is toegevoegd aan uw favorieten.

De metaalbewerker; orgaan van de Metaalbewerkersbond in Nederland, jrg 38, 1931, no 43, 24-10-1931

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een minister worde geen rechtsprekende bevoegdheid gelaten of toegekend. In punt 19 wordt nog eens nadrukkelijk omschreven, dat bij de wettelijke regeling dier verzekering wordt overgenomen de medezeggenschap der in punt 13 bedoelde vakbonden bij de uitvoering der wettelijke bepalingen, doch zoodanig, dat die medezeggenschap van overwegende aard is. In 1924 zijn door het N.V.V. in samenwerking met het Bureau voor ds R.K. Vakorganisatie en het Alg. Ned. Vakverbond stellingen ter zake van de werkloosheidsverzekering opgesteld, waarin is neergelegd de eisch vaneen wettelijke regeling op de grondslag der vrijwillige verzekering, doch die de mogelijkheid openlaat, voor daarvoor geëigende bedrij ven een verplichte verzekering in te voeren. Eveneens is aangegeven een samenstelling van het bestuur voor de helft uit de vertegenwoordigers der arbeidersvakvereenigingen en een bijdrage per arbeider te betalen door da werkgevers, met daarnaast een te stichten crisisfonds. In het door het N.V.V. te Utrecht gehouden Demonstratief-Congres op 7 en 8 Februari ’3l, eveneens in het op 3 en 4 October j.l. gehouden Crisis-Congres te Rotterdam, is opnieuw ineen met algemeene stemmen aangenomen resolutie o.m. vastgesteld, dat er moet komen: „Een wettelijke regeling, waarbij alle Gemeenten worden verplicht tot deze regeling toe te treden en de kosten der Verzekering te doen dragen: a. door de verzekerden; b. de werkgevers; c. de overheid (Rijk en Gemeenten).” Ik ben met de prae-adviseur van oordeel, dat er evenals voor de overige sociale wetten een verplichte werkloosheidsverzekering moet komen. De vorming van het fonds zal moeten komen volgens de praeadviseur uit belastingen, waarvoor hij o.m. noemt „opcenten op de inkomsten- ' i vermogensbelastingen en uiteen deel der successiebelasting”. Hij wil daarmede, zie ik het goed, de strijdvraag van de directe bijdrage der werkgevers en de gevolgen daarvan, hiermede ter zijde schuiven. Of nu de genoemde belastingen wel de meest geëigende voor dit doel zijn, daarover valt te praten en dit zal ook voor de heer Keesing geen hoofdzaak zijn, maar slechts middel om tot een goed einddoel te geraken. De Zakelijke Bedrijfsbelasting echter, op heden een zuivere gemeentelijke belasting, zou naar mijn meening o.m. als bron voor dit doel in aanmerking moeten komen, terwijl bij de inkomstenbelasting zeer zeker grenzen dienen te worden gesteld. Punten waarover wij het in onderling overleg met de prae-adviseur zeker eens zouden worden. Een zeer goede oplossing wil mij voorkomen te zijn, de inhoud van punt 13, waarin de prae-adviseur de vakbonden in de verzekering inschakelt en de leden een pré toekent boven de ongeorganiseerden, van 20 pCt. uitkeering van het loon. Door de zaak zóó te stellen, blijft de vakbeweging op dit terrein haar taak vervullen die zij in het verleden heeft vervuld en waarvoor zij millioenen guldens heeft geofferd. Aan de historie ontleent zij die rechten, die dan ook onaantastbaar moeten blijven. Een andere aangelegenheid, waarmede wij het volkomen eens zijn, is weergegeven in punt 18, n.l. „de rechtspraak”. Dat ook hierin niet slechts onder een nieuw stelsel, maar dringend inde bestaande regeling wijziging moet komen en meer in overeenstemming moet worden gebracht met de overige deelen der sociale verzekering, daarover zal in onze eigen kring wel geen verschil van meening bestaan. Met Keesing’s prae-advies is het vraagstuk der werkloosheidsverzekering ineen nieuw licht opnieuw aan de orde gesteld. Laat ons toonen dat te beseffen. Ende desespereert niet' „De Arbeiderspers”. Het bondsbestuur van de Alg. Ned. Metaalbewerkerstaond, bijeen in vergadering op Maandag, 19 October 1931; kennis genomen hebbende van de plannen van de directie der Arbeiderspers tot uitbreiding onzer dagbladen; constateerende dat het van het allerhoogste belang is voor de verdere uitbouw onzer vakbeweging, dat de socialistische dagbladen de dagelijksche lectuur vormen van iedere modern georganiseerde arbeider; besluit: a. de leden der organisatie met kracht op te wekken tot een abonnement op de Arbeiderspers; b. alle leden aan te sporen tot krachtige deelname aan de Werft-Uw-Kameraadactie. Het bondsbestuur van de Alg. Ned. Metaalbewerkersbond, (w.g.) G. v.d. HOUVEN, waarn. voorzitter. „ C. OOSTERHOORN, secretaris.

DE STAKING TE ZEIST.

Thans geen strijd te Hengelo. (v. H.) In het begin van September ontvingen wij van de Metaalbond een uitnoodiging om op 7 September te Hengelo te confereeren overeen noodzakelijk geachte uurloonsverlaging bij Stork, Heemaf en Dikkers. In deze conferentie hield de heer Stork een inleiding over de slechte omstandigheden waarin de bedrijven verkeerden en de verliezen welke werden geleden en lanceerde ten slotte het voorstel, dat de uurloonen met 10 pCt. zouden worden verlaagd, maar dat aan degenen die 38 uur of korter werkten, 5 pCt. toeslag zou worden gegeven, welke toeslag voor elk uur boven 38 met \ pCt. zou dalen. Nadat dit voorstel door de bestuurders der verschillende organisaties krachtig was bestreden, waarbij van ons ongeloof in resultaat van de loonsverlaging werd getuigd, verklaarde de heer Stork in eigen kring opnieuw beraad te willen houden, waarna wij dan een positief voorstel konden tegemoet zien of een uitnoodiging voor een tweede bespreking. Eenige dagen hierna ontvingen wij het eerste. Het hield ineen gemiddelde uurloonsverlaging van 5 pCt., nl. 1 ct. van de uurloonen beneden 31 ct., 2 ct. van de uurloonen van 31 tot 51 ct. en 3 ct. van de uurloonen daarboven. Op advies der besturen is dit voorstel in de vergaderingen van de drie organisaties met slechts 36 stemmen vóór, verworpen. Bij deze beslissing is toen echter wel overwogen dat het hier nog niet gold een beslissing over de staking. Ondanks deze uitspraak hebben de werkgevers hierna de loonsverlaging toch afgekondigd en wel ingaande 12 October j.l. Bij Dikkers werd daarbij de mededeeling gedaan dat aan degenen die 32 uur of korter werken (practisch het geheele personeel) 5 pCt. toeslag zou worden gegeven, terwijl bij Heemaf bericht werd dat deze toeslag van 5 pCt. voor elk uur boven 32 met \ pCt. zou dalen, zoodat de volle verlaging zal gelden wanneer er 42 uur of langer gewerkt wordt. Nu stonden we dus voor de vraag: of de organisaties tegen deze verlaging zouden gaan staken, ja dan neen. Het H.B. stond op het standpunt dat het verstandiger was, gezien de slechte omstandigheden en de groote kans op een verloren strijd, althans op een onbevredigend einde, thans niet te staken. Tal van andere vooraanstaande leden en bestuurders dachten hier echter anders over. Om de juistheid van de meening van deze laatsten te toesten, is er hierna, dus vóór de beslissende ledenvergaderingen, nog een brief aan de werkgevers verzonden, waarin dooreen bespreking nadere toelichting van de werkgevers werd gevraagd over de beteekenis van het verschil inde aankondigingen der verlaging. De werkgevers antwoordden echter dat zij meenden te kunnen volstaan mét de mededeeling, dat dit verschil was gebaseerd op billijkheidsgronden en dat het thans, nu de omstandigheden ongunstiger werden, de vraag was, of deze nog wel aanwezig waren. Waarop ze echter niet terug wilden komen; Na dit antwoordwas elke verdere speculatie onverantwoordelijk. Het was nu; staken of niet staken. Inde hierna gehouden ledenvergaderingen heeft schrijver dezes op zeer korte en gematigde wijze het advies van het H.B. verdedigd, daarbij volkomen recht laten wedervaren aan de gevoelens en de meening der tegenstanders. In deze vergaderingen is overeengekomen, dat als 75 pCt. van het personeel vóór de staking zou stemmen, de ultimata zouden worden

verzonden. Op een paar procent minder zou ook niet worden gelet. In onderling overleg tusschen de organisaties is dit percentage later nog op 70 bepaald. Welnu, het resultaat van al de gehouden stemmingen is geweest, dat dit percentage nergens is bereikt, dat zelfs het hoogste percentage hier nog belangrijk onder blijft. Als gevolg hiervan zijnde ultimata niet verzonden en is er een bespreking bij de werkgevers aangevraagd om over de toepassing der verlaging te spreken. Het valt niet te ontkennen dat velen door de uitslag der stemming zijn teleurgesteld. In het belang der zaak is het te wenschen dat zij deze echter zoo spoedig mogelijk overwinnen. Vóór- en tegenstanders der staking hebben allen een eerlijke kans gehad. Nu de beslissing is gevallen, moet een ieder zich hierbij neerleggen. En de organisatie verdedigen die wij inde tijden die komen, nog zeer erg noodig zullen hebben. En de werkgevers behoeven niet de illusie te koesteren dat de weg thans vrij is voor verdere verlagingen. De ongeschokte kracht der organisatie en het feit dat zij thans met de hakken over de sloot aan de staking zijn ontkomen, mogen er hun borg voor zijn dat zij, mochten zij het loonpeil nog verder willen verlagen, ruimschoots kunnen krijgen wat hun nu ontging. Een conflict bij de firma Boot te Alphen aan den Rijn voorkomen. (d. R.) Evenals in Rotterdam bij de groote firma’s van de Metaalbond, werd ook bij de firma Boot te Alphen aan den Rijn een verlaging van het loon aangekondigd. Per schrijven van 14 September ontvingen de organisatiebesturen een uitnoodiging voor een onderhoud met de firma in verband met een voor het personeel in te voeren loonsverlaging. Hoe groot deze verlaging zou zijn, werd maar niet eens gezegd. Dit kwamen de besturen I eerst te weten per schrijven van 17 September, waarin de firma mededeelde, nu wij verhinderd waren op de gevraagde datum ter conferentie te komen, dat het haar bedoeling was, vanaf 25 September wederom 48 uur (thans 42 uur) per week te gaan werken, maar dan voor het loon van 42 uur. Het weekinkomen zou dan ongewijzigd kunnen blijven. Begrijpelijk hebben de organisatiebesturen tegen een dergelijke aanval krachtig stelling genomen en de verlaging van 12£ pCt. afgewezen. In eenige conferenties met de firma werd geen overeenstemming verkregen, Ook niet toen door de besturen in opdracht van hun respectieve ledenvergaderingen werd voorgesteld, gezien de omstandigheden, een verlaging van het loon te willen aanvaarden van 4 pCt. met vastlegging van de arbeidsvoorwaarden voor zekere tijd. Wel was de firma bereid de verlaging in twee tempo’s in te voeren en zou op 4 December opnieuw een verlaging moeten worden aanvaard, terwijl de eerste dan heden zou ingaan. Van het afsluiten vaneen overeenkomst kon natuurlijk niets komen. Daarvoor waren de vooruitzichten te slecht en te onzeker. Echter inde gunstige tijden moest de directie vaneen collectief contract niets hebben uit principe. Het onderhoud van 2 October bracht partijen eenigszins nader tot elkaar en was de firma bereid tot de volgende regeling: De loonen tot 20 cent per uur geen verlaging. Ingaande heden de loonen van 20

tot 30 cent per uur te verlagen met 3 pCt., de loonen van 30 cent en hooger met 5 pCt., terwijl op 4 December de loonen van 30 tot 40 cent per uur nogmaals met drie en de loonen boven 40 cent met 4 pCt. zouden worden verlaagd. Verder kon de directie niet gaan en was zij hiermede , overtuigd alles gedaan te hebben wat redelijk van haar verlangd kon worden en datgene te hebben gedaan wat in het belang van haar personeel kon worden genoemd. Ook deze voorstellen, welke voor de hoogere loonen nog een verlaging van 9 pCt. inhielden, zijn door de leden niet aanvaard en werd de besturen opdracht gegeven indien noodig en mogelijk de firma een ultimatum te stellen. Een dergelijke houding van haar personeel had de firma zeker niet verwacht, hetgeen ons bleek toen de besturen Vrijdag 9 October weer ter conferentie kwamen. Opnieuw is getracht een conflict te voorkomen en is door de besturen aanvaardbaar geacht de verlaging in het eerste gedeelte van bedoeld schrijven genoemd, n.l. tot 20 cent geen verlaging, van 20 tot 30 cent 3 pCt. en de loonen daarboven 5 pCt. De tweede verlaging diende te vervallen en alle bestaande emolumenten moesten gehandhaafd blijven, terwijl 48 uur zou worden gewerkt met het thans in dienst zijnde personeel en geen wijziging daarin gebracht zou worden dan na overleg met de organisaties. Ten slotte zou dan na het bekend worden van de uitkomsten van het bedrijf in het laatst van Februari, indien noodig, opnieuw de toestand onder de oogen worden gezien. Hiermede vereenigde de firma zich en is door de besturen op grond van de omstandigheden aan de leden geadviseerd deze voorstellen te aanvaarden, hetgeen dan ook met algemeene stemmen is geschied. Vrienden uit Alphen, door het terugdringen van deze verlaging tot gem. 4 pCt. is voor u bewezen niet voor niets te zijn georganiseerd. Laat de ongeorganiseerden dit een les zijn en zorgen vóór het komende voorjaar toe te treden tot de organisatie. MACHiNE-FABRICATIE ' De loonsverlaging bij Nering Bögel te Deventer opgeschort. (B. H.) Wij hebben inde afgeloopen week eenige malen met onze leden van Nering Bögel vergaderd ter behandeling van het resultaat der gehouden bespreking met de directie onder leiding van de rijksbemiddelaar. Het gedane voorstel uit deze bespreking ontstaan, is met onze leden ernstig besproken en bet na- en voordeel is daarbij eveneens onder het oog gezien. Onze leden bleken niet bereid tot aanvaarden van dit voorstel en handhaafden het gestelde ultimatum. Deze uitslag werd de directie op Woensdag 14 dezer medegedeeld en vond deze aanleiding het volgende voorstel als laatste tegemoetkoming te doen: 1. de verlaging der uurlooncijfers gaat in bij een 44-urige werkweek of langer; 2. de uurloonen boven de 50 ct. worden met drie cent verlaagd; 3. de uurloonen van 40 tot 50 ct. worden met twee cent verlaagd; 4. de uurloonen onder de 40 ct. worden niet verlaagd; 5. van deze verlaging zijnde machinevormers uitgesloten. Dit voorstel, waarbij als voorwaarde gold dat ontslag zou plaatsvinden tot herstel van de normale werkweek, werd inde loop van de dag door de directie teruggenomen en medegedeeld, dat de loonsverlaging was opgeschort. Dientengevolge verviel het gestelde ultimatum en was afwachtende boodschap. Thans heeft de directie inde plaatselijke bladen doen mededeelen, dat Zaterdag 17 dezer aan 28 arbeiders uit de machinefabriek ontslag is aangezegd. Het personeel, dat van 600 op 250 is ingekrompen, ondergaat met dit ontslag een belangrijke vermindering. In zijn welvaartsleven is de moderne mensch en dit geldt dus ook voor den arbeider niet in gelijke mate sociaal gebonden. Als consument is hij, welk stempel der gemeenschap hij ook moge dragen, in zijne beslissingen souverein. Als producent daarentegen is hij een klein onderdeel in het ingewikkelde mechanisme der behoeftenbevrediging. Dr. I J. Brugmans, Arbeidende Klasse in Nederland”

Het stakende personeel van de „Sola”- fabriek te Zeist. De foto is genomen voor het gebouw „St. Joseph”, na afloop van de vergadering, waarin tot aanneming van de voorstellen der directie was besloten.