Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Willen en Weten. 111. (Slot). De organisatie der productie. Het gesocialiseerd bedrijf is een zeer omvangrijke instelling met een monopolistisch karakter, een geweldige maatschappelijke macht. Het zal dus niet zijnde fabriek aan de arbeiders, maar aan de gemeenschap. Dit beteekent weer niet dat de gesocialiseerde bedrijven zonder meer ondergeschikt gemaakt worden aan een gecentraliseerd orgaan. Integendeel, de samenstelling van het gesocialiseerd bedrijf wordt aldus gedacht.1) Het bedrijf moet bij voorkeur worden georganiseerd als autonoom publiekrechterlijk lichaam. Publiekrecht is: de normen die de verhouding regelen tusschen de overheid en burgers en tusschen de verschillende overheidsorganen de algemeene bedrijfspolitiek. Het toezicht op de een belangrijke mate van zelfstandigheid bezittende directie wordt uitgeoefend door een „raad van beheer en toezicht”, die dus te vergelijken is met de raad van commissarissen eener N.V. De raad moet voor één derde uit vertegenwoordigers der gemeenschap, voor één derde uit die der verbruikers der geproduceerde goederen of der geboden diensten, voor één derde uit die van technici, ambtenaren en arbeiders bestaan. Allen benoemd door het openbaar gezag, echter op voordracht van hun organisaties. De minister men mag hiervoor ook een andere naam gebruiken onder wie het ’ bedrijf ressorteert, is voorzitter van de raad. De politieke (regelende) vertegenwoordigende lichamen inde gemeenschap (de staat) zullen zich er toe bepalen door een jaarlijksche bespreking van balans en winst- en verliesrekening en in het algemeen door hun budget-recht (begrootingsrecht) alleen een opperste controle uit te oefenen en zoo noodig algemeene richtlijnen aan te geven. Boven de gesocialiseerde bedrijven zal een algemeene economische raad komen, om het noodige verband tusschen de verschillende industrietakken te leggen en om het parlement als het algemeen en individueel uitdrukkinksorgaan om mede te beslissen inde gang van zaken te ontlasten van de bemoeiing met de onderdeelen der socialisatie, waarvoor het als in hoofdzaak besprekend lichaam minder geschikt is. Voorzitter van dé algemeene economische raad is de „minister” van nijverheid; Leden zijn; leden der volksvertegenwoordiging als vertegenwoordigers van het algemeen belang, de vertegenwoordigers der consumenten, de bedrijfsdirecteuren en de vertegenwoordigers der arbeidersorganisaties, inde verhouding die gegeven is voor de raden van beheer en toezicht. De leden worden benoemd door de volksvertegenwoordiging op aanbeveling der betrokken groepen. Tot de taak van de algemeene economische raad behoort in hoofdzaak: le. het geven van algemeene regels en voorschriften voor het bedrijfsleven; 2e. het geven van aanwijzingen omtrent de organisatie der productie en 3e. het geven van advies aan de overheidsorganen over de belangrijke met het economisch leven verband houdende vraagstukken. Uit deze weergave blijkt al dadelijk, dat de bedrijven in geen geval het eigendom mogen wezen van hen, die er in werkzaam zullen zijn, er blijkt ook uit dat bureaucratische en staatssocialistische tendenzen verre worden gehouden. De regeling van de omzet. Een andere vraag is, hoe zal de ruil geschieden wanneer dat niet meer kan op kosten vaneen bevolking met een achterlijke voortbrengingswijze of door uitbuiting van de inheemsche arbeiders? Dit kan dan slechts gebeuren, wanneer men uitgaat vaneen zoo groot en algemeen mogelijke behoeftenbevrediging, welke slechts gevonden kan worden bij de wet van het afnemende nut van Gossen verbeterd door Liefmann, in verband met de gemaakte kosten en onlust. Deze wet, steunend op de arbeidswaarde in verband met de veranderlijke kosten en het levensniveau, zal daarbij richtsnoer worden voor de ruil ter verkrijging vaneen zoo groot en algemeen mogelijke behoeftenbevrediging. De voortbrenging zal en moet dus gaan inde richting van de rationeelste voortbrenging overeenkomstig de kennis van bodem en klimaat. Bij groeiende bevolking zou het onduldbaar wezen, wanneer de arbeidsproductiviledereen, ongeacht zijn godsdienstige overtuiging, kan lid zijn van de MODERNE VAKBEWEGING. £>luit U aanl

teit achteruit zou gaan. Men zal dus reserves moeten kweeken om het vast kapitaal te kunnen reproduceeren. Deze reserves kunnen slechts verkregen worden bij bedrijf soverschotten, bij bedrijfswinst; deze kan slechts gevonden worden door toepassing van het taylor-systeem, waarbij wel de bekwaamsten boven het minimumloon, vastgesteld in overleg met de organisaties, uit zullen komen, maar hun meerdere bekwaamheid toch het bedrijf en daardoor de gemeenschap, ten goede zullen komen. Ook de kapitaalrente krijgt hier een andere inhoud, omdat ineen socialistische samenleving het kapitaal, de machines enz. slechts erkend zullen worden als datgene wat het in werkelijkheid is, n.l. „opgehoopte arbeid”. Dit alles echter veronderstelt een geldelijke belooning, die ook noodig is om de ruil mogelijk te maken, die steunt op een zoo groot en algemeen mogelijke behoeftenbevrediging. Dit kan slechts geschieden als de consument de behoefte bepaalt. Hij kan dit slechts bepalen, wanneer zijn verdiend loon in geld bestaat en dat kan besteden naar eigen behoeften. Hieraan zullen de productiemogelijkheden en productiemethodes zich vrijelijk kunnen aanpassen. Zoo kan ook de doelmatigheid der productiemiddelen voortdurend worden gecontroleerd, zoo worden de productiemiddelen ook op hun juiste waarde geschat. Maar het gesocialiseerde bedrijf zal ook voor het feit komen te staan, precies als de tegenwoordige particuliere ondernemers, dat de prijs reageert op de vraag en dus op de af zet. Het zal dus de verkoopsprijs moeten baseeren op de kostprijs.2) Er is dus modern bedrijfsbeheer noodig. De wijze van administratie. Het gesocialiseerde bedrijf moet strikt zakelijk beheerd worden met een eigen rekeningsstelsel, waarvan de financieele resultaten moeten blijken uiteen winsten verliesrekening, die in ’t normale geval door middel vaneen winstpost op de verlieszijde sluitend is gemaakt. De uitgaven van het bedrijf, de exploitatiekosten, moeten zich noodzakelijk als regel aanpassen aan de inkomsten, aanpassen in die zin, dat zij in elk geval een lager totaalcijfer geven. Voor uitgaaf; aankoop machines, grondstoffen enz., voor schommelingen op de markt, terwijl het bedrijf tevens belasting moet opbrengen voor de sociale voorzieningen. Daarbij zal de circulatie-bank onder controle en in dienst der gemeenschap een zeer voorname rol spelen, vooral ook ten opzichte van de nog niet gesocialiseerde bedrijven, die slechts door de circulatiebank in het verband gehouden kunnen worden. Dus de administratie, gericht op scherpe calculatie, gebaseerd op een juiste kennis der kostenoorzaken en gevolgen (b.v. teekeningen, mallen, dessins, enz.) directe en gekend kunnen worden. Bij het gesocialiseerd bedrijf zal ook veel beter de ondergrensprijs der fabrikaten gekond kunnen worden. De verdeeling van het werk. Voor het huidige oogenblik kunnen we zeggen, dat de duizenden metaalbewerkers, : bouwvakarbeiders enz., al blij zouden zijn, wanneer ze aan moeder de vrouw weer een eenigszins dragelijk loon zouden kun; nen geven, zonder verdere aspiraties. L Wat de toekomst brengen zal, wie zal het 1 zeggen? Maar wanneer wij uitgaan van de mee-1 ning, dat ieder kind het recht heeft op gelijke kansen en we houden daarbij de lijn van Quetelet in onze gedachte, dan mogen wij aannemen, wanneer alles in het licht der openbaarheid komt te staan, dat 1 ook hier niet teveel moeilijkheden zullen opkomen. > En temeer niet, omdat de voornaamste drijfkracht bij de voortbrenging zal zijn en hier komen wij aan het diepste wezen van het socialisme de erkenning van > de waarde der menschelijke persoonlij k-3 heid. 1 Zoo rijst het „beeld” der moderne arbeit dersbeweging omhoog, nuchter en zakelijk, ■» maar gedragen door de geweldige gloed ’ van het socialistisch ideaal. Waar wij nu in kort bestek hebben r weergegeven de noodzakelijkheid om de i oude regelen op te ruimen en daarnaast '• het „beeld” is getoond van de moderne i arbeidersbeweging, daar mogen wij er op wijzen dat het gaat om de nieuwe regelen 1 of de ondergang. Ik herinner slechts aan de ondergang van het Romeinsche rijk. En het is hierom, arbeiders van hoog tot laag, van kleur en richting, dat de moderne _ arbeidersbeweging U roept in naam der beschaving, in naam der menschheid. ‘) Zie het Socialisatie-Rapbort, het Staatsbeeld van Vander Goes van Naters, enz. s) Zie „Socialisatieproblemen” van J. v.d. Temipèl, enz. 3) Zie Saarloos, Productiekostenberekening, Simon, enz.

Rond het avontuur aan de Nederlandsche Dok-Mij. te Amsterdam. (v. Z.) 'De vorige week gaven wij een overzicht van het gebeurde aan de Ned. Dok Mij. te Amsterdam, waar een twintigtal dokverwers en -sjouwers op 6 Dec. 1932 de poort uitliep, z.g.n. om te staken tegen de loonsverlaging, met gevolg dat het bedrijf een aantal weken nagenoeg stil lag en eenige honderden arbeiders midden inde winter op straat gezet werden. Wij wezen er op dat de Syndicalistische Federatie in dit drama weer de hoofdrol speelde en haar romantische hoofdman zich bij de verslaggeving allerlei dichterlijke dwalingen veroorloofde. Waar het hier echter géén roman geldt, doch nuchtere werkelijkheid, dient juiste weergave der feiten plaatste vinden en het commentaar daaraan evenredig te zijn. Uit de aard der zaak kunnen wij op al het geschrijf, dat wekelijks in „De Syndicalist” en op de rondgestrooide pamfletten voorkwam, niet ingaan, doch zullen ons tot slechts enkele der voornaamste punten bepalen. Zoo lezen wij in „De Syndicalist” van 10 Dec. 1932, dat „onze Syndicalistische Federatie” vergaderde over de voorstellen der directie van de Ned. Dok Mij. tot loonsvermindering en over de punten 1, 2,3 en 4, vervat in het schrijven der directie aan de Metaalbond, schriftelijk . werd gestemd. Schrifteiijk, hoort u wel? leder kon dus4 zonder bang te zijn voor zijn buurman, bij geheime (want schriftelijke) stemming over die voorstellen beslissen. En het resultaat? Wij lezen „dat 35 stemmen tegen werden uitgebracht en géén voor”! Wij vestigen op deze bijzondere eenstemmigheid nadrukkelijk de aandacht van onze lezers in verband met het verdere optreden dier federatie. Wij lezen in dat zelfde artikel omtrent de aanvang van de staking het volgende; „Donderdag 1 December gingen 3 mannen van de schilders- en sjouwersploeg naar de directie, want zij voelden niet veel voor deze aanslag op hun reeds zoo schrale loonen. De heer Leupen vertelde, dat de directeur Salberg naar Engeland was en verzocht hun tot Maandag te wachten. Maandag 5 December ging een afgevaardigde om 12 uur naar tiet kantoor, maarde directie kon niet neen of ja zeggen. Zoo’n St. Nicolaasbrok konden de arbeiders toch moeilijk doorslikken en de jas werd aangedaan. Toen kwam het antwoord; Wacht tot half, vijf. Stelt u in verbinding met uw organisatie en ik zal het met de Metaalbond doen. Onze leden der Synd. Fed. v. Metaalbewerkers behoeven niet meer bij hun bestuur te komen vragen, wat ze moeten doen. Dat weten ze uit de stemming op de vergadering.” Om 12 uur kon de directie dus geen antwoord geven. Men verzoekt aan het werk te blijven tot half vijf en zich dan in verbindAng te ■ stellen met zijn organisatie. Maar dat wachten tot half vijf was een dermate groote St. Nicolaasbrok (wat een zoete beeldspraak toch!), dat het niet'geslikt kon worden en men liep de poort uit. Was ’t dat echter wel? Welneen, ’t was maar een pietsie van een brokje, eigenlijk een medicijn door de federatie zelf als zoodanig aanvaard. Want lezen wij niet in onze paparassen, betrekking hebbende op een ander conflict aan de Ned. Dok Mij., in Mei 1932, dat eender schriftelijk door de federatie aanvaarde voorwaarden tot beëindiging van het conflict was: „Wanneer de arbeiders meenen dat afgeweken’ wordt van gemaakte afspraken, zullen de betrokken werklieden zich wenden tot hun organisatiebesturen en zal binnen 24 uren de kwestie met de Metaalbond behandeld worden. Daardoor ontstane schade zal worden vergoed.” Verder commentaar op dit punt achten wij overbodig! Zou echter eenige matigheid in het betichten van anderen van onbetrouwbaarheid voor de federatie niet gezond zijn? Maar luisteren wij verder naar de woorden van onze fiere strijder voor recht en rechtvaardigheid. Onze leden der Synd. Fed. v. Metaalbewerkers (deze nadere aanduiding is niet van ons, doch staat er werkelijk bij) behoeven niet meer bij hun bestuur te komen vragen wat ze moeten doen. Dat weten ze uit de stemming op de vergadering. Inderdaad, op de vergadering werden 35 stemmen tegen het voorstel der directie uitgebractit en zelfs niet één voor.

Laten we nu aannemen dat er maar 5 leden niet op de vergadering waren. Dat is toch niet hoog geschat. Dan had „onze” federatie dus 40 leden aan de Ned. Dok Mij. En van die 40 zijn er zegge en schrijve S gaan staken en de rest bleef aan het werk, ondanks het feit, dat ook voor hen de loonsverlaging gold. Waren de leden van „onze” federatie op de hoogte met wat ze doen moesten of niet? Niet verder commentarieeren, kameraden, vindt U wel?! Laat ons nog een enkel bloempje pluk?- ken uit de verkwikkelijke syndicalistische literatuur over defe geschiedenis. Wij lezen in „De Syndicalist” van 17 Dec. 1932; „Wij zullen heden niet ingaan op het modderend betoog van 0.8.W.M., dat wij eigener beweging uit de combinatie zouden zijn gegaan, met de vrees voor oogen omdat er geen geld inde kas van het N.S.V. zou zijn.” Vanwaar die nijdige „Seitenhieb” naar de bondgenoot van dat oogenblik, zal de niet ingewijde vragen? De beide federaties werkten toch samen, steunden althans beide die „staking”? Laat ons opheldering brengen. Aan de Amsterdamsche Droogdok Mij. n.l. was door intrekking vaneen bestaande toeslag op het loon ook plm. 5 pet. loonsverlaging toegepast. En ook in dat geval had de Synd. Fed. de volke kond gedaan, dat men met algemeene stemmen besloten had die verlaging niet te aanvaarden. Nu dient men te weten dat de Synd. Fed. in dat bedrijf 90 a 100 leden telde en nu had de 0.8.W.M. de vraag geopperd hoe het toch mogelijk was, dat die Fed. bij de verlaging aan de Ned. Dok Mij., waar ze weinig invloed had, zoo dapper was en die aan de Amsterdamsche Droogdok, waar ze veel meer invloed had, zonder meer had laten passeeren. En de veronderstelling die ze toen uitsprak, n.l. dat men daar bang was voor de financieele gevolgen voor de Synd. Fed., laten we natuurlijk voor rekening van de 0.8.W.M., maar we vinden het van de Syndicalistische auteur, ondanks het vele onverstandige dat hij geschreven heeft, toch wel verstandig dat hij „daarop heden niet ingaat.” Ze kennen elkaar daar wat beter, nog van vroeger weet U. Wij zijn natuurlijk niet in staat op alle lasterlijke dwaasheid die van de syndicalistisch zijde over deze kwestie is rondge- : strooid, in te gaan, alle beweringen stuk voor stuk te weerleggen. De redacteur zou daartegen wellicht eenig bezwaar kunnen maken . Zoo tracht de waarheidslievende syndicalistische schrijver van het begin af te suggereeren, dat het werk der stakers door anderen zou zijn verricht . Wij hebben er de vorige week reeds op gewezen, dat alle organisaties zonder uitzondering en van het begin af aan geweigerd hebben hun leden te adviseeren werk der stakers over te nemen. En waar dit de syndicalistische schrijver bekend was, kunnen wij volstaan met deze berichtgeving te signaleeren als leugen. Laat ons nu nog eens even aantoonen, met aanhalingen uit de verschillende artikelen, hoe eigen leden der Synd. Fed., onbewust, maar daarom niet minder scherp, de mantel worden uitgeveegd. „De Syndicalist” van 17 December en daarop volgende; „Mist men persoonlijk den moed tot voeren van strijd tegen de loonsverlaging, laten wij dan tenminste niet tot lafheid vervallen, om de stakers inden rug aan te vallen.” „Ontevredenheid over loonsverlaging zonder er iets tegen te doen is kwajongenswerk.” „Eerst vergaderen onder motto: geen cent; en dan als anderen staken... niet meedoen!” „De leden? Och, daar kan je alleen een tikje medelij mee voelen. Groote monden en als het puntje bij het paaltje komt, bang als een schaap blijven zij binnen de fabriekspoort en werken z.g. op bevel van hun bestuur. Een houding welke een ernstig bewust arbeiders veracht....” (Dit vooral is wel een ernstige veroordeeling van de leden van „onze” federatie die voor 80 pCt. bleven werken niet 0p... maar tegen het bevel van hun bestuur. Wij zouden ze ook haast „verachtelijk” gaan vinden!) En zoo gaat het door in alle artikelen en op alle pamfletten over dit conflict gepubliceerd en verspreid. De schrijver van al dat moois daast in blinde woede tegen onze Bond maar door en is nog niet tot bezinning gekomen. . Hij heeft nog niet begrepen dat elk arti-

Sluiten