeld vele Nederlanders waren naar Duitschland hebben uitgevoerd, dan is er een groot aanbod van wissels op Berlijn te verwachten en daalt de wisselkoers. Wanverhouding tusschen vast en vlottend kapitaal. Verandering der ideeën door het voortschrijden der technische ontwikkeling inde economisch achterlijke landen, met als gevolg verlies van afzetgebied. Daarnaast kan nog genoemd worden, verschuiving inde machtsverhoudingen en de daardoor ontstane verandering van geestelijk inzicht, welke weer de politiek (regeling van staat, gemeente etc.) en de daardoor gewenschte verandering inde sociale wetging, beïnvloedt. Bijvoorbeeld en hier kom ik tot mijn eigenlijke doel. Het kleinburgerdom van de vorige eeuw, dat in dien tijd nog zoo’n belangrijke plaats innam in het maatschappelijk leven, is onder de werking van het hoog-kapitalisme veranderd ineen van haar afhankelijken winkeliersstand, die, gezien het feit dat de afzetmogelijkheden steeds verminderen, terwijl de expansiemogelijkheden van het moderne bedrijfsleven steeds toenemen, onverbiddelijk ten ondergang gedoemd is. Want waar men nu eenmaal bij deze productieregeling op winst ingesteld is, zal de winkeliersstand, economisch afhankelijk, verdrongen worden. Men zal de winst, die de tusschenhandel maakt, zelf willen opstrijken, met die „men” natuurlijk het groot-kapitaal bedoelende. Had deze winkeliersstand nu een juist inzicht inden historischen ontwikkelingsgang der maatschappij, vermoedelijk zou hij niet zooals nu, zich keeren tegen de moderne arbeidersbeweging, die opheffing van het privaatbezit eischt, als zijnde de eenige mogelijkheid om den menschen een bestaanszekerheid te verschaffen, maar tegen hen, die den winkeliersstand noodwendig inde proletarische klasse stoot, n.l. het groot-kapitaal, dat hen, als fascisten, gebruikt als stootram tegen de voortschrijdende democratie, wat toch hun ondergang niet verhoeden zal. Dit historisch inzicht ontbreekt hun echter niet alleen. Wanneer wij naar de arbeidersklasse zelf kijken, zien wij ook hier verschil van opvatting omtrent het maatschappelijk leven en wat daarmede nauw verbonden is. Wij zien hier naast de opvatting van de moderne arbeidersbeweging, het communisme, syndicalisme, anarchisme etc., terwijl daarnaast ook nog genoemd kunnen worden de room-katholieke en christelijk georiënteerde arbeiders, maar ineen ander verband. Een ieder zal begrijpen, dat deze verdeeldheid funest is voor den strijd der arbeidersklasse. Ook hier zouden bij een juisten kijk op den ontwikkelingsgang der economische verhoudingen snel deze verkeerde toestanden uit den weg geruimd kunnen worden. Letten wij om te beginnen, op de communistische propaganda, als uitvloeisel van de Russische revolutie, welke bij hen een zoodanige suggestieve werking uitoefent, dat zij niet zien hoe geheel anders in Rusland het maatschappelijk leven, gegroeid op de daar heerschende economische verhoudingen, was. Daar een absoluut koningschap (de wil den vorst is wet voor den onderdaan), daar geen groot-industrie met een daarmee samengaand sterk ondernemersdom, daar dus geen krachtige winkeliersstand, daar geen scheuring door godsdienstige vraagstukken, daar een arbeidersklasse nauwelijks ontrukt aan de lijfeigenschap, daar dus de mogelijkheid vaneen dictatuur opgelegd dooreen minderheid, gewild echter door de meerderheid. Omdat elke verandering daar een verbetering moest beteekenen. Daar een scherpe scheiding tusschen bezitters en niet-bezitters. In West-Europa een groot verschil in maatschappelijke positie van de uitgebuitenen (deze te zien als hen, die niet onafhankelijk aan het productieproces deelnemen), waarbij men heeft te bedenken, dat het verschil in maatschappelijke positie van de uitgebuitenen, althans voor de meest en, ook het verschil in revolutionnair sentiment bepaalt. Hier een verscheurde en verdeelde arbeidersklasse door utopische en godsdienstige stellingen. Dit te zien, doet ook begrijpen, dat wat daar mogelijk was en is, nog niet geldt voor West-Europa. Daarbij hebben we ook nog te letten op het feit, dat niet de vorm en de vorming vaneen nieuwe maatschappij afhangen van het gestelde zedelijk ideaal en zijn practische toepassing, maar van de stoffelijke voorwaarden die aanwezig zijn, zooals de techniek, het natuurlijk milieu, de voorouders, maatschappelijk milieu enz. Dit alles viel voor Rusland, behalve de techniek, in gunstigen zin uit, althans voor de toepassing der dictatuur, wat echter dus geen toeval is. Is in Rusland dus de dictatuur yermoedelijk de eenigst

mogelijke en misschien de eemge juiste manier om den Russischen arbeider en boer omhoog te voeren, zoowel stoffelijk als geestelijk, zeker is het, dat deze zelfde methode, hier gepropageerd, alleen zeggen wil, dat deze menschen geen juist begrip hebben van dat zelfde historische materialisme, dat ons leert uitte gaan van de stoffelijke voorwaarden. Daarbij vergeten zij bij deze strijdmethode want we zijn nog niet toe aan zijn practische toepassing plaats en omstandigheden. De eenigste verontschuldiging voor de scheuring "en dus verzwakking van de arbeidersklasse door deze menschen ligt in weinige ontwikkeling op dit terrein en de daardoor groote vatbaarheid der suggestieve werking der Russische revolutie (suggestie = de psychische dwang inden vorm vaneen objectief niet gerechtigde vooringenomenheid). Zoo is het ook gesteld met syndicalisten, anarchisten enz. Ook zij gaan niet uit van de voorwaarden die inde maatschappij aanwezig zijn, maar vaneen gesteld zedelijk ideaal zonder meer, wat hun geest zoodanig beïnvloedt, dat zij noch de historische ontwikkeling van het productieproces, met de daarmede gepaard gaande inzichten, kunnen volgen, noch in staat zijn practische maatregelen, gebaseerd op de werkelijkheid, te propageeren. Ware dit wel het geval, dan zou bijv. het N.A.S. in zijn brochure „25 jaar N.V.V.” niet schrijven: „Wij hebben het niet heerlijk ver gebracht”, want dit wil bij eenig nadenken zeggen : wij hebben de geestesgesteldheid der arbeiders niet begrepen. Dan zou het niet schrijven: „de vakbeweging is alleen goed om wat meer los te krijgen van den werkgever”, maar dan zou het erkennen en schrijven: „de vakbeweging strijdt niet alleen voor betere arbeidsvoorwaarden, maar geeft ook de scholing voor de taak die den arbeiders wacht onder het en voor het socialisme. Dan zou het niet schelden op de moderne vakbeweging, maar tot de erkenning komen, dat de arbeiders door de stichting van het N.V.V. uiteen toestand zijn gekomen, een toestand die voldoende geschetst is door de schrijvers uit die dagen, welke meening ook Kautsky in zijn voorwoord van het communistisch manifest nog als volgt stelt.- „Toen immers beschouwden nog de opvolgers der groote utopisten het proletariaat als een hulpelooze menigte, die slechts door de hoogere klassen kon worden bijgestaan, terwijl de revolutionnairen alles verwachten van het „volk”, d.i in werkelijkheid van kleine burgers en boeren, slechts als wier aanhangsel de loonarbeider verscheen, die geestelijk, maatschappelijk en dikwijls ook economisch van hen afhankelijk was.” Zien wij dan wat de moderne arbeidersbeweging (S.D.A.P. en N.V.V.) gebracht heeft, dan kan men niet anders dan erkennen, dat door het volgen van deze richtlijnen de arbeidersklasse, ondanks de tegenwerking van eigen klassegenooten, inderdaad wat bereikt heeft. Dan zou het erkennen, dat de strijd van het N.A.S. van vóór 1903 en de strijd van het N.A.S. van na 1903, een hopelooze is. Dan zou het om kort te zijn, zijn overbodigheid erkennen. Dan zou het in het stellen van zijn eischen letten op de machtsverhoudingen, die het succes van die eischen onderstrepen. Dan zou het zich aansluiten bij. de moderne vakbeweging. En waar zij) citeeren; „Maar gij verliet hen niet, standvastigheid, gij grootste en heerlijkste van alle krachten, die de kleine mensch bezit . . .”, uit „Heldensage” van H. Roland Holst, zoo wil ik iets citeeren uit „De groote oefening” van Konfucius (4 heilige boeken der Chineezen) en wel: „Liefde tot de menschheid zonder de liefde tot de studie, heeft tot gebrek de onwetendheid of de domheid. Liefde tot de wetenschap zonder de liefde tot de studie, heeft tot gebrek de onzekerheid of verlegenheid. Liefde tot de oprechtheid en getrouwheid zonder de liefde tot studie, heeft tot gebrek het bedrog. Liefde tot de rechtschapenheid, zonder de liefde tot de studie, heeft tot gebrek een onbezonnen vermetelheid. Liefde tot de standvastigheid en volharding zonder de liefde tot de studie, heeft tot gebrek de razernij of de gehechtheid aan een bepaalde gedachte.” Dit alles geldt ook voor de syndicalisten en wanneer zij schrijven in hun blad (No. 399 bovenaan de voorpagina) : „De kracht en het kunnen der arbeidersbeweging ligt inde hoofden en harten der arbeiders zelf”, dan is het ook hier de moderne arbeidersbeweging, die in haar V.A.R.A. het socialistisch woord verspreidt, die in haar coöperatie den strijd aanbindt tegen de monopolieprijzen van trusts en kartels, die in haar Instituut voor Arbeidersontwikkeling de arbeiders opwekt tot leering en dus tot inzicht om inderdaad te komen tot de kracht en het kunnen der arbeidersbeweging ligt inde hoofden en harten der arbeiders zelf. Dan zouden ook de syndicalisten zich practisch instellen op de vraagstukken en niet den eisch stellen van den 6-urendag,

Sluiten