Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een jarige collega. (B. K.) Zooals de meeste lezers van „De Metaalbewerker” waarschijnlijk wel zullen weten, heeft onze Bond inde loop van het jaar 1930 besloten een sociaal-economisch en technisch maandblad uitte geven. Het eerste nummer van dit blad verscheen nu juist een jaar geleden en het droeg de naam „Onze Gids”. Daar er in het afgeloopen jaar heel wat vakgenooten tot'onze Bond zijn toegetreden, lijkt het ons niet van belang ontbloot hier nog even iets te vertellen van dit maandblad. Waarom werd er besloten tot stichting van dit orgaan? Omdat onze Bond het als zijn plicht beschouwde niet alleen te strijden voor de stoffelijke belangen der leden, maarde meening was toegedaan ook te moeten bijdragen tot de geestelijke ontwikkeling van zijn leden en meer speciaal van het kader. Inderdaad, onze afdeelingsbestuurders, vertrouwensleden, leden van fabrieksraden, van veiligheidscommissies en ziekenfondsbestuurders, komen inde praktijk van het dagelijksche werk tegenover steeds moeilijker en Ingewikkelder problemen te staan. Om hen bij deze arbeid 'te helpen, werd „Onze Gids” gesticht. Van welke aard zijn nu de onderwerpen die in ons maandblad in het afgeloopen jaar behandeld zijn, welke problemen zullen er inde toekomst besproken worden en door wie? Als wijde twaalf verschenen nummers eens even doorbladeren, zien wij dat het onderwerpen van de volgende aard zijn geweest; het wezen der vakvereeniging, de beteekenis van de collectieve contracten, sociale wetgeving, arbeidsrecht, gezondheid en veiligheid in het bedrijf, om maar enkele onderwerpen van sociaaleconomische strekking te noemen. Daarnaast tallooze artikelen van de hand van onze technische medewerkers over onderdeelen van ons vak welke ons als metaalbewerkers bijzonder belang inboezemen. Om er enkele te noemen: de geschiedenis van de stoommachine, de blauwe spaan, turbines, electromotoren, enz. enz. Onder de medewerkers aan het maandblad tellen wij menschen als A. H. P. van Duuren, accountant, Dr. L. Heyermans, directeur van de Geneeskundigs Dienst te Amsterdam, I. G. Keesing, Voorzitter van de Raad van Arbeid te Utrecht, Mr. S. Mok, leider van het Documentatie-Bureau van het N.V.V., Andr. Sternheim, ambtenaar van het Intern. Arbeidsbureau te Genève, terwijl Ir. H. van Couwelaar, leeraar aan de M.T.S. te Amsterdam, met een staf van zeer bekwame technici de inhoud van het technische gedeelte van het blad verzorgt. Wij hopen hiermee de nieuwsgierigheid van tallooze oude en nieuwe lezers van „Da Metaalbewerker” te hebben opgewekt en kunnen hun aanraden bij hun afdeeling een proefnummer aan te vragen van het Januari-nummer van „Onze Gids”, dat daartoe met een grootere oplaag verschenen is. Moge deze kennismaking dan de aanleiding zijn tot het aanknoopen van nauwere relaties met de administratie van „Onze Gids”, m.a.w. tot het nemen vaneen abonnement waarvan de prijs voor leden van onze Bond één gulden per jaar (betaalbaar in vier termijnen) bedraagt.

Brieven uit Indonesië. XI. Van de olieterreinen van de B.P.M. gaat de reis weer per auto terug naar Palembang, vanwaar wij voor bijwoning vaneen inmiddels vastgestelde bijeenkomst van besturen der beide inlandsche vakcentralen in Solo, terug kunnen naar Java. Vóór ons vertrek naar Solo hebben we nog gelegenheid de stad Palembang, haar naaste omgeving te bezichtigen en enkele personen te bezoeken die ons inlichtingen verstrekken over de toestanden aldaar. De stad Palepibang heeft weinig aantrekkelijks. Ze heeft iets gemeen met het Britsch-Indische Singapore; men vindt er nog het gebruik van de rikshaw, het personenvervoermiddel dat door menschelijke kracht wordt voortbewogen en het ziet er even goor en vuil uit. Het interessantste is de breede stroomende rivier, de Moessi, met haar drukverkeer, welke rechts in zee uitmondt tegenover het eiland Banka en links naar het westen van Sumatra voert, naar haar oorsprong. Naast het genot dat de stad Palembang heeft van deze rivier, waaraan zij voor een groot deel haar beteekenis te danken heeft, is er een nadeel: de stijging van het water bij vloed, waarvan men veel hinder heeft en groote narigheid ondervindt. Talrijke huizen zouden steeds onder water loopen indien ze niet op palen boven de beganen grond stonden. L Wij zijn blij als het tijdstip van vertrek

Wat voorbijging. Het oude jaar glijdt weg in triestige duisternis en een sijpelende motregen. De lucht is loodgrijs en ’t is alsof ze ons zegt dat er ook donkere dagen nd Kerstmis zijn. Heelemaal geen stemming om een oudejaars-, of als men wil, een nieuwjaarsartikel te schrijven. Maar een blik op onze N.V.V.-kalender die nu haast uitgediend heeft geeft ons de zekerheid dat ’t al 23 December is en dit gevoegd bij de eisch dat de cople voor ’t blad van 2 Januari vroegtijdig gereed moet zijn, verplicht ons tot schrijven vaneen overdenkingsartikel. Dat doende kunnen we slechts vaststellen dat het jaar 1931 donker en grauw is geweest, ook voor onze Bond, terwijl we nauwelijks de hoop durven uitspreken dat het nieuwe jaar uitkomst zal brengen. De jammer en ellende zijn internationaal en dat juist geeft ons zulk een hopeloos gevoel, want op ons kleine stukje grond waar we leven en maar lang niet allen ook werken, kunnen we zoo weinig doen om de toestand beter te maken. Wij zijn gelegen tusschen de groote staten en groote volkeren en daar juist liggen inde eerste plaats de oorzaken van alle misère. Is het wonder dat al ons werk van 1931 in het teeken gestaan heeft van deze sombere tijaen die ons als het ware hebben voorgeschreven wat wij te doen hadden? Het geheele voorbijgegane jaar heeft in het teeken van de werkloosheidsverzekering gestaan. Wij beschikken slechts over gegevens die tot 1 December loopen. Maar deze zijn voldiende om ons te zeggen hoe in-droevig 1931 geweest is. Op 1 Januari zijn we het jaar ingegaan met 7855 geheel en 730 gedeeltelijk werkloozen. Van maand tot maand zijnde cijfers opgeloopen en op 1 December hadden we 14.776 geheel en 3.307 gedeeltelijk werkloozen. Het is om er stil bij te worden. Aan kasuitkeering is uitgegeven in Januari ƒ 215.890 (5 weken) Maart „ 283.159 (4 „ ) Mei „ 321.686 (5 „ ) Augustus 317.692 (5 „ ) October 384.841 (5 „ ) November... „ 344.310 (4 „ ) Wij doen maar een greep uit eenige maanden, om te laten zien hoe regelmatig het tiitkeeringsbedrag omhoog ging. Ofschoon het eindcijfer van 1931 nog niet bekend is, mogen we het totaal aan gedane kasuitkeeringen op 3i millioen gulden (ƒ 3.500.000.—) stellen. Deze cijfers spreken duidelijker taal dan wij onder woorden zouden kunnen brengen.

De ontwikkeling van het ledental was buitengewoon sterk. Van 37.802 leden op 1 Januari stegen wij tot 44449 op 1 December j.l. (Het eindcijfer van 31 Dec. is ons thans nog niet bekend.) Een winst van 6647 of een groei-percentage van 17.6 pCt. We zullen thans over de ledencijfers niet verder uitwijden, omdat we reeds in ons blad wan 12 December j.l. zulks vrij uitvoerig gedaan hebben. uit Palembang is aangebroken, want het verblijf is er zeer onaangenaam. Wij hadden onze intrek genomen in het beste hotel dat er waste krijgen, betaalden ƒ 13.50 voor logies en konden het er niet houden wegens de tallooze insecten die er hun bivak hadden opgeslagen. Om op tijd in Solo te komen, moeten we gebruik maken van de vliegverbinding. We zijn dan in 2i uur in Batavia, vanwaar we met de „eendaagsche”, de sneltrein die dagelijks van Batavia naar Soerabaja vertrekt, in plm. 9 uren op de plaats van bestemming kunnen komen. Doen we dat niet en willen we gebruik maken van de gewone verbinding, trein en boot, dan hebben we minstens li dag werk. We besluiten dan maar, trots de gevaren eraan verbonden, over de oerwouden van Zuid-Sumatra en de Indische Oceaan tusschen Sumatra en Java te vliegen, ten einde de bijeenkomst, die ons werk op Java zou bekronen, te kunnen meemaken. En, eerlijk gezegd, we hebben er geen spijt van gehad. Het was een tocht die we niet licht zullen vergeten. Het was een grauwe triestige dag, geen zonnetje kwam door de dichte wolken die boven Palembang hingen. Dat maakte de stad nog somberder en onaangenamer dan ze reeds was. Het was geen prettige gewaarwording dit sombere weer op de dag van onze vliegtocht, terwijl maanden achtereen de zon fel had geschenen, meer dan ons lief was. Waarom hield zij zich nu schuil, nu we naar haar verlangden?

Voor een nadere beschouwing zullen wij de cijfers van 1 Januari 1932 moeten afwachten. Dat de geheele economische toestand van sterke invloed geweest is op onze positie als strijdorganisatie, zal niemand verwonderen. Conflicten hebben we slechts in gering aantal gehad en allen waren van korte duur, terwijl het aantal betrokken leden gering was. We noemen de staking aan de Kettingfabriek te Schiedam met 13 leden en die van Dirven en Hillege, eveneens te Schiedam, ook met 13 leden. Dan twee conflicten bij Pikkers te Muntendam en N.I.V.E. te Hengelo, beide met 12 leden en één bij Simplex te Amsterdam (staking van zgn. biezers) met 5 leden. ’t Meest omvangrijke conflict was dat bij de firma Gerritsen te Zeist, waar 77 leden bij betrokken waren. Al deze conflicten waren op een enkele uitzondering na, met enkele dagen opgelost. In totaal is aan stakerssteun slechts ƒ 13.786.35 uitgekeerd. Wij brengen m herinnering de contractonderhandelingen dit jaar gevoerd, die geheel in het teeken der malaise gestaan hebben en ten slotte tot een contractloos tijdperk hebben geleid. * * * Onder moeilijke omstandigheden nemen wij van het oude jaar afscheid en treden, wij het nieuwe in. Optimisten verwachten dat dit nieuwe jaar opleving te zien zal geven en wij scharen ons bij hen. Maar opleving of geen opleving, de moeilijkheden blijven opgestapeld liggen en veel, zeer veel zal in dit nieuw aangevangen jaar van ons worden geeischt. Laat ons als bondgenooten bedenken dat eensgezindheid naar binnen de zekerste kans biedt op een welslagen naar buiten. Zoo wijdoor de tijdsomstandigheden gedwongen, weinig kunnen doen om met onze vakbeweging te werken aan de verbetering onzer stoffelijke welvaart, zoo blijft voor ons weggelegd dat wij met verdubbelde ijver moeten werken om de hoofden en harten der arbeiders te vervullen van ons algemeen maatschappelijk inzicht. Da ontwikkeling van de arbeidersklasse houdt de voorwaarde in voor haar eigen ontvoogdingsstrijd. Als de tijden zich keeren moeten wij gereed zijn voor het groote werk dat ons wacht. Moge 1932 het einde brengen van de materieele, maar ook van de geestelijke malaise, waarmede 1931 ons zoo ruimschoots bedeeld heeft. En ondanks alle zwarigheden met onze Bond, met de geheele moderne arbeidersbeweging. Voorwaarts!

De steunbeweging voor Groningen en Twente is forsch ingezet. Teekent op en werkt met de steunlijsten van ons N.V.V. Maandenlang had ze ons geplaagd, onze huid verbrand en gebruind en nu we haar noodig hadden, bleef ze weg. De natuur is al even ongedurig als de mensch, meestal dwars tegen de draad in. Toch trokken we ons er niets van aan. Regen en wind kon ons niet deren, we hebben ons voorgenomen om te vliegen en niemand ter wereld zal ons daarvan terughouden. Als het tijdstip van vertrek is aangebroken,worden de propellers in gang gebracht, het vliegtuig glijdt over het veld en voor wij ’t goed merken, zitten we hoog inde lucht. Met een vaart van 160 K.M. op een hoogte varieerend van 500 tot 1000 Meter, vlogen we over de oerwouden van Zuid-Sumatra, over dichtbegroeide bosschen met oud en hoog geboomte, over moerassen en onbegroeide gedeelten, doorkruisd door stroomende rivieren, welke uit bergstreken afkomstig een uitweg zoeken naar zee. Met arendsoogen loeren we uit de cabine van ons vliegtuig naar de aarde. We meenen levende wezens, menschen en dieren, te ontdekken, doch zeker zijn wij er niet van. Er moeten hier toch ook menschen wonen, want er zijn plekken welke duidelijke sporen van bewoning en bebouwing toonen. In elk geval moeten er dieren huizen. Maar wij zien ze met, ons vliegtuig is te hoog van de aarde verheven om levende wezens waar te nemen. We zien ze slechts in onze verbeelding inde bosschen rondsluipen en inde moerassen voortbewegen. Maar niet alleen beneden is wat te zien

Beschouwingen over de economische crisis. Door Dr. J. VAN DEN TEMPEL. (Uit „De Vakbeweging.”)’ (Vervolg.) De productieve capaciteiten der wereld zijn na de oorlog op fabelachtige wijze gestegen. De natuurkrachten werden op ongekende wijze dienstbaar gemaakt aan de productie. De techniek viert haar hoogste triomfen. De technische vooruitgang en de rationalisatie hebben de arbeidsproductiviteit in snel tempo opgevoerd. Het verkeerswezen is zóó geperfectionneerd, dat zonder bezwaar voorheen ontoegankelijke gebieden in het verkeer konden worden opgenomen en alle scnatten der wereld dienstbaar kunnen worden gemaakt aan het wereldhuishouden. De productie is koortsachtig opgevoerd; dat geldt voor vrijwel alle stapel-producten: tarwe, katoen, rubber, staal, ijzer, koper, kunstzijde, automobielen, steenkolen, petroleum, enz., enz. Wij zullen ons zooveel mogelijk onthouden van het geven van cijfers, maar geweldig was de uitbreiding der productie op velerlei gebied in de jongste jaren. De wanverhouding tusschen productie en verbruik, tusschen aanbod en koopkrachtige vraag, nam steeds toe. Enorme voorraden stapelden zich op. Ik moge enkele cijfers geven, ontleend aan het prae-advies van Prof. Dr. H. Fnjda voor de Vereeniging voor de staathuishoudkunde en de statistiek. Voorraden stapelgoederen. -ij S.C B „ C isc ga <uO o Jo S3i3 ioa s s «g -“eg 1924 2.758 254 21 2.255 414 4.467 1925 3.274 131 25 2.708 478 5.384 Juli 1929 3.096 248 25 4.779 611 14 259 Juli 1930 4.970 394 43 5.473 631 28.424 Bij zoo geweldige stijging van productie en voorraden kon de ontwrichting van het bedrijfsleven niet uitblijven. Een felle prijsdaling van de groothandelsprijzen moest intreden, te feller, naarmate het aanbod en de voorraden grooter waren. De anarchie inde productie, het ontbreken vaneen redelijk en organisch verband tusschen productie en verbruik, wreekte zich. Met de scherpe daling inde groothandelsprijzen vond een geweldige verschuiving van koopkracht plaats, een proces, dat tegelijk gepaard gaat met een geweldige vernietiging van koopkracht. De productie in tal van productietakken werd niet meer loonend. Bestellingen bleven uit. Vele ondernemingen komen tot stilstand of werken op gedeeltelijke kracht. De werkloosheid breidt zich uit. Kapitaalvernietiging heeft plaats op groots schaal. Het verband tusschen de koopkracht en de productie gaat dan geheel verloren. Het geheels prijssysteem is ontwricht. Zoo leidt dus de crisis van de overvloed zelf een tijdperk in van verminderde productie en van algemeene verarming. In haar verder verloop heeft deze crisis van overproductie zich dan ontwikkeld tot een algemeene vertrouwens- en credietcrisis. Het is deze vertrouwenscrisis, welke in

dat het oog bekoort, ook boven inde lucht zijn schoone natuurtafereelen te bewonderen. Bij het opstijgen was de lucht als het ware met wolken bedekt. Nauwelijks hebben we echter de hoogte bereikt welke voor veilig vliegen is voorgeschreven, of we krijgen een geheel ander beeld. De zon die op de aarde niet waar te nemen was,beschijnt fel onze vliegmachine en maakt van haar een glanzende glimmende vogel. Beneden ons dwarrelen groote en kleine wolken door het luchtruim welke het doordringen der zonnestralen tot op de aarde pogen te beletten. Met groote snelheid vliegen we door een gordijn van wolken wier schaduwen op de aarde als reusachtige dieren voortbewegen. Steeds dunner worden de wolkenlagen, de zonnestralen slagen er inde aarde te bereiken en alles gloed en glans te schenken. Een korte tijd schittert de tropenzon onbelemmerd voor onze oogen. Inde verte zien we reeds weer donkere wolken voortbewegen, die regen en wind voorspellen. Vóór we het beseffen zitten we er al middenin. Alles wordt nu grauw en duister om ons heen, de regen klettert met groote kracht tegen de ramen onzer cabine, de steeds heviger wordende wind doet ons vliegtuig heen en weer schudden. Afwisselend dalend en stijgend voert de piloot ons met vaste hand door het samenspannende wolkencomplex. Ook dit natuurtafereel duurt maar kort Als een kogel heeft de piloot het vliegtuig door het wolkencomplex geschoten. We komen als uit. een lange tunnel te voor-

Sluiten