Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rapporten de cursusduur van drie jaren tegenover het streven om deze tot twee jaren te beperken, verdedigd en in het laatste zelfs als een uitgesproken noodzakelijkheid aangemerkt. In het rapport van onze Bond werd in dit verband gewezen op de jongens die zich door middel van het ambachtsschoolonderwijs verder bekwamen willen en de Middelbaar Technische Schoolgaan volgen. Beide rapporten zijn het echter hierin ook weer geheel eens dat de ambachtsschool niet de school kan worden voor de massa van jeugdige arbeidskrachten. Het vakonderricht zal" voor de groote massa der jongeren (zie rapport N.V.V., bladz. 42) voor een voorloopig onafzienbare tijd onvermijdelijk moeten bestaan uiteen combinatie van school- en werkplaatsonderricht. Het N.V.V.-rapport stelt ten opzichte van de ambachtsschool vervolgens de eisch, dat ook daar medezeggenschap moet komen inde besturen van de vakorganisaties van werkgevers en werknemers en de vertegenwoordigers van het leerarenpersoneel. Niet alleen om daardoor over de belangen van de bij het onderwijs betrokkenen te waken, doch tevens om het contact tusschen dit schoolonderwijs en het bedrijfsleven te bevorderen. Niet alleen de schoolbesturen moeten zich voortdurend op de hoogte houden van de stand van de techniek en de arbeidsmethoden in het bedrijf, ook de leeraren individueel moeten daarvan op de hoogte zijn. Voortdurende voorlichting der leeraren, o.a. door bezoek aan de bedrijven, is een noodzakelijke voorwaarde voor het welslagen van het ambactitsschoolonderwijs. Ook om deze redenen zegt het rapport, moet met het bestaande regentenstelsel aan deze scholen gebroken worden. Van niet geringe beteekenis is bij dit onderwijs de opleiding van de leeraren, waaromtrent de wenschelijkheid wordt uitgesproken dat de overheid zich daarmede zal bemoeien. * * * Wij hebben hiermede naar ons beste weten de hoofdstukken van het rapport van het N.V.V., welke rechtstreeks over de vakopleiding handelden, besproken en wijzen er hier verder op dat het rapport tevens bevat een korte uiteenzetting van de opleiding in, de binnenvaart en onderwijs aan de werklooze jeugd, waarvan vooral het laatste onderwerp als zeer actueel mag worden aangemerkt en waarvoor gelukkig in verschillende plaatsen ook reeds belangrijk werk gedaan wordt. Wij volstaan verder met te vermelden dat in het rapport tevens behandeld wordt de opleiding voor volwassenen en een korte bespreking gewijd is aan de toepassing van de psycho-techniek bij het onderzoek van de geschiktheid van de leerlingen voor de afzonderlijke beroepen. Deze artikelen over vakopleiding willen wij niet sluiten zonder tevens de aandacht te vestigen op de toestand van het oogenblik en de vooruitzichten inzake verbetering van de vakopleiding in onze eigen industrie. Aan een van de eerste vereischten, n.l. dat er belangstelling moet zijn, is thans gelukkig voldaan. Behalve de rapporten uit onze kring en de moderne vakbeweging, is ook een rapport van het Christelijk Vakverbond uitgekomen en naar wij meenen te weten zijn ook de R.K. met hun rapport zoo goed als klaar. Wij wijzen verder op de groote belangstelling voor het congres van de Vereeniging voor Vakopleiding in December van het vorige jaar gehouden. Aan practische arbeid inde kring van de vakbeweging ontbreekt het zeker ook niet. De reeds geheel ingerichte opleiding inde grafische vakken en de getroffen regelingen in het meubelmakers- en schildersbedrijf, getuigen daarvan. In onze eigen industrie kunnen wij echter niet op groote vorderingen bogen. Er bestaat een Vereeniging voor Electrotechnisch Vakonderwijs (V.E.V.), welke reeds in 1916 tot stand kwam en waarin ook onze en andere vakbonden in het bestuur vertegenwoordigd zijn. Deze instelling heeft ongetwijfeld haar waarde en kan onder de electriciens op een zekere belangstelling in het land rekenen. Dat echter het particuliere installatiebedrijf er belangrijk door in peil zou zijn gestegen gedurende het bestaan en werken van deze vereeniging, mogen Wij niet zeggen. Daarvoor is de belangstelling in het bijzonder bij de heerenpatroons, te gering. De goede bedoeling die bij de stichters van het ingestelde V.E.V.- examen voorzat, is in het particuliere bedrijf niet naar waarde geschat en daar ligt voor beide partijen van werkgevers en werknemers nog zoo goed als alles te doen. In het loodgietersbedrijf is gelukkig sinds eenige jaren de belangstelling gaande gemaakt en zijn in verschillende plaatsen

voorbereidingen getroffen waardoor resultaten verkregen werden die iets goeds beloven. Verder zijn er nog tal van vakken waarin van eenige opleiding nog in het geheel geen sprake is en in afzienbare tijd ook niets zal komen wanneer geen krachtige samenwerking van de georganiseerde werkgevers voor dit doel tot stand komt. Uit het overzicht van de verstrekte subsidies krachtens de Nijverheidsonderwijswet hebben wij nu kunnen vernemen, dat de leerlingopleiding bij Stork en Dikkers en bij ons niet anders bekend als een zuiver particuliere onderneming van deze beide firma’s, thans een vereeniging voor leerlingopleiding is en voor Rijkssubsidie in aanmerking komt. Van eenige medezeggenschap of invloed aan de vakvereenigingen, schijnt daarbij niet gedacht te zijn. De Philips’ Vereeniging voor Volksontwikkeling en Vakopleiding heeft ten minste nog een vorm weten te vinden om de vakverenigingen er bij te interesseeren. Bij Stork is echter dat ook nog nagelaten en wat wij daarin ergerlijk vinden is, dat evengoed van de Rijkssutasidie gebruik gemaakt wordt en de minister daarmede instemt. De misère inde industrie brengt de werkgevers, welke vóórdien de leerlingopleiding geheel in eigen handen hielden, omdat ze van overheidscontróie niets moesten hebben, er toe overheidssubsidie aan te vragen en met de centen, die ze thans goed gebruiken kunnen, nemen ze dan het overheidstoezicht maar op de koop toe. Van de lastige inmenging van vakvereenigingsbestuurders moeten ze echter niets hebben. Deze zijn gewoonlijk te goed ingewijd met wat er omgaat inde werkplaatsen om ze met een kluitje in het riet te kunnen sturen. Wij verheugen ons in het toenemend aantal leerlingen waarvoor krachtens de N. O. W. subsidie wordt verleend, doch dat de ministergenoegen neemt met een zoo eenzijdig samengestelde vereeniging waarin practisch niemand anders dan de werkgever te vertellen heeft, verbaast ons zeer. In Rotterdam bestaat ook een geheel uit en door werkgevers gestichte vereeniging van leerlingopleiding. Wij hebben haar nog niet gevonden op het lijstje van gesubsidieerde, doch dat deze niet hetzelfde zal probeeren als in Hengelo is geslaagd, nu ze het geld zoo goed gebruiken kunnen en er practisch toch niets aan zeggenschap wil verspelen, dat moeten wij nog ziefj. En dat de heeren werkgevers ook op dit tfrrein uit eigen beweging aan de vertegenwoordigers der vakbonden eenige invloed zullen toestaan, achten wij ook uitgesloten. In die kringen geldt altijd nog wat ons vroeger wel eens is toegevoegd: „wij doen niets als wij er niet toe gedwongen worden”. De klachten die wij uit Hengelo en Rotterdam krijgen wijzen er wel op, dat er reden is om ons buiten de deur te houden. Dat het niet mogelijk was met de geweldige inzinking inde werkgelegenheid de leerlingopleiding op volle sterkte te handhaven en dat ook daar niet alle ontslag is kunnen voorkomen worden, mogen wij betreuren, doch is ten slotte aan niemand kwalijk te nemen als de noodzaak dringt. Echter dat men zich in Rotterdam niet heeft kunnen opwerken tot het besluit om aan die jongens, die toch geheel buiten hun toedoen niet aan dein het leerlingcontract gestelde eisch voldaan hebben, de in uitzicht gestelde som van ƒ 150 geheel of gedeeltelijk uitte betalen, moeten wij om de opleiding zelf sterk betreuren. Het behoeft geen betoog dat het een desillusie is voor de ouders en de leerlingen. De leerlingovereenkomst geeft de jongens pas recht op uitbetaling van genoemd bedrag als zij na de leerlingtijd van vier jaren nog twee jaren bij dezelfde onderneming in dienst blijven. Worden ze bij wijze van spreken een dag eerder uit de dienst ontslagen, waartegen de jongens noch de ouders iets kunnen doen, dan zijn ze de premie voor trouwe dienst kwijt. Wie dit billijk en rechtvaardig noemt, moet het maar zeggen. Ons verzoek aan de Rotter – damsche Vereeniging voor Vakopleiding om bij de aangesloten leden-werkgevers in overweging te geven het beloofde bedrag geheel of gedeeltelijk onder deze omstandigheden uitte betalen, moest met het oog op de toestand van de ondernemingen woeden afgewezen, berichtte men ons. Dat der gelijke dingen zich zoo zouden kunnen voordoen als de vertegenwoordigers van de arbeiders zelf in die Vereeniging zaten, achten wij uitgesloten. Dit wat wij hier signaleerden is ongetwijfeld een uitwas die wij als crisisgevolg hebben te zien, doch in het algemeen genomen blijkt uit de houding van de werkgevers inde metaalnijverheid er nog niets van, dat zij er wat voor voelen om inzake de vakopleiding met de vakvereenigingen samen te werken. Ook op dit terrein zullen wij echter onze invloed moeten vergrooten en laten wijde leiding niet alleen bij de werkgevers.

Qverzicht van de werkloozenkas over het le kwartaal 1932.

(H. J. v.d. B.) Het aantal werkloozen is helaas ook in het le kwartaal 1932 weer belangrijk toegenomen. Op 31 December 1931 waren 14.784 leden geheel en 2.290 leden gedeeltelijk werkloos. Op 31 Maart 1932 waren deze cijfers respectievelijk 18.195 en 3.561. Een toename met 3.411 voor wat betreft de geheel werkloozen en voor de gedeeltelijk werkloozen met 1.271 leden. Op- 31 Maart 1932 was 39.6 pCt. van onze leden geheel en 7.7 pCt. gedeeltelijk werkloos, of in’ totaal 47.3 pCt. De offers van onze werkloozenkas ge-

vraagd voor het le kwartaal zijn groot. Uitgekeerd is: In 1932 ƒ325.302.92 In Februari 1932 „ 331.117.90 In Maart 1932 „ 306.003.32i Totaal ƒ 962.424.14i Om een algeheel beeld te geven van de toestand van onze werkloozenkas, laten wij hieronder volgen de balans en verliesen winstrekening per 31 Maart 1932.

WERKLOOZENKAS A.N.M.B. Balans per 31 Maart 1932.

Kassier A.N.M.B ƒ 74.270.58i ƒ 74.270.58i

Voorschot subsidie Rijk en gemeenten (te veel ontv. Ie kwartaal ’32) ƒ31.773.80 Kap. 1/1 ’32 ... ƒ577.860.50 Verlies le kw. ’32 „ 535.363.71i Saldo kap.rek. „ 42.496.78i ƒ 74.270.58i

Verlies- en winstrekening per 31 Maart 19.32.

Uitkeeringen ƒ 962.424.14| ƒ 962.424.14i

Bijdragen leden ƒ106.112.20 Subsidie Rijk en gemeenten „ 318.226.20 Terugstorting onrechtmatige uitkeeringen „ 2.722.03 Verlies 535.363.71i ƒ 962.424.14-i

I De wereldscheepsbouw in het eerste kwartaal. (Vs.) Zooals gebruikelijk, heeft Lloyds’ „Gazette” omstreeks de helft van de vorige maand weer wat cijfers gepubliceerd over de stand van de scheepsbouw inde diverse landen. Het is overbodig te zeggen, dat deze cijfers een allerbedroevendst beeld geven van de verrichtingen inde scheepsbouw, maar uit ervaring weten wij, dat het beeld helaas in elk opzicht juist is. Het werk dat onderhanden is inde geheele Wereld, daalde van 1.403.795 ton aan het eiftde van het vorige jaar tot 1.297.963 ton aan het einde van het vorige kwartaal. Een achteruitgang dus van 106.000 ton. Vrijwel alle landen kregen een deel van deze achteruitgang te boeken, döch ' ons land kreeg nog wel iets meer dan zijn rechtmatige portie. Het onderhanden Werk daalde hier van 67.866 ton tot 50.915 ton, een cijfer dat zelfs inde zwartste maanden van 1923 niet werd bereikt. Ook Denemarken heeft een zeer belangrijke daling in zijn cijfers te boeken gekregen. In dat land daalde het onderhanden werk met meer dan de helft. In December werd opgegeven dat 51.800 ton scheepsruimte onderhanden was. Nu vinden wij het cijfer van 24.265. Met dit land vergeleken is Nederland er nog goed afgekomen. Voorts heeft ook Engeland zijn cijfers in dit kwartaal weer niet onbelangrijk zien dalen. Waren er op 31 December 88 schepen onderhanden met een inhoud van 400.505 ton, op 31 Maart lagen er 98 niet voltooide schepen met een tonnenmaat van 372.973 ton op de diverse hellingen of bij de diverse werven. Aan een groot deel van deze schepen werd bovendien niet gewerkt. Vele reeders hadden wegens gebrek aan liquide middelen of om andere redenen tot de scheepsbouwende firma’s het verzoek gericht om de bouw aan hun schepen te staken. Lloyds’ list vermeldt dat aan 22 schepen, welke een gezamenlijke inhoud hadden van niet minder dan 165.000 ton, het werk was gestaakt. Strikt genomen hadden de Engelsche scheepsbouwers dus slechts ruim 210.000 ton scheepsruimte onderhanden. Doch zelfs een cijfer van 372.000 ton is voor Engeland al verontrustend laag. Sinds December van het jaar 1886 is dit cijfer voor het vereenigde koninkrijk niet meer geregistreerd. Hieruit valt dus wel af te leiden, met welk een hevigheid de huidige crisis de Engelsche scheepsbouw heeft getroffen. Een paar landen zijn er in dit kwartaal nog vrij behoorlijk af gekomen, t.w. Zweden en Italië. Deze landen wisten hun onderhanden werk nog een ietsje uitte breiden. In Italië steeg het onderhanden werk van 178.000 tot 181.000 ton en in Zweden van 95.000 tot 98.000 ton. Bij de beoordeeling der Italiaansche cijfers moet er echter rekening mede worden gehouden, dat men daar een tweetal schepen bouwt van meer dan 40.000 ton, welke schepen in het jaar 1930 op stapel zijn gezet. Wij mogen aannemen, dat aan deze schepen nu niet bepaald met koortsachtige ijver wordt gewerkt nu zoowel Engeland als Frankrijk, die beide respectievelijk één en twee schepen van meer dan 40.000 ton op stapel hebben staan, de bouw

aan die schepen hebben stilgezet. Men heeft in Frankrijk weliswaar alles in het werk gesteld om het benoodigde geld voor de voltooiing van de schepen te vinden, doch men is in deze poging niet geslaagd. Intusschen zijnde Italiaansche cijfers hooger dan drie maanden geleden en zelfs nog beteekenend hooger dan in Juli 1930. Men schijnt daar wel alles in het werk te stellen om de vloot uitte breiden en te verbeteren en men laat zooveel mogelijk in het eigen land bouwen. Men werkt er nog niet snel, ineen van onze vorige artikelen hebben wij dit met cijfers aangetoond, doch het schijnt toch te gaan. In verband met wat wij inde vorige alinea’s mededeelden over de Italiaansche scheepsbouwcijfers, willen wij eens een overzicht geven van het onderhanden werk inde diverse belangrijkste landen op 1 Juli 1930 en een overzicht van hèt werk op 1 April 1932. Onze lezers kunnen dan zelf vergelijkingen treffen. Landen 30 Juni ’3O 31 Maart ’32 Engeland 1392.063 372.973 Britsche Koloniën ... 16.592 3.301 België 13.161 4.860 China 3.700 *) Danzig 10.260 2.200 Denemarken 115.991 24.265 Frankrijk 185.960 156.760 Duitschland 237.468 103.885 Holland 187.445 50.915 Italië > 143.075 181.821 Japan 121.607 45.770 Noorwegen 39.976 10.880 Rusland 156.621 *) Spanje 65.552 33.272 Zweden 126.980 98.301 Vereenigde Staten ... 238.163 206.703 Andere landen 2.121 2.057 Totaal 3.057.735 1.297.963 *) Geen cijfers verstrekt. Veel toelichting behoeven deze cijfers, na wat wij reeds schreven, niet. Zij vertellen met ontstellende duidelijkheid hoe erg het in vrijwel alle landen met de scheepsbouw is gesteld. En èlk kwartaal brengt opnieuw lagere cijfers. Soms denkt men, dat het voor een bepaald land niet meer lager kan en dan toonen de getallen vaneen volgend kwartaal toch weer dat een daling nog mogelijk is. * ♦ * Wij willen nu nog een enkel woord zeggen over de scheepsruimte, die in het verstreken kwartaal op stapel is gezet, omdat deze van beteekenis is voor het werk inde allernaaste toekomst. Wij moeten dan constateeren, dat men vrijwel nergens in beteekenende mate werk op stapel heeft gezet. In het laatste kwartaal van 1931 begon men in et de bouw van 84 schepen met een inhoud van ruim 225.000 ton, in het eerste kwartaal van 1932 zijn er volgens de gepubliceerde cijfers slechts 61 schepen met een inhoudsmaat van... 80.000 ton op stapel gezet. Hieruit blijkt wel, dat de komende maanden nog met grooter zorg tegemoet gezien mogen worden. En dit geldt voor ons land

Sluiten