is toegevoegd aan uw favorieten.

De metaalbewerker; orgaan van de Metaalbewerkersbond in Nederland, jrg 40, 1933, no 33, 19-08-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40ste JAARGANG No. 33 ZATERDAG 19 AUGUSTUS 1933 OPLAAG 46.930

MErmBEWERKERSBOMD | I Voor Buitenland ve met porto | HEMOMXLAAN 24 AHSTERDAM.2.' *p ASSÏÏffin per regel ƒ0.30

Ter nagedachtenis aan een oud-strijder*

Op 7 Augustus j.l. overleed te Voorburg inde ouderdom van ruim 84 jaren, de alleroudste pionier van onze Bond, Johannes Hubertus van Herwerden. Al lange jaren was hij niet meer een der onzen, omdat hij als zelfstandig ondernemer werkzaam was. Dat wil zeggen, dat was hij tot de tijd die hem noopte alle arbeid vaarwel te zeggen, want v. Herwerden rustte al vele jaren op z’n lauweren, hetgeen z’n leeftijd in aanmerking nemende, wel niemand zal bevreemden. Eenmaal was hij een actief dienend socialist, die er bij tijd en ontijd op uit trok om in vergaderingen van velerlei aard het woord te voeren. En hij was daarnaast een actief vakvereenigingsman en destijds, in 1894, de eerste redacteur van het eerste officieele bondsorgaan, het maandblad „Vooruit”. Op zijn laatste gang heeft een krans van het bondsbestuur hem vergezeld en in zijn opdracht heeft onze bondsbestuurder Salomé eenigé woorden aan zijn graf gesproken. Alleen zijn talrijke nakomelingen, die hetzij vader, grootvader of zelfs overgrootvader naar diens laatste rustplaats brachten, zijn van de stille hulde, de doode gebracht, getuige geweest. De zonen en dochteren, die, misschien een enkele uitzondering daargelaten, vaders oude maar niet verouderde idealen, niet deelen ook hij zelf was feitelijk niet meer eender onzen hebben toch waardeering uitgesproken voor de door het bondsbestuur betoonde belangstelling. En uitsluitend door hun bewilliging was het mogelijk daarvan aan het graf te getuigen. * * * Wij hebben v. Herwerden in het voorjaar van 1927 voor de eerste maal ontmoet en hem in z’n woonplaats Voorburg opgezocht In verband met het 40-jarig bestaan van onze Bond. Hij was toen 78 j aar oud, een krasse grijsaard nog met levendige oogen en een intelligent uiterlijk. Het portret dat wij hierbij reproduceeren, dateert van die tijd. Op ons verzoek had hij tevoren zoo het een en ander opgeschreven. De brief ligt thans voor ons en wij ontleenen er aan dat hij in 1848 in Twisk, een klein dorp in Noord-Holland, geboren is en een liberale

opvoeding ontving. Op de leeftijd van 35 a 36 jaar verplaatste hij zich naar Hoorn en was er als rijtuigsmid werkzaam. Inde tijd van 6 jaren die hij daar verbleef, bezocht hij een vergadering waar Domela Nieuwenhuis het woord voerde en met wie hij toen kennis maakte. Deze kennismaking bracht hem nader tot de socialistische beweging en hij werd later een harer militante woordvoerders. Van Hoorn vertrok hij naar Den Haag, waar hij als voorman-vuurwerker werkzaam was op een klein fabriekje. Daar was hij 10 jaren werkzaam om daarna werk te Delft bij de Ned. Gist- en Spiritusfabriek, waar te dier dagen ook onze oude vriend Jantzen werkzaam was, te aanvaarden. Na z’n ontslag, waaraan z’n politiek optreden niet geheel vreemd was, vestigde v. Herwerden zich te Voorburg, waar hij gedurende 17 jaren een eigen bedrijf uitoefende, om daarna vaneen welbesteed leven te gaan uitrusten. Onder de namen van hen die het eerste bestuur van onze Bond vormden, treffen wij die van v. Herwerden niet aan, maar wel weten wij dat hij in 1888 voorzitter van het bondsbestuur was. In die jaren trok hij naar hier en ginds als spreker en heeft menige Zaterdagavond en zeer veel Zondagen opgeofferd. Hij schijnt een goed vlot spreker te zijn geweest en zijn naam wordt den ook genoemd in het werk van Bymholt: „De geschiedenis der arbeidersbeweging in Nederland”. Toen in 1896 tot de uitgifte vaneen maandblad werd besloten, was v. Herwerden redacteur, doch bleef dit maar een paar maanden, hetgeen m.a.w. zeggen wil, dat hij slechts enkele nummers verzorgde. Z’n werk en z’n talrijk gezin slokten hem teveel op en bovendien, schrijven is nog wat anders dan spreken. Er zijn onder de arbeiders menschen die goed kunnen spreken, maar die heel slecht hun gedachten op papier kunnen brengen. Het heeft dan ook inde geschiedenis onzer beweging meer ontbroken aan schrijvers dan aan sprekers. Hetgeen ook wel beïnvloed zal zijn door het verschijnsel dat het gesproken woord er bij de massa van toen beter inging dan het geschreven woord. Maarde brieven die v. Herwerden ons schreef wij ontvingen er eenige getuigen er toch van dat hij in z’n jeugd een goed leerling geweest moet zijn. Denk eens aan ’t onderwijs zooals dat inde jaren omstreeks 1860 geweest moet zijn! In vele gevallen gebruikte hij nog, zooals in die tijd gebruikelijk, de z. inplaats van des. en schreef dus: „zamenstelling”. Kenmerkend voor de tijd waarin hij leefde is ook dat hij schreef: meermalen als spreker te zijn opgetreden in Amsterdam in het volkspark buiten de Raambarrière. Dat was; buiten de Raampoort, de oude Amsterdammers wèlbekend. De benaming barrière moet nog uit de Napoliontische tijd dateeren. * * * Wij hebben deze oude herinneringen opgehaald ter herdenking aan iemand die in de jaren, waarin de Nederlandsche arbeidersklasse nog op een zeer laag ontwikkelingspeil stond, z’n krachten en gaven besteed heeft in dienst vaneen heilig ideaal.

In treurig donkere dagen was hij een fakkeldrager en wegbereider; een organisatieplan, die poogde ineen schier hopelooze chaos wat orde en regel te brengen. Als eender onzen die werkte in het nachtelijk duister van geestelijke en materieele nood dér arbeidersklasse van Nederland, vergezelle hem inde eeuwigheid ons: Rust zacht. Langs de weg. (R. B. J.) Het mag als bekend verondersteld worden, dat een ontzaggelijke verspilling van datgene wat moeder natuur voor mensch en dier doet groeien, door de kapitalistische voortbrengingsvorm dagelijks plaatsvindt. En toch is het wel mogelijk dat de stadsbevolking, die deze schandalige vermorsing niet of zeer weinig aanschouwt, zich geen voorstelling kan maken van wat er in deze maatschappij verspild wordt. Het wordt wel inde couranten bekend gemaakt, maar het cijfer dat daar genoemd wordt, zal wel een zeer klein deel zijn van de afschuwelijke werkelijkheid. Wie echter dagelijks langs de weg gaat, ziét, indien hij ten minste zien wil, pas goed wat er gebeurt met ons volksvoedsel en hij kan ér maar één woord voor vinden, n.l. „schandelijk”. Groote velden sla worden omgeploegd. Eén dag van felle zon is voldoende om deze sappige groenten ineen bruine in elkaar gekrompen verdroogde mesthoop te veranderen. Bloemkool gaat met karrevrachten naar de beesten, die deze overvloed niet eens wenschen. Zij loopen immers inde weide en genieten meer van wat moeder natuur hun biedt dan de mensch. Boven op zoo’n kar de tuinderskinderen, zingend en vertrappend de „gave Gods”. Zoo zou men door kunnen gaan met het opnoemen van wat men langs de weg ziet. En onwillekeurig gaat men dan piekeren over dit alles en over de vraag: hoe staan nu die tuinders en boeren daar zelf tegenover? Zij zijn bijna zonder uitzondering op politiek terrein de trouwe volgelingen der christelijke partijen. Nog sterker, zelfs een groot deel van hen vereenigt zich in het in het gebed, waarin de Allerhoogste gevraagd wordt zijn zegen te geven op hun arbeid. Een rijke oogst wordt af gesmeekt. Inde herfst wordt dan een dankdag gehouden voor wat verkregen werd. En als deze bede wordt verhoord, gooit men het verkregene op de mesthoop, of ’t wordt ter veiling vernietigd door of namens degene die om deze zegen de Allerhoogste smeekte. En je vraagt je dan ook af, zijn dit nu dezelfde menschen? Hoe is het mogelijk dat deze menschen meê de maatschappij in stand helpen houden die hen uit zelfbehoud en winstbejag tot deze zonden dwingt? Ja sterker nog, hoe is het mogelijk dat deze menschen elke poging van anderen, om aan deze „vermorsing van hun arbeid”, om aan deze „zonden” een einde te maken, zelfs nog krachtig bestrijden terwijl hun geestelijke leiders hen in haat en verzet tegen die anderen voorgaan en aanzetten, inplaats van meê te helpen deze zondige kapitalistische schande zoo spoedig mogelijk te doen beëindigen? Als allen in overvloed van dat wat de

OFFICIEELE MEDEDEELINCEN Over de week van 21 tot en met 26 Augustus 1933 wordt het contributiezegel op de 34ste week in het bondsboekje geplakt. aarde oplevert zouden hebben ontvangen, als dan met het overschot zou worden gehandeld als nu met de voorraden, welnu ’t zou een volgend jaar een reden zijn om minder te doen voortbrengen, om arbeid die niet noodig zou zijn, te besparen. Maar nu hebben duizenden groote behoeften aan wat ginds door de zon verbrand óf door de beesten vertrapt wordt, óf met petroleum overgoten en onbruikbaar gemaakt wordt. Nu past er maar één woord voor: schande! Zoo mijmerend gaat men langs de weg, tot je opeens een zeldzame kijk krijgt op wat inde hoofden van de boeren en tuinders kan omgaan en wat deze menschen wel of niet opmerken van wat er inde maatschappij gebeurt. Voor ons staat plotseling een landbouwer, de kleine ronde zijden pet op het zonverbrande hoofd, het petje hetwelk dikwijls het kenmerk is Vaneen zwaar-op-de-handsche-plattelander, ook wel vaneen zekere politieke richting. Hij heeft twee boterhammen „langs de weg” gevonden; verontwaardigd toont hij ze ons en zegt: „’tls schande, anderen snakken er naar, wat een menschen toch hè!” En dan nog eens heel nadrukkelijk: „’t Is zonde!” Even kijken wij hem oplettend aan, dan speelt door je hersens wat je langs de weg ziet verspillen in ’t groot en wij vragen hem wat grooter zonde is; eerst een biddag houden ter verkrijging vaneen goede oogst en dan, terwijl duizenden snakken naar alles wat „de goede oogst” opleverde, de groenten en het fruit bij duizenden kilo’s te vernietigen, of ... het weggooien van twee boterhammen (wat overigens ook niet goed te keuren is)? Helaas, wij krijgen op onze vraag geen antwoord. Ook hij werpt de twee boterhammen weg en gaat heen. En wij weten het, deze man is een volgeling vaneen dominee-Tweede-Kamerlid, die ook de werkloozen hoont omdat er wel eens een broodkorst inde vuilnisbak terecht komt. Maar beiden, de dominee en de boer, zijzien slechts de splinter bij anderen en de balk in eigen oog niet. Zij willen niet de groote kapitalistische zonden der verspilling en vermorsing zien die „langs de weg” te aanschouwen is. jPIII abonneert uop WtZE GIDS Sociaal-economisch-technisch maandblad. Uitgave van de Alg. Nederlandsche Metaalbewerkersbond Prijs voor leden f 1.00 per jaar, desgewenscht te voldoen in vier termijnen Meldt U als abonné bij Uw H|BB(gfflß afdeelingsbestuur