Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iVan een Jeugdleidersconferentie. (K.) Sinds de maand Juli 1930 waarin het eerste nummer van „De Jonge Metaalbewerker” is verschenen hebben de lezers van ons vakblad zelden of nooit meer iets gezien over ds jeugdgroepen van onze Bond inde kolommen van hun orgaan. Wij hopen dat zij daaruit niet de gevolgtrekking gemaakt hebben dat het leven in deze jeugdgroepen wegkwijnde. Integendeel, onze jeugdgroepen zijn actiever dan ooit en zij die ons jeugdorgaan regelmatig in handen krijgen, weten dit ook wel. Maar voor hen die het jeugdblad niet lezen en dat is het grootste gedeelte van onze leden, willen wij van tijd tot tijd iets van het jeugdleven in onze Bond vertellen. Dit keer dan zouden wij graag iets zeggen van de jeugdleidersconferentie die op Zondag 20 December te Amsterdam heeft plaatsgevonden. Want lezer, het is in onze organisatie gewoonte geworden om elk jaar de jeugdleiders bijeen te roepen ten einde hen inde gelegenheid te stellen door uitwisseling van gedachten en bespreking van eigen en andermans moeilijkheden, te komen tot dieper inzicht in deze moeilijke materie. Want dat het lang niet gemakkelijk is leiding te geven aan de jeugd, weten zij die op dit gebied hun krachten wel eens hebben beproefd. Het lijkt ons niet gewenscht hier punt voor puntte vertellen wat er die Zondag ! op de conferentie besproken is, want wij hebben de heilige overtuiging dat onze lezers dan vóór ze tien regels verder waren, reeds naar een ander artikel gegrepen zouden hebben en terecht. Maar het zal hen waarschijnlijk meer interesseeren te vernemen wat de hoofdschotel van onze

besprekingen heeft gevormd. Deze hoofdschotel voorafgegaan door een openingsspeech van de bondsvoorzitter en lezing van de notulen als hors d’oeuvre bestond uiteen gedachtenwisseling over de bemoeiingen van ons hoofdbestuur met de jeugdgroepen en de verrichtingen van de jeugdgroepen zelve. Het nagerecht bestond uit twee gangen, n.l. de bespreking van ons jeugdblad en de mogelijkheid van het houden vaneen landelijke bijeenkomst. Ge ziet wel, alles bij elkaar een stevige maaltijd. Dat er bij dit diner menige speech is afgestoken, lijdt geen twijfel voor hen die dergelijke feestelijke gelegenheden wel eens bij gewoond hebben. Er is soms wel eens iets te veel gespeecht ook!

Maar ter zake, waaruit bestonden de bemoeiingen van ons hoofdbestuur met de jeugdgroepen in het afgeloopen jaar? In zeer groote lijnen kwam het hierop neer, dat het H.B. in 1930 naast het jeugdorgaan nog een andere wijze van schriftelijke propaganda gebruikt heeft, n.l. de uitgave van een brochure voor de jonge metaalbewerkers, die goed ontvangen schijnt te zijn. In één afdeeling was men er ten minste in geslaagd 12 nieuwe jeugdleden te winnen. Men had hiervoor 50 brochures bij ongeorganiseerde jongeren uitgezet en was eenige weken later om antwoord gaan vragen, Een voorbeeld dat navolging verdient. Ook de mondelinge propaganda door onze plaatselijke en landelijke bestuurders heeft weer plaatsgehad.

Verder heeft het hoofdbestuur onze jeugdgroepen geldelijk gesteund door het toekennen vaneen subsidie, hetgeen ook in 1932 weer zal gebeuren. Onnoodig te zeggen dat de groepen voor deze soort van steun altijd zeer gevoelig zijn. Mededeeling werd ook gedaan van het feit dat de Jeugdraad van het N.V.V. definitief opgericht werd op 30 April 1931. Deze Jeugdraad bestaat uit vertegenwoordigers van alle bonden die aan jeugdwerk doen, plus twee vertegenwoordigers van het N.V.V. en een van de A.J.C. Onze Bond is inde Jeugdraad vertegenwoordigd door zijn voorzitter P. Danz. De taak van de Jeugdraad is, zoo beknopt mogelijk gezegd, het bevorderen van het vakbondsjeugdwerk en hiermede is inde loop van 1931 bereids een aanvang gemaakt. Naast de behandeling van alle mogelijke innerlijke organisatorische zaken, is de Jeugdraad ook reeds naar buiten opgetreden door op 18 October in het N.V.-Huis te Utrecht een jeugdconferentie bijeen te roepen, waaraan 350 afgevaardigden van de moderne vakbeweging en de A.J.C. hebben deelgenomen. Onze Bond was er vertegenwoordigd door 38 deelnemers uit 24 verschillende plaatsen. Op deze conferentie zijn een tweetal inleidingen gehouden door vooraanstaanden uit de vakbeweging over problemen die voor de huidige jeugd van onmiddellijk belang zijn. De verrichtingen van de jeugdgroepen in 1931, m.a.w. wat deden de jeugdgroepen voor hun jonge leden in het afgeloopen jaar, waren aanleiding voor de jeugdleiders om uitvoerig verslag uitte brengen van hun bevindingen op dit gebied. Wij willen volstaan met de mededeeling dat deze gedachtenwisseling voor de jeugdleiders zelf zeer vruchtbaar is geweest, maar

het heeft natuurlijk geen zin op deze plaats in details hierover te treden. Van de nagerechten heeft vooral de bespreking van het jeugdblad de redacteur menige goede aanwijzing gebracht inzake wenschen en belangstelling van de jeugdige lezers, hetgeen de inhoud van de toekomstige nummers van het jeugdblad ongetwijfeld ten goede zal komen. Wij willen eindigen met de hoop uitte spreken, dat deze enkele regels gewijd aan de bijeenkomst van onze jeugdleiders, voor velen van onze oudere leden de aanleiding mogen zijn nog eens over deze dingen na te denken. Zij zullen dan waarschijnlijk spoedig tot de ontdekking komen dat hier voor i hen eveneens een taak ligt die betrekkelijk gemakkelijk te vervullen is. Zij kunnen het werk van de jeugdleiders in onze Bond belangrijk verlichten indien zij als vaders van jonge vakgenooten en als ouderen in fabriek en werkplaats van hun invloed gebruik maken om de jongens waarmee zij dagelijks omgaan, te overtuigen dat zij lid moeten zijn van de A.N.M.B. en deelnemen aan het werk van de jeugdgroepen.

Reorganisatie van de opleiding van scheepsmachinisten. Verschenen is het rapport van de Commissie, geïnstalleerd door de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen op 10 Juni 1931, aan welke commissie werd opgedragen te onderzoeken op welke wijze, in verband met de eischen van de practijk, de opleiding van scheepsmachinisten moet worden geregeld, hoe de leerplannen het beste worden samengesteld en hoe lang de verschillende vormen van opleiding zullen moeten duren. In deze commissie waren vertegenwoordigd de belangrijkste categorieën van belanghebbenden bij de opleiding tot scheepsmachinist. Zij omvatte vertegenwoordigers van de werkgevers, werknemers, scheepvaartinspectie, machinistenexamens, inspectie van het nijverheidsonderwijs en van dit onderwijs zelf, voor zoover hét bij de machinistenopleidingen is betrokken. De commissie heeft nagegaan welke tekortkomingen aan de tegenwoordige methoden van opleiding en examineeren van de machinisten klevèn, de verschillende begintoestanden betreffende voorontwikkeling en practische ervaring van de diverse groepen van candidaat-leerlingen die de nieuwe opleidingen zullen kunnen volgen, hoe de structuur van de onderscheidene opleidingscursussen zal moeten zijn wat betreft de leerplannen en alle daarmede samenhangende factoren en de verschillende eindtoestanden waartoe de nieuw te organiseeren opleidingen en cursussen de groepen van leerlingen moeten brengen in verband met de door de ontwerp-Koninklijke besluiten, krachtens de ontwerp-wet op de Zeevaartdiploma’s, onderscheidenlijk op de Zeevischvaartdiploma’s, te stellen eischen. Zij komt na beschouwingen over de aanwezige opleidingsinrichtingen en over de gebreken die het bestaand stelsel aankleven, tot de voorwaarden voor de structuur van de toekomstige machinistenopleidingen, welke zij ineen 10-tal ontwerp-leerplannen heeft vastgelegd. Elk dezer leerplannen omvat: duur van iedere cursus: normaal aantal wekelijksche lesuren; data van aanvang en sluiting van de cursus; eischen van toelating; het eindexamen; omschrijving van de leerstof en verdeeling van de lestijden. De mogelijkheid van verwezenlijking van deze leerplannen wordt uit verschillende oogpunten bekeken en uitvoerig nagegaan. Rekening is gehouden met de behoefte zoowel van jongens die alleen de lagere school hebben gevolgd en inde machineindustrie werkzaam zijn als met hen die een ambachtsschool dan wel een U.L.0.- school of de eerste 3 klassen vaneen H.B.S. met 5-jarige cursus hebben doorloopen. De nadruk is gelegd op de noodzakelijkheid van het toekennen van rechten ingevolge de ontwerp-wetten op de Zeevaartdiploma’s en de Zeevischvaartdiploma’s aan de eindgetuigschriften der fundamenteele opleidingen, zoodat een tweede examen na het schooleindexamen voor de lagere machinistenrangen overbodig wordt. Dit rapport met 12 bijlagen (94 bladzijden druks, met 4 figuren) is verkrijgbaar bij de Algemeene Landsdrukkerij.

CORRESPONDENTIE P. V. te R. Moet nou een oude rot als gij zijt over zoo iets een ingezonden stuk schrijven? Ga eens met Wacht of Walther praten. Die zijn toch óók V.A.R.A.-voorstanders. Gegroet, REDACTIE.

Vernietiging. De ergste wanverhouding in onze kapitalistische maatschappij is die van enorme voorraden verbruiksgoederen aan de eene en die van gebrek aan koopkracht aan de andere kant. Bij de behandeling van wijziging en verhooging van hoofdstuk V der Rijksbegrooting voor het dienstjaar 1931, behelzende steunverleening aan de landbouw, heeft Duijs eenige cijfers genoemd betreffende de zoo goed als onverkoopbare voorraden stapelgroenten inde provincie Noord- Holland. ! Op 1 December 1931 waren op een 12-tal veilingen in deze provincie, vergeleken bij een jaar tevoren, méér aanwezig: 1900 wagons roode kool; 563 wagons gele kool en 1297 wagons Deensche witte kool. Een wagon kool weegt 10.000 K.G. De totale voorraad koolproductie bedroeg derhalve 3760 wagons méér den een jaar tevoren. De tuinders weten met deze voorraden geen weg omdat zij in het buitenland; Duitschland, Tjecho-Slowakije en Oostenrijk, geen of zeer onvoldoende af zet kunnen vinden. En dan te weten, dat de bevolking van deze landen schreeuwende behoefte heeft aan deze voedselproducten. Bovendien zijn ook in ons land de prijzen van deze producten, niettegenstaande de tuinbouwers evengoed armoelijden, nog veel te duur. De chaos waarin wij leven is wel tot een enorme hoogte gestegen. Inde andere landen, met,name dezulke waar men koffie voortbrengt, worden hopelooze pogingen aangewend om de steeds dalende groothandelsprijzen te redden. Brazilië is er een schitterend voorbeeld .van. In het maandblad van de Centrale Bond van Nederl. Verbruikscoöperaties lazen wij de volgende mededeeling omtrent vernietiging van kof fie-voorraden: Door de Koffieraad van Brazilië werd medegedeeld, dat inde vorige week vernietigd werden 30.000 balen Rio, 64.000 balen Santos en 10.000 balen Victoria, tezamen 104.000 balen. De hoeveelheid, welke vanaf 1 Juli tot op heden vernietigd is, bedraagt 359.000 balen Rio, 1.609.000 balen Santos en 148.000 balen Victoria, tezamen 2.116.000 balen, waarbij nog komt de vóór 1 Juli vernietigde hoeveelheid, bedragende 559.000 balen, hetgeen dus tezamen een vernietiging aantoont van 2.675.000 balen. Bij zulke wantoestanden wordt het wel heel moeilijk om door de Kerstleuze te worden gesticht. Wij mógen slechts hopen dat deze verschijnselen, welke trouwens niet nieuw zijn, er toe zullen bijdragen om de af keer tegen het kapitalistische stelsel met z’n wanprestaties te doen toenemen. De noodzakelijkheid van het socialisme zal daardoor in sterker mate worden gevoeld. Het grootere voordeel. Door de heer Max van Poll, lid van de Tweede Kamer en redacteur van het R.K.- dagblad „De Morgen” zijn eenige vragen gesteld aan de Minister van Arbeid, waardoor een schril licht wordt geworpen op de verhoudingen inde industrie. Te Helmond is de grootste draadnagelfabriek stopgezet voor de duur van 5 jaren. De fabriekseigenaren hebben zichzelf veilig gesteld naar het schijnt doordat zij in ruil voor de stopzetting der draadnagel-productie, een schadevergoeding vaneen internationaal syndicaat ontvangen. Dit heeft de heer van Poll bewogen de volgende vragen te stellen: 1. Is het den Minister bekend, dat de grootste draadnagelfabriek te Helmond voor een duur van 5 jaren geen draadnagels meer zal maken en dat de vennootschap voor deze stilzetting een ruime vergoeding ontvangt vaneen internationaal syndicaat? 2. Is de Minister in staat en bereid mede te deelen of het aanvankelijk aan dein vraag I bedoelde 'fabriek door het syndicaat toegewezen quote na den verkoop is overgegaan aan een buitenlandsche fabriek, zoodat een belangrijke werkgelegenheid voor Nederland verloren ging? 3. Is het den Minister bekend of ook de door dezen uitkoop werkeloos geworden arbeiders een vergoeding ontvangen? 4. Kan de Minister mededeelen of de uitgekochte firma bereid is geweest om mede te werken tof het tot stand brengen eener draadwalserij in Nederland, welke de draadindustrie onafhankelijk zou maken van buitenlandschewalserijen en of daartoe plannen hebben bestaan, die nu niet terstond tot uitvoering komen, ten gevolge van de aansluiting der draadverwerkende fabrieken bij een internationaal syndicaat, waarbij de stil-

zetting van dein vraag I bedoelde fabriek werd overeengekomen? 5. Is de Minister niet van meening, dat door dezen gang van zaken het algemeen belang wordt geschaad en de noodzakelijkheid gebleken is om ons land onafhankelijk te maken van syndicaten, die de algeheele beschikking hebben over de voor onze industrie noodige grondstoffen en halffabrikaten? 6. Is de Minister niet van meening, dat het welzijn der geheele bevolking vereischt.dat beslissingen over het voortbestaan eener industrie niet uitsluitend afhankelijk wordt gesteld van het geldelijk voordeel vaneen onderneming? 7. Zoo ja, meent dan niet de Minister, dat van Overheidswege zoo spoedig mogelijk tot het tot stand komen van een walsbedrijf als aanvulling van het hoogovenbedrijf behoort te worden overgegaan, waarover de Regeering een groote mate van zeggenschap heeft? Wij staan hier dus voor het geval dat een ondernemer z’n bedrijf, of een groot deel daarvan, stil legt krachtens internationale regeling en daarmede aan vele menschen werkgelegenheid ontneemt. Zoolang deze ondernemer er voordeel in zag liet hij een zeker aantal menschen voor zich werken. Toen hij grootere voordeelen kon bereken, ontsloeg hij hen. Hier was geen gebrek aan werk, het bedrijf kon orders bekomen en uitvoeren. Stopzetting was echter voordeeliger en de ondernemer-kapitalist vernietigde daarom de werkgelegenheid, zooals de koffiebezitters in Brazilië hun voorraden vernietigden. In ’t wezen van da zaak is er geen onderscheid tusschen deze beide, daden. Jammer genoeg voor de Helmondsche fabrikant, kon hij z’n overschot aan werkkrachten niet verbranden, hetgeen anders een radicale oplossing voor hem zou zijn geweest. Thans blijven die vele werkloozen, geloofsgenooten bovendien, werkloos langs de straat loopen als een levende aanklacht tegen de maatschappelijke toestand die zooiets mogelijk maakt. Wij zijn zeer benieuwd naar het antwoord dat de heer van Poll op z’n vragen zal krijgen, ofschoon wij nu reeds ’t gevoel hebben dat hij wel met een kluitje in ’t riet gestuurd zal worden. Afwachten maar. ———————Min. ii | Actie voor de verkorting van de arbeidstijd. Berekeningen van de economische deskundige vaneen groote Amerikaansche bank. (Persdienst 1.V.V.) Norman E. Towson, de economische deskundige der „Washington Loan and Trust Company”, maakt met betrekking tot het vraagstuk van de arbeidstijd de volgende berekening: „Inde Amerikaansche industrieën zijn in normale tijden 48 millioen arbeiders werkzaam. Het aantal werkloozen op dit oogenblik kan op 6 millioen geschat worden, zoodat er 42 millioen werkende arbeiders overblijven. Laten we aannomen dat deze 42 millioen arbeiders gedurende zes dagen 8 uur per dag en dus 2.016 millioen uren per week werken. Indien ze slechts gedurende vijf dagen 8 uur per dag werkten, zouden ze voor 1.680 millioen uren werk verzetten. Voor dezelfde hoeveelheid werk zouden dan 50.4 millioen arbeiders noodig zijn, d.w.z. een grooter aantal dan inde tijd toen men nog niet van werkloosheid spreken kon. Daarbij zou ook tegelijkertijd rekening gehouden zijn met de toeneming der bevolking en de voortschrijdende mechanisatie.” Deze berekeningen komen tamelijk nauwkeurig overeen met de schattingen van het Amerikaansch Vakverbond, dat van meening is, dat indien alle arbeiders tewerk gesteld worden en, men rekening houdt met het benoodigde voor het binnenlandsch gebruik en voor de uitvoer, 35 uur werken voor iedere arbeider voldoende is. N. E. Towson licht de cijfers als volgt toe: „Het eigenlijke doel van het menschelijke streven is economische onafhankelijkheid. Het doel der onafhankelijkheid is het verkrijgen van vrije tijd. Deze door mechanisatie en rationalisatie verkregen vrije tijd moet aan allen ten goede komen en niet alleen aan een paar rijken en vrijwillig werklooze parasieten die van de winst leven, terwijl een leger onvrijwillig werkloozen ten laste van de weldadigheid komt!” ADVERTENTIEN Al onze leden een gelukkig en voorspoedig 1932. Het bestuur der afdeeling H 1.-Ambacht

Sluiten