Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedrongen in deze leerlingopleiding, dat ;wij als, vakbond en vertegenwoordiger van de arbeiders wier kinderen hierbij het allereerst betrokken zijn en wier belangen behartigd moeten worden, gekend dienden te .worden. Het terrein van de A'akopleiding behoeft tusschen werkgevers- en werknemersorganisaties geen strijdterein te zijn. De belangen loopen hier parallel en bij een wat breedere blik op dit vraagstuk had hier direct iets goeds tot stand kunnen komen, dat vele tot voorbeeld had kunnen zijn. De heer De K. is wel zoo vriendelijk scheiding te maken tusschen de zure criticasters en hen die te goedertrouw dwalen. Hij zegt aan die laatsten: „Er gaat een roep uit naar leerplannen, naar controle op de inleiding, naar verplichting van opleiding, in één woord naar inmenging in verschillende vormen.” De vraag zou hier gesteld moeten worden of de roep die thans uitgaat en steeds sterker klinkt en door de heer De K. als „inmenging” wordt aangeduid, niet een „recht” is. Een recht, dat de gemeenschap heeft om toezicht en controle te kunnen uitoefenen op de opleiding van de jonge yakmenschen. ' Wij willen deze vraag echter verder buiten beschouwing laten. De gemeenschap eischt die controle niet op zoolang er geen geld gevraagd wordt voor die opleiding. Doch is het niet wat erg hoog van de toren geblazen als de heer De K. en de andere heeren, die het met hem in deze eens zijn, voor zichzelf en hun kinderen een opleiding verlangen met alle voorzorgen en contróle-maatregelen op het onderwijs omringd, met middelbare en hoogleeraren en groote kosten voor de gemeenschapskas en dan te doen alsof er geen eischen meer te stellen zijn aan deze leerlingopleiding voor de arbeidersjongens? Het belang van het arbeiderskind, zegt de heer De K., wordt uitgespeeld tegenover het ondernemersbelang dat tegengesteld zou zijn. Ja, met wijlen Uilenspiegel zouden wij kunnen zeggen: „Je hebt het er naar gemaakt.” Dè kinderen van 14 jaar, eigenlijk vindt men dat inde kringen van de heer De K. ook nog te laat, het zou eigenlijk 12 of 13 moeten zijn, werken op leercontract de heele dag van 8J uur inde fabriek en zijn dan verplicht de avondschool te bezoeken. ledere avond, behalve Zaterdags, zijn ze 3 uren inde school en maken een dag van zegge ’smorgens 7.30 uur tot ’s avonds 10 uur. Er zijn er zelfs onder deze gelukkigen, die voldoen aan al de eischen die het vak- en de leerlingopleiding stellen, die deze geheele tijd, van ’s morgens vroeg tot bijna inde nacht als ze thuis komen, geen warm eten kunnen nuttigen. Wij spreken dan nog niet van ontspanning, sport en spel, waaraan deze jongens voor

George Niederlender ging al voor de derde keer weer vrijwillig naar het front. Maar hij vond bij zijn compagnie totaal veranderde verhoudingen. Vele van zijn oude kameraden, met wie hij treurige en vroolijke herinneringen beleefd had, waren allang gesneuveld. De soldaten, die er nu waren, kende hij niet en de ie luitenant, die de compagnie aanvoerde, was de zoon van een in 1870 naar het geannexeerde Elsas-Lotharingen overgeplaatste Pruisische ambtenaar. Deze hoofdonderwijzer was een type, dat zich tijdens de oorlog bij de soldaten erg gehaat maakte door zijn verwaandheid en de zucht om bij iedere voorkomende gelegenheid te treiteren. – Niederlender had al gauw geen reden meer om te lachen. Zijn aangeboren opgeruimdheid maakte onder de druk van deze beul, waarbij hij als toekomstig luitenant een afdeeling van de compagnie aanvoerde, voor een zwaarmoedige stemming plaats. Hij werd van dag tot dag stiller en geslotener en moest zich vaak geweld aandoen om zijn woede niet uitte schreeuwen inplaats van alles stilzwijgend en met de handen langs de zijden te dulden. Niederlender bemerkte instinctief, dat de eerste luitenant, die eens samen met hem op de schoolbank gezeten had, zich tot taak stelde, om de molenaarszoon, die in rang zijns gelijke worden zou, te provoceeren. Wanneer deze dan een daad beging die tegen de discipline was, zou dit in zijn conduïtenstaat aangeteekend en dientengevolge zijn bevordering uitgesteld of wellicht onmogelijk worden. Het schrift van de weinige en heel korte brieven, die hij in deze tijd aan zijn ouders en verloofde stuurde, verried duidelijk zijn stijgende zenuwachtigheid en de inhoud van de laatste in vrijheid op 24 Augustus 1917 geschreven brief luidde als volgt: „Jullie zult wel niet weinig mopperen, omdat ik zoo lang gezwegen heb. De reden is erg sombere stemming. Daarom

hun lichaamsontwikkeling zoo’n groote behoefte hebben. Wij willen niet in alle opzichten Duitschland als voorbeeld stellen, doch ten opzichte van de zorg voor de jeugd zijn ze ons daar toch een groot stuk vooruit. Van overheidsinmenging moeten de werkgevers bij hun leerlingopleiding niets hebben en ze pakken het zelf aan, vragen geen subsidie, doch betalen zelf. Geen voorschriften door de overheid, maar dan moet dit zelf-doen ook goed wezen en niet half. De Duitsche wet dwingt de werkgevers de jongens overdag vrijaf te geven om naar de school te gaan. Waarom doen de ondernemers dit hier ook niet uit eigen beweging? Waarom zoekt men geen gelegenheid als de tegenstelling niet beslaat tusschen ondernemersbelang en dat van de leerlingen om ook het meer wijdere belang van de jonge mensch te dienen en hem iets meer te geven dan waarmede men er zich nu afmaakt? Wij willen over de aard van het onderwijs, de leerlingopleiding inde werkplaats zelf, de staf niet breken. Wij zijn voorstanders van de werkplaatsopleiding omdat wij daarin een mogelijkheid zien om op de duur en binnen afzienbare tijd voor alle jeugdige personen voortgezet onderwijs te verkrijgen en omdat het thans reeds een verbetering is bij de vroeger bestaande toestand. De werkgevers verplichten zich tegenover de leerlingen (de ouders) met het contract de noodige aandacht aan de opleiding, geschikte leermeesters enz. te schenken en, zegt de heer De K., dit behoeft door geen anderen gecontroleerd te worden. Want als het niet goed gaat, merken ze dat later zelf wel en zullen ze hun fouten wel moeten herzien. Want dan zou de leerlingopleiding Haar doel missen en geen bekwame vaklieden opleveren. Wij kunnen niet zeggen dat de heer de K. niet logisch redeneert, maar het is ons wat al te simpel gesteld. En wij mogen wel aannemen, dat de ondernemer er zich zoo niet afmaakt bij de controle op het werk dat hij moet af leveren. Want dit zou hierop neerkomen, dat hij dan maar afwacht of het schip dat hij bouwt drijft of zinkt als het van stapel loopt om te kunnen zien of het goed gedaan is. In die positie staat nu de gemeenschap en de vakvereeniging, die nu maar moeten afwachten wat er van terecht komt. De heer De K. gaat verder in zijn redeneert ng en zegt: ~Inde uiterste krachtsinspanning der bedrijfsleiding, om voor het bedrijf met de voorhanden middelen van outillage, materialen, werktijd, vakbekwaamheid van het personeel en financiën loonende orders te veroveren en met succes uitte voeren, zijn werkgevers en werknemers eikaars bedrijfsgenooten en onverbrekelijke bondgenooten.”-

heb ik ook tijdens de zes dagen rust geen woord geschreven. Vader zal ’t wel kunnen begrijpen hoe het is wanneer de chef voortdurend critiseert. Ik ben als regel tamelijk bedaard, maar als het al te erg wordt, zou je alle bezinning kunnen verliezen. Sedert gisteren verblijf ik weer inde loopgraven. Deze keer liggen we in heel primitieve gaten. Een voordeel is daaraan verbonden, ik bevind mij n.l. met mijn afdeeling geheel afgezonderd op een stuk land, zoodat nu de bovengenoemde onaangenaamheden niet voorvallen.” Begin September 1917 werd Niederlender’s afgebeulde regiment ter rust naar Tournai, de oude hoofdstad in Henegouwen, gecommandeerd, waar in het jaar vijfhonderd de Franken-koningen uit het geslacht van de Merowinger resideerden, een stad vol oude bouwwerken. Daar was van October 1914 tot herfst 1918 de hoofd-étappenplaats van de 6e Armee gevestigd en daar was het ook, dat hij ongeacht alle onaangenaamheden in opbruisende levenslust, zijn 24ste verjaardag vierde. ’s Middags had de ie luitenant hem weer echt gepest en gesard, maar nu lag de dienst achter hem en hij deed zijn uiterste best zich niet ook nog de avond van zijn verjaardag te laten bederven. Hij had van zijn soldij, dat hij aan het front niet opgebruikte, een mooi sommetje overgespaard en dat zou hij nu opmaken. Hij wilde bij deze gelegenheid eens alle ergernis dooreen drinkpartij wegspoelen. Met enkele goede vrienden zat hij in het casino en dronk met hen om het hardst tot lang na twaalf uur. Eindelijk ging hij naar zijn kwartier en viel ineen zware slaap, zoodat hij het ochtend-appèl van zijn compagnie glad versliep. Dit werd hem noodlottig, want nu had zijn vroegere schoolkameraad de langge-

Wij hebben het laatste gecursiveerd, want wat hij nu verder zegt is er eigenlijk geheel mee in strijd. Hij zegt: „Het opvoeren van de kwaliteit van die outillage, van die materialen, van die vakbekwaamheid enz., dat is de typische taak van de bedrijfleiding, waarvoor de geschiktsten vanzelf op de verantwoordelijkste plaatsen komen.” Dat beteekent dus, dat de onverbrekelijke bondgenooten, werkgevers en werknemers, het ook hier maar overlaten aan het toeval en aan hem of haar die de leiding heeft. De gedachte aan organisatie van beide partijen is hier geheel buiten beschouwing gelaten en de heer De K. heeft met werkgevers en werknemers toen hij ze onverbrekelijke bondgenooten noemde, aan de samenwerking inde werkplaats en aan personen gedacht. De vakvereenigingen van beide groepen heeft hij verwaarloosd. Hij zegt het bedrijfsleven moet zelf de leiding in handen houden van zijn eigen vakopleiding en ziet als belanghebbende bij dit bedrijfsleven alleen de bedrijfsleiding. Hij leeft nog inde oude gedachte die in Rotterdam lang stand heeft gehouden, dat de vakvereeniging van de arbeiders alleen een lastige herrie- en onrustmakende troep is die zich om het belang van het bedrijf zelf niet bekommert en alleen op hooge loonen en kortere werktijden uit is en misschien, wie weet, nog revolutie maakt. De geschiedenis van de vakvereeniging en haar werk op het terrein van de vakopleiding, dat zij sinds haar oprichting heeft verricht en nog steeds met toenemend succes weet voort te zetten, is hem onbekend. In ieder geval is hem dat deel van het werk van de vakvereeniging onbemind. Hij acht dat eigenlijk meer lastige bemoeizucht. Een ander belangrijk punt door de heer De K. behandeld is de theoretische vorming van de leerlingen die inde ondernemingen als zoodanig zijn aangenomen. Hij deelt dan mede dat bij de behandeling van dat vraagstuk door de Vereeniging voor Leerlingopleiding een keuze gedaan moest worden tusschen drie methoden, n.l. zelf opleiden zooals in verschillende ondernemingen in binnen- en buitenland geschiedt, de ambachtsschool waarin een drietal van de grootste werven in Rotterdam hun vertegenwoordigers hebben en de avondnijverheidsschool. Dat men de eerste methode: theoretisch onderwijs inde fabriek zelf, niet gekozen heeft, kunnen wij niet anders dan toejuichen. Daarvoor was trouwens ineen groote stad met veel schoolgelegenheid geen aanleiding. Daarbij is alleen maarte betreuren, dat er nu geen andere keus bleef dan de avondschool met haar vijf avonden inde week 3 uren les, waardoor de arbeidsdag voor deze jonge menschen behalve het van en

wenschte reden om George een uitbrander te geven. De ie luitenant stuurde een ordonnans naar de voor de allereerste keer niet op tijd verschenen sergeant, met het stipte bevel zich onmiddellijk bij zijn superieur te melden. Maar aangezien het feestje ietwat lang 'geduurd had en George bovendien nog volgens casinorekening 17 groote cognacs, de zware Bourgognewijn niet me'degerekend, gedronken had, slaagde de ordonnans er niet inde adspirant-officier tot klaar bewustzijn te brengen. Dit kreeg pas een sergeant gedaan na veel moeite en inspanning. Hij had van de te luitenant de opdracht ontvangen, de „kerel” dood of levend mede te brengen. Dat was een leelijk ontwaken. Nog half in slaap trok Niederlender zijn uniform aan en haastte zich naar het kantoor van zijn afdeeling. Daar werd hij door zijn slechts buiten gevechtslinie „kranige” superieur ontvangen met een hagelbui van vloeken en deze dreigde hem wegens „lanterfanten” zonder genade in arrest te stellen. Tevergeefs vroeg Niederlender om excuus en vertelde de oorzaak van zijn te laat verschijnen. Maar zijn vroegere schoolkameraad, wie zijn superioriteit verwaand maakte, bleef onverbiddelijk, ook als Niederlendér uit angst voor zijn toekomst en om hem tot andere gedachten te brengen, hem aan de gezamentlijk doorgebrachte jeugdtijd herinnerde. Hij snauwde: „Houd je bek en maak dat je wegkomt, je hebt drie dagen arrest en daarmee uit, versta jé?” Schaamrood kleurde het gezicht van de dappere jonge man, die drie keer vrijwillig naar deze hel teruggekeerd was twee en een half jaar de dood getrotseerd had —• en nu in tegenwoordigheid van de grijnzende compagnieschrijvers als een snotjongen afgesnauwd werd. Maar hij beheerschte zich, want hij was soldaat en veel te veel aan deze raensch-

naar huis gaan, tot 12 uren per dag uitdijt. De ambachtsschool schijnt ook in overweging te zijn genomen, doch daarbij kwam men voor heel andere consequenties. Of men er trouwens inde kringen van deze Vereeniging ernstig aan gedacht heeft op de ambachtsschool voor deze theoretische vorming van de leerlingen gelegenheid te zoeken, komt in het artikel van de K. niet tot uitdrukking. Hij schrijft dat de leerlingen van de ambachtsscholen niet in de metaalindustrie terecht komen en als er zijn, dat ze dan gewoonlijk slechts enkele jaren, daar komen werken en dan haast allen een andere richting en lang niet altijd een „hoogere” richting, uitgaan. Doch de vraag die van veel meer gewicht is, n.l. of er aan gedacht is te pogen op de ambachtsschool (want waar zijn die scholen anders voor gesticht?) een gelegenheid te scheppen dat er aan deze leerlingen inde industrie, dus voor de vorming van de nieuwe generatie van vaklieden, onderwijs zou kunnen worden gegeven, wordt er niet in besproken. Als men leest wat de heer de K. zoo tusschen twee haakjes opmerkt, dat drie van de grootste werven van Rotterdam hun vertegenwoordiger in het bestuur van de ambachtsschool hebben, dan zou men mogen aan nemen, dat als de ambachtsschool geen wakheden opleidt voor de metaalindustrie en er wordt ook niet gepoogd door de groote ondernemingen die een belangrijken invloed hebben in het bestuur van de school om ze dienstbaar te maken aan de leerlingopleiding, er andere belangrijke beletselen moeten zijn. Wij meenen dat hier een taak voor de werkgevers- en werknemersorganisaties ligt om die beletselen uit de weg te ruimen. Voorloopig zal het thans inde avondschool gegeven onderwijs niet geheel door dagonderwijs vervangen kunnen worden, doch die richting moet het toch uit en daar moeten scholen voor zijn. Bovendien is bijna of zoo goed als alles wat de klok slaat op de avondscholen theorie en vakteekenen. Aan niets anders dan de vorming voor het vak wordt de aandacht en de tijd besteed. Wat minder teekenen en wat meer algemeene vorming van lichaam en geest was beter voor deze jonge menschen. Wij hebben bij de heer de K. ook oezwaren tegen het programma van deze scholen bemerkt, doch niet dat hij de dagen voor deze kinderen te lang vindt en ook niet dat hij in het onderwijs een ander element van opvoeding zou willen brengen. Ten slotte willen wij nog opmerken dat wij er ons van overtuigd houden, dat wanneer op het terrein van de leerlingopleiding inde metaalindustrie de door ons verlangde samenwerking van werkgevers en werknemers tot stand komt, daarmee lang niet aan alle idealen en wenschen die er leven inzake opvoeding en opleiding

onwaardige cadavergehoorzaamheid gewend om te protesteeren. Zwijgend maakte hij een saluut en keerde naar zijn kwartier terug. Daar aangekomen zette hij zich op de rand van zijn bed en dacht na. Drie dagen arrest beteekende het einde van zijn trotsche droom om ooit luitenant te worden en de vertwijfeling nabij sprong hij op en ging weer naar zijn chef. Met smeekende woorden probeerde George deze te vermurwen, daar het toch om zijn carrière ging. Maarde schoolmeester in uniform snauwde hem nog erger af en beval directe overbrenging naar ’t arrestantenlokaal. Niederlender zou op klaarlichten dag als een misdadiger tusschen opgestoken bajonetten door de zonnige straten van Tournai getransporteerd worden, om inde gevangenis van deze stad de drie dagen uitte zitten, die hem zijn vroegere kameraad en tegenwoordige chef wegens een kleinigheid opgelegd had. Door deze omstandigheid verloor de ongelukkige jongeman zijn zelfbeheersching, de nawerking van wijn en alcohol deed de rest en in wilde drift, ontstaan door de vele chicanes van zijn chef, even oud als hij zelf, trok hij zijn dienstrevolver. Een schot knalde en zijn kwelgeest viel dood neer. Niederlender had stellig gelegenheid gehad in deze groote stad een schuilplaats te zoeken en dan ineen gunstig oogenblik met de hulp van Belgen over Gent naar Holland te vluchten. Maar hij was nooit laf geweest en hij wilde de verantwoord! van zijn half onbewuste daad niet on*, loopen. Hij meldde zich daarom vrijwillig bij het divisiegerecht en deed aangifte van zijn daad. Na 14 dagen werd hij veroordeeld wegens doodslag in drift tot levenslange gevangenisstraf. (Wordt vervolgd.)

Sluiten