Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SB«*E JAARGANG ZATERDAG 30 MEI 1031 No 2S

| l BIJ ui,b«,li„^H'”: ■ ADVERTENTIEN: “^"T B Voor Buitenland verhoogd met porto fctdi HEMOM/LAAN 24 AMSTEPD&M 7 H advertentién . . . . per regel t 0.30 B M Losse nummers ,0 03 111 —————— «yg—>* r—i^*^>r> I * * BB Afdeelmgsad vertentien .. , „ „ „0.20 I 9 (Pi Aanvragen voor personeel . . „ „ 0.20

OPLAAG 41.300. Officieele Mededeelingen. Over de week van 25 Mei 1931 tot en met '3O Mei 1931 wordt het contributiezegel op de 22e week in het bondsboekje geplakt. „Waar het hart vol van is .. Zooals dat elk jaar geschiedt, zal de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel ook nu weer een algemeene .vergadering houden waar o.m. vraagstukken van onderscheidene aard aan de orde gesteld zullen worden. Uit de aard der zaak toonen wij altijd belangstelling voor hetgeen er wordt behandeld, omdat de aangesneden vraagstukken veelal de industrie, haar belangen en ontwikkeling raken. Zoo vinden wij op de agenda voor de dit jaar op 25, 26 en 27 Juni te Deventer te houden .bijeenkomst, o.a. het punt: „Samenwerking tusschen ondernemingen”. Het bestuur der maatschappij volgt ook hu weer zijn gewoonte om vooraf aan de (departementen vragen ter beantwoording ivoor te leggen, waardoor min of meer een lijn getrokken wordt waarlangs later ter (vergadering de discussie zich kan bewegen. De volgende vragen zijn ter zake van het bovengenoemde punt aan de departementen voorgelegd: „Bestaan hier te lande mogelijkheden tot nauwere samenwerking tusschen ondernemingen ? Welke voordeelen zouden daarvan te verwachten zijn ? Hierbij o.m. te denken aan samenwerking bij voorbereidende wetenschappelijke arbeid, aan samenwerking bij de productie (rationeeler taaken arbeidsverdeeling, kartelleering) enz.” Öp deze vragen is o.m. antwoord ingetkoraen van het departement Utrecht namens hetwelk een zeer omvangrijk rapport ijs uitgebracht door de heer C. B. J. Muller, een rappoVt dat kenmerkend is voor de (mentaliteit die zeer vele ondernemersindustrieëelen nog altijd beheerscht. De samensteller van het rapport maakt Onderscheid tusschen beschermde en onbeschermde industrieën, iets wat wij, gezien de tegenstellingen tusschen die beide, zeer kunnen waardeeren. Aan het rapport ontleenen we allereerst: „Het is, dunkt mij, geen toeval, dat die vraag juist nu door het hoofdbestuur gesteld wordt. Samenwerking tusschen ondernemingen in dezelfde bedrijfstak komt altijd tot stand uit nood, die op het oogenblik reeds hoog geklommen is. De geruchten over fusies en samenwerking op reusachtige schaal, vooral in het buitenland, zijn daarenboven niet van de lucht. Men is geneigd zich angstig af te I vragen of Nederland, met zijn voor een belangrijk deel middel- en klein-industrie, dat daarenboven voor een zeer belangrijk deel op export is aangewezen, niet ernstig inde knel zal raken. Ten slotte is er nog een ernstig probleem, nJ. het feit, dat ondanks de zeer

aanmerkelijke daling van de meeste stapelproducten, de detailprijzen van allerlei artikelen niet of slechts weinig gedaald zijn. Het gerucht, dat groote fusies en kartels hebben veroorzaakt, heeft ook weerklank gevonden in Genève. De economische en financieele afdeeling van de Volkenbond heeft eenige commissies benoemd, ter bestudeering der internationale kartels, alsmede van de invloed, die zij op de politieke en economische toestand uitoefenen.” Men zou, na dit gelezen te hebben, allicht tot de gedachte kunnen komen, dat de heer Müller alleen reeds op grond van deze overwegingen, voor een stevige samenwerking zou pleiten. Maar dat doet hij, zonderling genoeg, heelemaal niet en dat vindt z’n oorzaak voornamelijk hierin, dat hij meer het ondernemers- dan het maatschappelijk belang in ’t oog vat. Samenwerking, zoo schrijft hij, ontstaat slechts uit nood of door dwang van buitenaf. Zelden wordt zij verder uitgebreid dan strikt noodzakelijk blijkt. Bijna steeds heeft zij tot rechtstreeksch doel, de marge tusschen kostprijs en verkoopsprijs te vergrooten. Gewoonlijk was van deze marge vóór de samenwerking tot stand kwam, niet veel overgebleven, aldus de heer Müller. Maar men kan, aldus schrijft hij dan verder, die marge niet ongelimiteerd opschroeven, want dan komen al spoedig de outsiders (buitenstaanders) in getale opzetten en ook moet er rekening mede gehouden worden dat andere artikelen ter vervanging kunnen worden gebruikt. Hier heeft de rapporteur in hoofdzaak bedrijven op het oog die tot de beschermden behooren. Inderdaad kan men zeker niet altijd constateeren dat samenwerking van zulke bedrijven een algemeen belang in houdt, ofschoon dat in sommige gevallen toch wel het geval kan zijn. Samenwerking in meer of minder nauw verband achten wij noodzakelijk voor een industrie welke in zoodanige economische omstandigheden verkeert, dat geen enkel ander middel behoorlijke, redelijke bedrijfsuitkomsten waarborgt. Het zijn voornamelijk die industrieën welke tot de onbeschermde behooren, d.w.z. diegene welke op de internationale markt zijn aangewezen, welke de samenwerking op den duur zullen moeten aangrijpen. Na echter te hebben geschetst hoe een samenwerking zich kan ontwikkelen en tot welke hoogte zij kan komen, zegt de heer Müller: „Een Holding-Compagnie1) zet, de kroon op het werk; aanmerkelijke besparingen worden nu gemaakt; meerdere directeuren en commissarissen worden overbodig; talrijke ambtenaren en ander personeel kan gemist worden; het bedrijf kan vereenvoudigen, gestandaardiseerd worden, de reclame en het wetenschappelijk onderzoek kunnen veel intensiever aangepakt worden. Zeer zeker J) Holding-Compagnie, d.w.z. een maatschappij die door ’t bezit der aandeelen van verschillende ondernemingen van gelijksoortige aard, controle op de handelingen dier ondernemingen kan uitoefenen,. Red.

kan een dergelijke ontwikkeling nuttig voor de maatschappij zijn; zij maakt het product goedkooper, stabiliseert de prijzen, verbetert de kwaliteit.” Ziedaar een bloemlezing van voordeelen aan samenwerking verbonden. Dat alles te lezen zou de meest verstokte tegenstander van samenwerking tot voorstander moeten maken. Maarde heer Müller denkt er anders over, n.l. zóó: „Toch lijkt mij een dergelijke ontwikkeling niet in alle opzichten begeerenswaard; zij vervlakt het leven en verlaagt de levenskansen voor het individu.” Hier spreekt alleen maar het echte ondprnemershart; hier hooren wijde stem van de man die de huidige toestand voor zichzelf en zijns gelijken nog niet zoo erg beroerd vindt. Bij een zekere gelegenheid dat het onderwerp „rationalisatie’’ een punt van discussie vormde, hebben wij eens gezegd dat men wel aan de onderkant doch niet aan de bovenkant rationaliseert. Met andere woorden, dat men wel besparing zoekt voornamelijk inde lagere regionen, bij de massa der arbeiders, doch niet inde hoogere kringen. Dit vinden wijdoor wat de heer Müller thans rapporteert, volkomen bevestigd. De rationalisatie in ’t algemeen heeft reeds duizenden arbeiders uitgestoten en geen enkele ondernemer zal eenige besparing op de productiekosten achterwege laten, omdat daardoor ontslag van arbeiders kan worden voorkomen. De feiten die zich voorgedaan hebben en nog voordoen, leveren daarvoor ’t bewijs. Maar samenwerking inde zin als door de heer Müller geschetst, maakt slachtoffers onder een ander soort menschen, met name onder directeuren, commissarissen, ambtenaren. Wij voegen er aan toe: niet onder de eigenlijke arbeiders, want massa’s van hen zijn nu reeds zonder industrieele samenwerking geslachtofferd. Zonderlinge klasse-conclusie waartoe de heer Müller komt. Als wij ons er over moeten verwonderen is ’t alleen maar over de prijzenswaardige openhartigheid wélke hij betoont. Samenwerking is goed en nuttig voor de maatschappij, beteekent goedkooper product én betere kwaliteit, maar is niet voordeelig voor een zekere groep. Gelukkig maar dat samenwerking ten slotte door nood geboden wordt. De heeren ondernemers kunnen er niet aan ontkomen . Maar laat ze ons in ’s hemelsnaam met hun tirades omtrent het algemeen belang van ’t lijf blijven. 1 Zonder dat is de wereld toch' al gek genoeg. . ♦ ♦ : Gelezen bladen : ♦ van ons vakblad mogen niet worden ♦ * weggeworpen, doch behooren aan onge- ♦ ♦ organiseerde kameraden ter lezing ge- * * geven te worden.

Een reactionnaire maatregel. (v.E.) Aan „Werkspoor” zoowel! te Amsterdam als te Zuilen bestaat sedert het einde van het vorige jaar een zgn. gesubsidieerde wachtgeldregeling. Eenige weken terüg had de directie aan de personeelvertegenwoordiging (fabrieksraad) medegedeeld, dat het in haar bedoeling lag deze stop te zetten. Deze wachtgeldregeling had een zekere som gelds gekost en de directie zag zich uit financieele overwegingen hiertoe verplicht. Daarbij was tevens de mededeeling gevoegd, dat overwogen zou worden iets voor de ongeorganiseerde arbeiders te doen. De georganiseerden konden door middel van hun eigen werkloosheidskassen wel voor zichzelf zorgen. Dezer dagen nu kwam de directie met de aangekondigde maatregel, die echter een zeer reactionnaire bleek te zijn. Het reglement dat als opschrift draagt, „Voorloopige regeling voor uitkeeringen aan werklieden, niet aangesloten bij werkloozenkassen”, werd vorige week Woensdag aan de leden van de fabrieksraad uitgereikt, met de mededeeling, dat het reeds Vrijdag d.o.v. inde vergadering met de directie behandeld zou worden. Bedoelde regeling drukken we hier m extenso af. Voorloopige ’ regeling voor uitkeeringen aan werklieden, niet aangesloten bij werkloozenkassen. 1. Vaste werklieden in dienst van Werkspoor, die niet zijn aangesloten bij een werkloozenkas, kunnen uitkeeringen volgens de hier nader omschreven regeling ontvangen, mits zij schriftelijk verklaren zich aan de bepalingen dezer regeling te onderwerpen, speciaal, dat zij er mede accoord gaan, dat de vastgestelde premie van hun loon wordt ingehouden. 2. Werklieden, jonger dan 30 jaar en ouder dan 60 jaar, kunnen niet tot deze regeling toetreden., Voor jeugdige werklieden beneden 20 jaar, die kostwinner zijn, kan een uitzondering worden gemaakt. 3. Gedurende den tijd, dat deze regeling geldt, is het de betrokkenen niet geoorloofd lid te zijn vaneen vereeniging of kas welke het verstrekken van steun bij werkloosheid ten doef heeft. 4. ledere werkman, die tot deze regeling toetreedt, betaalt wekelijks een bijdrage, welke bedraagt 3 pCt. van het uurinkoroen dat ook voor de ziekengeldberekening geldt, voor elk per week gewerkt uur. Hij moet zich tot deze premiebetaling verbinden voor den duur van twee jaar. Hij heeft niet het recht gedurende dien tijd ontslag te nemen. 5. Gedurende de vacantie en de Kerstweek wordt geen premie geheven; evenmin als tijdens ziekte. Bij ziekte wordt de duur van het verplichte lidmaatschap met den duur der zieket verlengd. 6. De ontvangen premiën worden afzonderlijk geboekt en gebruikt voor het doen van de uitkeeringen. Zou bij beëindiging der regeling het bedrag dat aan uitkeeringen werd uitgegeven worden overtroffen door de inkomsten aan premie, dan wordt het overschot onder de deelnemers in verhouding tot de betaalde premie verdeeld. 7. Recht op uitkeering ontstaat bij toetreding vóór 1 Juni 1931 op 1 Juni 1931; daarna op den zen Zaterdag volgende op den dag van toetreding. 8. Uitkeering heeft plaats; a. bij inkrimping van den wekelijkse!»»* werktijd; b. bij ontslag gegeven door jWerkspoo? Wegens .werkgebrek.

Sluiten