Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doorlichting bij het organiseeren yan feest- of propagandabijeenkomsten. Het Instituut voor Arbeidersontwikkeling is op de gelukkige gedachte gekomen, dat het, naast z’n vele andere bemoeiingen, zich o.m. ook moet gaan bezighouden met een goede voorlichting betreffende het organiseeren van feestavonden. Aan een circulaire, gericht tot een groot aantal organisaties, pntleenen wij, dat „het centraal bestuur tot stichting van een Program-Bureau overgegaan is, welk bureau zich in dienst stelt van alle instanties van onze beweging. De leiding is Opgedragen aan C. v.d. Lende en P. K. Polderman.” Het bureau, zoo lezen wij verder, is er in geslaagd een belangrijk aantal artisten aan zich te verbinden, die zich allen bereid hebben verklaard om via het bureau hun medewerking aan alle instanties der moderne arbeidersbeweging te verleenen. Waarom wij deze nieuwe bemoeienis van het instituut toejuichen? Wel, om de zeer eenvoudige reden, dat het ook ons meermalen getroffen heeft, dat op feestavonden betaalde medewerking wordt verleend door menschen die zich wel artist noemen, doch die inde verste verte geen aanspraak op deze titel kunnen maken. Het gebodene staat heel dikwijls vèr beneden het peil, dat wij krachtens de aard van onze beweging de menschen behooren aan te bieden. Daar komt nog bij, dat heel dikwijls menschen worden uitgenoodigd, die, zooal niet vijandig, dan toch meestal zeer onverschillig tegenover onze beweging staan. Vaak wordt de schijn voor het wezen genomen als zulke artisten „doen alsof” en de indruk wekken dat ze wonderveel met de arbeidersbeweging uitstaande hebben. Meermalen hebben wij ons, als wij als spreker op een feestavond optraden, geërgerd aan hetgeen vóór of na ons voor ’t voetlicht gebracht werd. Goede voorlichting op dit terrein is zeer noodig en wij spreken de wensch uit, dat onze afdeelingsbesturen bij voorkomende gelegenheid er aan zullen denken, zich, wat de voorbereiding vaneen feestavond betreft, met dit nieuwe bureau van ons Inst. voor Arbeidersontwikkeling in verbinding te stellen. Men heeft dan de zekerheid vaneen onbaatzuchtige voorlichting, die er op gericht is het belang van onze geheele beweging te dienen. Het bureau willen wij intusschen er op attendeeren, dat de menschen op feestavonden ook wel eens heel hartelijk willen lachen. Men vervalle niet inde fouten, vroeger wel eens op dit terrein gemaakt, dat het gebodene de toehoorders ineen soort van crematorium-stemming bracht. Ernst en luim, maar beiden uiteen ge- ; zonde, zuiver menschelijke ader voortvloeiend, dat is het wat wij noodig hebben. De beide kanten zien. Ja, elke zaak heeft ten minste twee kanten; waar een zonzijde is, is als regel ook een schaduwzijde. Dat ondervindt op ’t oogenblik Engeland, dat na een jarenlange traditie van vrijhandel thans de protectionistische weg opgehold is en waardoor nu o.m. een verhoogd invoerrecht op ruw ijzer geheven wordt. Die maatregel, getroffen om de ijzerindustrie van het vereenigd koninkrijk te beschermen, beteekent een groot nadeel voor het Hoogovenbedrijf in Velsen. Maar tegelijkertijd dat Engeland z’n ijzerindustrie beschermt, benadeelt het daardoor z’n kolenindustrie, hetgeen uit het navolgende bericht, ontleend aan de „Nw, Rotterdammer” van 5 Aug. j.1., moge blijken. Zooals bekend is, heeft de Engelsche regeering de invoerrechten op ruw ijzer verhoogd tot 33 pCt. Daardoor wordt ook het Hoogovenbedrijf te IJmuiden ernstig getroffen, daar dit veel ruw ijzer naar Engeland exporteerde. Verleden jaar toch werden 56 scheepsladingen direct van de hoogovens naar Engeland verzonden. Thans is van uitvoer geen sprake meer. Hoe een land door het heffen van zulke hooge invoerrechten echter zelf getroffen wordt, kan blijken uit het volgende. De hoogovens gebruikten veel Engelsche steenkolen, door elkaar 3 è. 4 scheepsladingen per maand, dus van 10.000—16.000 ton. Zelfs kwamen er wel eens 5 stoomschepen per maand. Thans zijn voor de hoogovens in Juni nog twee ladingen Engelsche steenkool aangevoerd, doch in Juli geen enkele lading meer. Men weet, hoe zeer de Engelsche kolenexport reeds verminderd is en dat de mijneigenaren en mijnarbeiders steen en been klagen. Wanneer men voorts bedenkt, dat de ladingen ijzer naar

Engeland bijna uitsluitend met Engelsche schepen en het vervoer van de steenkolen naar de hoogovens meerendeels met Engelsche schepen plaats had, dan kan men nagaan, hoe de Engelsche industrie en scheepvaart de nadeelige gevolgen der hooge invoerrechten ondervinden. Tot zoover het berichtje, dat wij belangrijk genoeg vonden om ’t onze lezers voor te leggen. Hier in ons land weren de protectionisten zich de laatste tijd weer heel sterk. Vooral Dr. Kortenhorst, de secretaris van de R.-K. Wgrkgeversvereen. i. d. Metaalindustrie, toont zich in dat opzicht een ridder zonder vrees of blaam. Gelukkig voor ons land is er in dit opzichte ter rechterzijde van het politieke leven niet meer zoo’n aaneengesloten meerderheid als inde dagen van de coalitie. Vroeger liep de scheidingslijn: vrijhandel of protectie, parallel met die andere kunstmatige scheidingslijn: vóór of tegen de Christus. Daar staat tegenover, dat we tegenwoordig ter linkerzijde de vrijheidsbonders, verweekelijkte nakomelingen van Thorbecke, hebben, die bij verschillende gelegenheden de vaan van de vrijhandel in de steek lieten. Tegenover hen vinden wij van rechts de heer Colijn, die zich menigmaal als vrijhandelaar deed gelden, terwijl ook de christelijk-historischen vaak voor de vrijhandel' opkwamen. ’t Kan verkeeren zei Breêro reeds in z’n goeie dagen. Wij deelen nog altijd de meening dat voor ons land, in doorsnêe genomen, het vrij handelsstandpunt het beste is en dat we onze nijverheid het best beschermen door het vrije ruilverkeer. Dat blijft gelden ook al dwingen de tijdsomstandigheden een enkele maal tot kleine concessies. Een nieuwe bedrijfstak inde metaalindustrie. In „De Telegraaf” van 12 Augustus j.l. lazen wij een bericht omtrent uitbreiding van de werkzaamheden van het Hoogovenbedrijf te Velsen, waardoor men zich op de vervaardiging van gegoten buizen zou gaan toeleggen. Het bericht luidde: „Volgens berichten inde Duitsche bladen, zouden in Nedérlandsche kringen plannen bestaan, met de productie van gegoten buizen te beginnen. In verband hiermede is de naam der Staalwerken de Maas genoemd, hetgeen voor de hand ligt, daar deze maatschappij de eenige onderneming in Nederland is, welke zich op de productie van buizen (echter geen gegoten buizen) toelegt. Het bestuur der Staalwerken de Maas heeft echter verklaard, geheel buiten deze plannen te staan. Naar aanleiding van het bovenstaande kunnen wij melden, dat door de Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken overwogen wordt de productie van gegoten ijzeren voorwerpen, staal en walsproducten ter hand te nemen. Het bestuur van de Nederlandsche Hoogovens is de meening toegedaan, dat de verdere ontwikkeling van het bedrijf moet liggen inde richting vaneen verdere verwerking van het ruwe ijzer tot gegoten voorwerpen en/of tot staal en walsproducten, zoodat op deze wijze ook tevens deze Nederlandsche onderneming een grootere beteekenis voor de verzorging der Nederlandsche markt zal krijgen dan tot dusverre. Uit den staf der maatschappij is een organisator gevormd, welke het geheele complex van vraagstukken verbonden aan de vervaardiging van gegoten ijzeren voorwerpen in studie heeft genomen. De regeering heeft voor het door de maatschappij te verrichten werk een bedrag van ƒ 10.000 uitgetrokken. O.m. zou het plan bestaan een fabriek op te richten voor de vervaardiging van gegoten buizen, welk product niet onder de bepalingen van he’t internationale l buizenkartel valt, zoodat voor dit kartel als zoodanig, geen moeilijkheden te verwachten zijn. Wanneer de plannen der Koninklijke Hoogovens verwezenlijkt worden, is daarmede te tweede ontwikkelingsphase van dit voor Nederland zoo belangrijke bedrijf ingeluid en zal er naast de Staalwerken de Maas dus een tweede Nederlandsche onderneming bestaan, welke zich op de buizenproductie toelegt. Zooals bekend specialiseeren de Staalwerken de Maas zich op de productie van gewelde gas- en waterleidingbuizen, zoodat de Koninklijke Hoogovens eventueel niet als concurrente van de Staalwerken de Maas zullen optreden. In welk stadium van uitwerking zich de plannen van de Koninklijke Hoogovens bevinden, kan echter niet nauwkeurig worden medegedeeld.’’

Het ontslag van de arbeider. Door Mr. S. MOK. (Uit „De Vakbeweging”). (Slot). Elk ontslag moet als een hardheid worden beschouwd. Het moderne arbeidsrecht ziet inde „Stelle” op zich zelf een groote waarde voor de arbeider. Het wil de arbeider een rechtspositie verzekeren. Al krijgt de arbeider na zijn ontslag werkloosheidsuitkeering of zelfs een nieuwe betrekking, dan zijn er nog tal van redenen, waarom het ontslag voor hem hard kan zijn. Hoe hard het ontslag is, is in elk geval verschillend. De onbillijkheid van het ontslag moet voortvloeien uit het feit, dat noch het gedrag van de arbeider, noch de toestand van de onderneming het rechtvaardigt. De uitlegging van deze bepaling is in vele gevallen zeer ruim. Zoo werd ontslag 'wegens de weigering, onderkruipersartaeid te verrichten, als een onbillijke hardheid beschouwd. Eveneens: verminderde arbeidsgeschiktheid na 28 jaren dienst. De arbeider behoeft zich niet aan een onjuiste handeling te hebben schuldig gemaakt, om ontslagen te kunnen worden. Zelfs ziekte kan een reden tot ontslag opleveren, wanneer de arbeider niet dooreen tijdelijke kracht kan worden vervangen. De hardheid is dan wel groot, maar niet onbillijk. Het bewijs, dat het ontslag terecht gegeven is, rust op de werkgever, al laat de wet de rechter hierin vrij. De werkgever kan niet gedwongen worden, de arbeider terug te nemen. Oorspronkelijk heeft men een dergelijke verplichting wel gewild. In Oostenrijk is een bepaling van deze aard inde wet opgenomen. In Duitschland mag de werkgever zich met een schadeloosstelling van de arbeider bevrijden. Deze is dan ook de kern van de regeling geworden. Een ander punt, dat inde Duitsche regeling aandacht verdient, is het feit, dat de individueele arbeider voor zijn beroep geheel afhankelijk is van de groepsraad. Meent .deze, dat het ontslag juist is, dan blijft elk beroep achterwege. Hierin heeft men, m.i. terecht, een overdrijving van de gedachte der collectiviteit gezien. Hoezeer ook bij strijd tusschen gemeenschappelijk en individueel belang in het algemeen het belang der gemeenschap de voorrang verdient, laat ons niet vergeten wat de arbéidsrechtsgeleerde Hueck terecht zegt: „De collectiviteit is er niet om haar, zelfs wil, maar ter wille van het individu”. In dit geval gaat de strijd tusschen het individueele recht en de collectieve meening. Mr. Van den Bergh deelt in zijn dissertatie mede, dat de bestaande regeling tót onbillijkheden heeft geleid, wanneer de raad weigert, de arbeider bij te staan. Maar het andere uiterste, dat in het nog steeds aanhangige ontwerp-arbeidscontractswet voorgesteld wordt, n.l. de arbeider een individueel beroepsrecht te geven, is evenmin juist. De verplichte bemiddeling van de ondernemingsraad bij ontslagen, zooals Van den Bergh deze wenscht, is m.i. zeer wenschelijk. Tegen de bestaande regeling is ook nog het bezwaar te opperen, dat zij slechts geldt voor de ondernemingen met ten minste 20 arbeiders. Wel hebben de ondernemingen met 20 arbeiders een „Betriebsobmann”, die een aantal functies van de ondernemingsraad vervult, maar medezeggenschap bij ontslagen heeft hij niet. In het algemeen mag men zeggen, dat de ontslagbescherming de meest geslaagde bepalingen van de B.R.G. vormen. Hierover zijn alle schrijvers het eens. Ook in andere Midden-Europeesche staten heeft men dit beginsel inde wetten op de ondernemingsraden ingevoerd. Ik wees reeds met een enkel woord op Oostenrijk. Daar kunnen de ondernemingsraden tegen de opzegging of het ontslag van arbeiders of bedienden bezwaar maken op grond van het feit, dat de reden daarvan is de werkzaamheid als lid van de ondernemingsraad of wegens uitoefening van het recht van vereeniging. Beslist het „Einigungsamt”, dat dit het geval is, dan moet de arbeider worden teruggenomen; In Tsjecho-Slowakije lijkt de regeling veel meer op de Duitsche wet. Zij geldt echter alleen voor de arbeiders, die ononderbroken ten minste drie jaar inde onderneming werken. De schadeloosstelling kan ook slechts ten hoogste vier weken loon bedragen. Ook in deze landen is men over de practijk van de wet tevreden. Ik kan daarvoor verwijzen naar de uitvoerige mededeelingen in het recente rapport, betreffende; „De practijk van de ondernemingsraden in het buitenland.” Met enkele woorden wil ik nog even wijzen op de denkbeelden, welke omtrent dit belangrijke vraagstuk leven in het land, waar men in arbeidersbescherming nog zoo ver bij ons ten achter is: de Vereenigde Staten van Amerika. Van de prac-

tijk daar zal ik niets vertellen, omdat dit te uitvoerig zou worden. Maar daar, zoowel als in Engeland, komt de gedachte naar voren4 dat de onderneming als zoodanig ervoor moet zorgen, dat de arbeider zoo permanent mogelijk werk heeft. Vooral inde Vereenigde Staten, waar men geen behoorlijke werkloosheidsverzekering heeft, beziet men het vraagstuk als ondernemingsgewijze regeling der werkloozenuitkeering. In sommige groote ondernemingen heeft men reeds regelingen, volgens welke een arbeider bij ontslag een vrij groot bedrag als schadeloosstelling meekrijgt. Ik noem bijv. de Sunlightzeepfabrieken en in Duitschland de Zeissfabrieken te Jena. De algemeene opvattingen hieromtrent zijn neergelegd ineen merkwaardige „Industrial Code”, welke in 1931 op het Sociaal-Economisch Congres te Amsterdam behandeld is. Het is een Amerikaansch geschrift. Met nadruk wordt gewezen op de noodzakelijkheid van zekerheid en voortduring van werk. Abrupte beëindiging van de arbeidsverhouding, zonder waarschuwing en zonder financieele tegemoetkoming, wordt veroordeeld. Is ontslag onvermijdelijk, dan moet een schadeloosstelling worden betaald. Ook hier dus, zij het nog in embryonale vorm, groeiende weerzin tegen onbehoorlijke ontslagen. * * * Overzien wijde ontwikkeling, dan moeten wij constateer en, dat Nederland achteraan komt. Bij ons heerscht in het particuliere bedrijf nog vrijwel overal de ongebreidelde mogelijkheid tot het geven van ontslag. In het kapitalisme past dit volkomen. De onderneming is het eigendom van de werkgever en deze heeft slechts uitte maken, wie er in zijn onderneming al of niet mogen werken. Hij moet de arbeider kunnen ontslaan, omdat het hem goeddunkt. Dat in deze gang van zaken inde overheidsbedrijven en -diensten het eerst verandering is gekomen, spreekt vanzelf. Hier is immers vaneen kapitalistische eigenaar geen sprake. Het gemeenschapsorgaan is hiervoor inde plaats getreden. Zooals het ook min of meer vanzelfsprekend wordt geacht, dat de overheid de beste materieele arbeidsvoorwaarden heeft, zoo is het langzamerhand ook gebruik geworden, dat iemand, die bij de overheid in dienst is, min of meer „een zakelijk recht op voortdurend vast werk” heeft ge- • kregen. Dit wil niet zeggen, dat de arbeider op zijn plaats moet vastroesten. Het is zeker noodig, dat hij dooreen vaste aanstelling een gevoel van rust heeft, dat het werk ten goede komt. Maar tot verstarring mag die niet leiden. Men moet hierbij m.i. eenig onderscheid maken tusschen de ambtenaar-gezagsdrager en de overige personen in overheidsdienst. De bestuurstaak van de overheid zal wellicht niet noemenswaard geschaad worden indien er hier en daar een ambtenaar is die niet ten volle geschikt is voor zijn taak, al moet ook hier strenge plichtsbetrachting geëischt worden. Maar wanneer de overheid als ondernemer optreedt, moet zij inde eerste plaats rekening houden met de eischen der economie. Dit geldt nog meer voor het particulier bedrijf, dat veel sterker met concurrentie te maken heeft. Toch moet de eisch worden gesteld, dat bij ontslagen billijkheid moet worden betracht. Het is de vraag of het Fransche voorbeeld ons hier niet de weg kan wijzen. Daar wordt immers het ontslag getoetst aan de vraag, of geen misbruik van recht heeft plaats gevonden. Of de practijk hier weinig gelukkig is, komt er voor het beginsel minder op aan. Bij ons ziet men, vooral bij het verbintenissenrecht, weinig toepassing van dit beginsel. In Duitschland, waar men het z.g.n. chicaneverbod heeft § 226 Burg. Wetb. verbiedt de uitoefening vaneen recht, dat slechts ten doel kan hebben, iemand anders schade toe te brengen —• past men dit blijkbaar niet toe op het recht van ontslag. Ook het Zwitsersche recht, dat in art. 2 van het Burg. Wetb, bepaalt, dat het duidelijke misbruik van een recht geen rechtsbescherming vindt, heeft tot dusver niet opgeleverd, wat men er van zou kunnen verwachten. Toch ziet men inde Duitsche literatuur allerlei pogingen, om door middel van de bepalingen omtrent de goede trouw en het verbod van wat wij onrechtmatige daad noemen (§ 242 en § 826 Burg. Wetb.), de arbeider een sterke ontslagbescherming te geven. Ook bij ons zou men met behulp van art. 1374 B. W. overeenkomsten moeten te goeder trouw worden uitgevoerd ongetwijfeld een heel eind moeten komen. Ook de ruime interretatie van art. 1401 een onrechtmatige daad is een handelen

Sluiten