Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(van wie er een aantal' geen voile weken of niet geregeld werkten), tegen bijna 20.300 aan het eind van 1929. Onder de bedrijfstakken, waar een over het geheel meer en meer ongunstige verhouding viel te constateeren tusschen de orders en de productiecapaciteit nemende machinefabricage, ijzergieterijen en de fabricage van constructiewerken een eerste plaats in (het werken met ingekrompen bedrijf werd gaandeweg meer regel dan uitzondering), wat niet zal verwonderen als men bedenkt dat deze branches in groote mate afhankelijk zijn van de welvaart in andere bedrijven (verschillende o.a. zeer in het bijzonder van de gang van zaken bij de suikerindustrie, petroleumindustrie, tinwinning enz. in Ned.-Indië). Bij het hoogovenbedrijf is wel geregeld op volle capaciteit (2 ovens) gewerkt, maar wegens de belangrijke mindere vraag naar ruw-ijzer dan verleden jaar was de productie zelfs tegen sterk verlaagde prijzen moei lijker te plaatsen dan toen, zoodat de voorraden toenamen. Inde verslagen over de gloeilampenen radio-industrie komt tot uitdrukking, dat de gang van zaken stond in het teeken van de ongunstiger geworden conjunctuur. Na de buitengewone expansie inde laatste jaren wras de lijn der werkgelegenheid in 1930 sterk in' neerwaartsche richting gebogen, waarbij in het oog is te houden dat daarbij ook reorganisatie, verdere mechaniseering en selectie onder het personeel ter besparing op de productiekosten een niet onbelangrijke rol hebben gespeeld (de personeelsterkte bij het grootste bedrijf is van ruim 22.000 tegen het einde van 1929 gaandeweg verminderd tot ruim 19.000 aan het eind van 1930). Ziedaar lezers, het totaal beeld zooals bet ons door de redactie van het „Maandschrift” wordt geteekend. Verandering’ ten goede, althans voor de op export aangewezen industrie, is in ons land nog niet te zien en inde scheeps- • bouw, voor ons van zoo buitengewoon groot belang, is het uitzicht evenmin florissant. Maar inde scheepvaart komt wat opleving en dat, gevoegd bij de berichten die ons uit Amerika bereiken, zijn toch lichtpunten aan de donkere economische hemel. Laat ons er het beste van hopen.

De contradictie in het loodgietersbedrijf. Overeenstemming bereikt. (v. E.) De onderhandelingen met de combinatie van werkgevers uit het lood-

-L . ——— De tragedie vaneen vrijwilliger. Door HEINRICH WANDT. De nummers 2 tot en met 6 van de loopende jaargang van de „Metallarbeiter-Zeitung”, het weekblad van de Duitsche Metaalbewerkersbond, bevatte in zijn bijlage „Familie und Heim”, d.i. „Familie en Huis” een soort feuilleton, getiteld: „Die Tragödie eines patriotisohen Kriegsfreiwilligen”. Daarin wordt ons de ellende geschetst welke een jonge Duitsche vrijwilliger tijdens de groote wereldoorlog heeft beleefd en het verhaalt ons de wijze, waarop zÂ’n jonge leven tenslotte gewelddadig aan een einde kwam. Vriend P. van Eek had het gelezen en hij was het die voor vertaling zorgde en het ons deed toekomen met de vraag of we Â’t niet iets vonden om als feuilleton in ons blad op te nemen. Na lezing konden wij zijn vraag toestemmend beantwoorden en heden maken wij met opname een begin. Waarschijnlijk zullen wij het in drie nummers van ons blad kunnen opnemen. DE REDACTEUR. * + ♦ I. Georgc Niederlender werd 12 September 1893 te Saareinsmingen in Lotharingen geboren. Hij was de zoon van streng-katholieke ouders en het tweede van vier kinderen, waaronder twee meisjes. Jan, dè oudste zoon, zou later op de molen komen en George, die een bijzonder verstandige jongen was, bezocht eerst de Hoogere Burgerschool te Saargemünd, de dichtsbijzijnde stad en kwam later op zijn wensch op kantoor. Geen offer was zijn ouders te groot om hem het beroep te laten leeren waarvoor hij ambitie had. Als kind al speelde hij het liefst soldaatje en nu streefde hij met al zijn kunnen er naar om zoo spoedig mogelijk

gietersbedrijf zijn ten einde en hebben tot overeenstemming geleid. Het contract wordt voor één jaar afgesloten, aanvangende i Maart 1931 tot 29 Februari 1932. De vacantie wordt van 4 dagen op een volle week gebracht. Ofschoon we voor het contractjaar geen uitbreiding van de vacantie konden verkrijgen, zijn we er toch in geslaagd de week vacantie te veroveren, zij het dan ook met een overgangsbepaling. Dit jaar blijf de vacantie 4 dagen, in 1932 wordt die op 5 dagen en in 1933 op een volle week gebracht. Dit is een mooi succes, hetwelk nu door onderhandeling is verkregen kunnen worden. Er komt een fonds voor vacantie en feestdagen. Aan een kleine commissie is opgedragen de redactie voor het contract uitte werken. Deze commissie is tevens belast met het ontwerpen vaneen plan voor het fonds waaruit voortaan de vacantie en de feestdagen betaald zullen worden. Op vorengenoemde basis is tusschen partijen overeenstemming verkregen en ten slotte door de ledenvergaderingen wederkeerig aanvaard. Van werkgeverszijde ontvingen wij onderstaande brief. „Mijne Heeren, Hiermede hebben wijde eer U te berichten, dat inde door ons gehouden is besloten, het Collectief Contract, zooals dit in onze laatste bespreking is voorbereid, te aanvaarden. Dit contract zal dus worden aangevuld, behoudens met enkele redactiewijzigingen, met de toevoeging van de navolgende bepalingen, „dat deze overeenkomst wordt afgesloten voor den tijdsduur van één jaar, met de toezegging onzerzijds dat bij de afsluiting van het volgend contract, dus over het jaar 1931—1932, de nu geldende vacantie zal worden uitgebreid met één dag en voor het jaar 1932—1933 deze vacantie zal worden gebracht op een volle week, terwijl nog nader zal worden vastgesteld, een regeling tot zekerstelling van uitbetaling van vacantiedagen en Christelijke feestdagen, welke niet vallen op een Zondag.” Wij zullen U zoo spoedig mogelijk dit contract ter teekening toezenden. Voor de Combinatie der ie klas Gemeenten, w.g. D. v.d. LAAN, Secretaris.” Hierin is officieel de afspraak vastgelegd omtrent uitbreiding van de vacantie voor de jaren 1932 en 1933. De enkele pessimist, die niet voldoende vertrouwen in toezeggingen had, moge hierdoor gerustgesteld zijn. ♦

reserve-officier te worden, net als de broers van zijn moeder. En zoo kwam het, dat hij al heel jong tot de jeugdafdeeling van de „Saareinsminger vereeniging van oudstrijders” behoorde. De voorzitter dezer vereeniging prees hem als volgt: „George Niederlender heb ik als een echte Duitsche jongeling met de beste patriottische gevoelens leeren kennen en waardeeren. Zijn gedrag was altijd onberispelijk en hij verstond ook de kunst zich overal vrienden te veroveren.” pP. \ April 1914 werd hij als eenjarig vrijwilliger bij de 5e compagnie van het Pruisische Infanterieregiment Nr. 132 te Strassburg ingedeeld. George was een gezellige, hartelijke jongen, blond, blauwe oogen, vroolijk en levenslustig, maar erg driftig. Nooit klaagde hij, niets was hem te veel, al was het wel eens afbeulen van de zijde der opleidings-officieren, wat hij evenals alle recruten uitte staan had. Hij wou zoo graag een goede Duitsche soldaat en officier worden en daarom dwong hij zich, wanneer een al te ruwe superieur zijn eergevoel te zeer beleedigde, altijd weer tot kalmte met de spreuk: ~Nur die Ruhe kann es bringen.” (Slechts kalmte kan het brengen.) In die tijd leerde hij zijn meisje kennen, de verloving volgde en in zijn fantasie zag hij op zijn naamkaartje al het ~L. d. R.” inde hoek staan (d.w.z. Luitenant van de Reserve), destijds een zeer begeerde titel in Duitschland. Toen kwam de oorlog en wat eerst soldaatje spelen was, werd bloedige ernst. Hij meldde zich direct vrijwillig aan het front en zoowrel de zware gevechten inde Vogezen en Boven-Elzas, als de verschrikkelijke dagen bij Yperen, waar de mannen in massa de dood vonden, maakte hij mee. In het voorjaar 1915 kwam hij gew’ond

Rest nu te zorgen dat de vastgestelde arbeidsvoorwaarden ten volle worden nagekomen. Dit geldt speciaal bij ongeorganiseerde werkgevers, die alle stuk voor stuk het contract individueel moeten teekenen. Dat brengt in de practijk heel wat bezwaren mede, die bij het in werking treden van het fonds wel niet geringer zullen zijn. Het is te wenschen dat de wet op de bmdendverklanng van de collectieve contracten spoedig in werking zal treden. * Zoodra de regelen voor het ,,fonds” zijn vastgesteld, hopen we hierop nog nader terug te komen. De Leerlingregeling te Rotterdam.1) De heer J. de Kanter, secretaris van de Vereeniging voor Leerlingopleiding te Rotterdam, heeft in een aantal artikelen in ,,Jeugd en Beroep” een uiteenzetting gegeven van het werk van deze Vereeniging. Hij heeft een enthousiaste omschrijving gegeven van het doel en de middelen van deze Vereeniging en de leerlingopleiding in de werkplaatsen. Wij konden van hem dan ook niets anders verwachten. De heer De K. is heilig overtuigd, dat deze vorm van vakopleiding goed is en zelfs onder de gegeven omstandigheden niet beter kan. Aan het einde van zijn beschouwingen heeft hij zijn tegenstanders een veeg uit de pan gegeven en hun zure en meesmuilende opmerkingen verweten, die eigenlijk ten doel hebben de opleiding verdacht te maken omdat zij van de werkgevers komt. Wij weten niet of wij ook bij deze categorie van criticasters zijn ingedeeld; echter op gevaar af daarbij terecht te komen, willen wij wel zeggen reeds van het begin af aan bezwaren te hebben gehad tegen deze opzet van de Rotterdamsche ondernemingen, bezwaren die zelfs door zeer vooraanstaanden in die vereeniging niet alle grond ontzegd werden. Deze hadden echter niets te maken met de reden hierboven door de heer De Kanter genoemd. Wij willen wel zeggen, om niet misverstaan te worden, dat wij het daadwerkelijk aanpakken van de leerlingopleiding door de Rotterdamsche metaalindustrieelen om het feit zelf hebben toegejuicht. Hier werd door een aantal groote en kleinere ondernemingen, die er de middelen en de gelegenheid voor hadden, weliswaar niet uit altruïstische overwegingen of met het doel de opvoeding van de jonge mensch te dienen, maar daarom niet minder doch misschien wel met meer resultaat voor de jongens in de industrie, aangepakt. 1) Dit artikel is door onze vriend Oosterhoorn geschreven in „Jeugd en Beroep”, orgaan der Vereeniging tot bevordering der voorlichting bij Beroepskeuze. Met zijn toestemming nemen wij het ook in ons blad op.

in. het hospitaal te Gent en vandaar mocht hij vier weken met verlof. Hij was intusschen bevorderd en had nu, omdat ook zijn _ zenuwen erg geleden hadden, als opleidings-korporaal bij het ie recrutendepót van het ie reserve-bataillon te Strassburg kunnen blijven. Maar hij meende, als toekomstig officier, zich niet aan de gevaren van de oorlog te mogen onttrekken en daarom meldde hij zich, ondanks de dringende smeekbeden van zijn ouders om toch te wachten tot hij op bevel van zijn superieuren naar het front geroepen zou worden, direct weer vrijwillig bij zijn regiment, dat met de 39e infanterie-divisie voor het felbetwiste Yperen in het gevecht stond. Wegens zijn dapper gedrag werd hem het ijzeren kruis tweede klas toegekend en het divisiecommando stuurde hem naar de officierencursus. Deze werd in het najaar 1915 inde mooie stad Kortrijk gehouden. De hartelijke opdrachten, die de andere deelnemers en ook de officieren ter herinnering aan deze driemaandelijksche leertijd onder hun foto’s schreven, waren een bewijs hoe bemind deze altijd bescheiden en levenslustige jonge man zich bij kameraden en meerderen gemaakt had. legen het einde van het daarop volgende jaar werd hij voor herstel naar een sanatorium te Fürth gestuurd wegens ernstige zenuwstoornis tengevolge van het volhouden ineen wekenlang durend trommelvuur van de zijde der Engelschen. Na zijn herstel werd hij overgeplaatst naar een reservebataillon. Zijn zenuwen hadden zulk een zware schok gehad, dat het al zijn vrienden en kennissen, toen hij vier weken verlof had, was opgevallen. ».Zijn gedrag was tijdens zijn verlof nog veel zenuwachtiger dan vroeger”, luidde het ambtelijke bericht van de heer Heilig, burgemeester te Saareinsmingen, opgevraagd door hét Keizerlijke Districtsbestuur te Saargemünd inzake het onderzoek over Niederlenders gedrag.

Dit was in ieder geval een belangrijke stap vooruit bij de toestand die vóór die tijd bestond. De ambachtsschool is nu eenmaal niet door iedere jongen, die inde metaalindustrie een vak moet leeren, te volgen. Uit een onderzoek daaromtrent ingesteld, zouden van de geschoolde arbeiders inde machine- en scheepsbouw slechts 5 pCt. een ambachtsschool gevolgd hebben" Inde Rotterdamsche metaalbedrijven werd reeds voordat de nu sinds eenige jaren bestaande Vereeniging voor Leerlingopleiding werd opgericht, dooreen aantal ondernemingen leerlingopleiding in eigen werkplaatsen toegepast. Anderen deden er echter in ’t geheel niets aan en er waren er zelfs die geen jongens beneden de 18 jaar aannamen en dus wat de vakopleiding aangaat het geheel op hun collega’s lieten aankomen. De kleinere ondernemingen inde omtrek van Rotterdam hebben heel wat vaklieden opgeleid voor de toenemende vraag naar fabrieks- en werfpersoneel en de hoogere loonen hebben een tijdlang in deze behoefte van de groote stad kunnen voorzien. De eischen echter die aan de scholing van de arbeiders moeten worden gesteld om mee te kunnen inde razende vaart waartoe de ondernemingen gedwongen zijn bij de boüw van machines en schepen, die wanneer de teekeningen gereed zijn in alle onderdeden gelijk worden aangepakt en binnen de korst mogelijke tijd in elkander gepast en afgeleverd moeten worden, hebben de ondernemers ook voor leerlingopleiding tot elkander gebracht. Tot zoover hebben wijde feiten te aanvaarden en hebben wij geen verschil over de gekozen vorm, n.l. de opleiding van leerlingen inde werkplaatsen en leerscholen van de ondernemingen. De uitvoering, de organisatie en de opzet van deze leerlingopleiding hebben onze bewondering echter niet. Onze bezwaren komen niet voort uit naijver om het genomen initiatief, want dat juichen wij toe. Ook niet uit zuurheid, bemoeizucht of betweterij. De heer De Kanter zal ons ten goede moeten houden, dat wij niet meer in stomme bewondering opzien naar wat door de werkgevers wordt gedaan. De ervaring heeft ons en naar wij mogen aannemen ook een groot deel van de werkgevers en leiders van de ondernemingen, wel geleerd, dat veel wat voorheen uitsluitend en alleen tot het terrein van de bemoeiing van de werkgever behoorde, die het alleen wist en wiens natuurlijke roeping en taak het was regelend en bevelend op te treden, thans door hem met vele, zelfs heel gewone arbeiders uit de fabriek of vertegenwoordigers van de vakvereenigingen, wordt gedeeld en tot aller tevredenheid werkt. Zelfs zóó dat de ergste tegenstanders van dergelijke inmenging van „derden” er niet meer aan denken het anders te doen. Wij hebben direct gezegd en er op aan-

Zijn bezorgde ouders vroegen daarom weer dringend, om toch eindelijk een tijd ‘nhet veilige Strassburg te blijven. Maar hij wilde eerst de rang van „luitenant” aan het front verdienen, om na afloop van de oorlog als held met het ijzeren kruis eerste klas voor zijn bruid te verschijnen. Zoo had hij vroeger als jongen vaak gedroomd, toen hij vol vuur achter de zwart-wit-roode vlag marcheerde en uit volle borst het lied meezong .- >,Siegreich wollen wir Frankreieh schlagen” (Roemrijk willen we Frankrijk overwinnen) De goede jongen had niet het minste vermoeden, dat men inde volkomen ongevaarlijke en bovendien nog heel amusante étappe op dit tijdstip het door hem zoo vurig begeerde ijzeren kruis eerste klas reeds de „boterorde” noemde. Dit gebeurde niet ten onrechte, want heel vaak kwam je daar veel vlugger tot een hoogere rang en je werd met een heele galanteriewinkel vol medailles bedacht als je maar goed met een kruiwagen om kon gaan. Een bekend versje luidde toen als volgt: „Der Frontochse krepiert vorne in Trommelfeuer, Das Etappenschwein kriegt Order für Hühnereier,” (De frontos crepeert voor in het trommelvuur Het etappenzwijn krijgt een orde voor kippeneieren.) Deze spreuk was algemeen onder de frontgangers en bewees duidelijk, hoe deze de toestand achter het front beoordeelden en hoe het al tegen het einde van het tweede oorlogsjaar met de levensmiddelen gesteld was. Hoe meer routine een soldaat bezat om zoo goedkoop mogelijk een groote hoeveelheid eieren, boter, ham enz. aan zijn superieuren te leveren, des te grooter zijn kans om vooruit te komen en een onderscheidins; te verdienen.

Sluiten