Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vuige laster achterhaald. Verdacht van fascistische neigingen er op na te houden, werd een aantal maanr den geleden een zekere J. v. d. Groep, lid van onze afdeeling Rotterdam, ter verantwoording geroepen. Inplaats van zich te verantwoorden, bedankte de man eigener beweging en ging er toen een bedrijf van maken onze bestuurder J. Wacht met lasterlijke aantijging te vervolgen. Zoo beweerde de man en hij deed dit in een kring van leden, dat onze collega steekpenningen zou hebben aangenomen van de fascisten. Zoolang er bezoldigde bestuurders bestaan, zijn zij in ’t verleden zoo goed als in het tegenwoordige aan lasterpraatjes blootgesteld. In de regel zijn ze moeilijk te achterhalen en dat leidt er toe dat men op ’t laatst maar raak laat lasteren. Men went op de duur aan alles. Maar dit gevahv. d. Groep was een heel taai geval. Onze collega wendde zich tot het bondsbestuur om advies. Ons bestuur besloot v. d. Groep een brief te zenden, waarin hem werd verzocht z’n beschuldigingen met bewijzen te staven. De brief werd verzonden en v. d. Groep antwoordde prompt dat hij inderdaad de beschuldiging in ’t openbaar geuit had, maar een poging om bewijzen aan te voeren, deed hij niet. Het bondsbestuur gaf daarna Wacht het advies een klacht bij de justitie in te dienen. Dat was vooral noodig omdat de lasteraar z’n minderwaardig werk voltooide door het praatje rond te strooien, dat Wacht de justitie er niet in durfde halen. De justitie heeft Inderdaad de klacht van onze collega ontvankelijk verr klaard en zoo heeft de lasteraar de vorige week voor de politierechter terecht gestaan. Ter informatie van onze leden die dat nog niet gelezen hebben, geven wij hieronder een uittreksel van het verslag hetwelk in „Voorwaarts” van Woensdag 29 November is gegeven. De lezers zullen er uit vernemen dat de man, die de gelegenheid, hem door het bondsbestuur geboden, om z’n beschuldiging te herroepen, ongebruikt liet voorbijgaan, voor de rechter alras van houding veranderde. En uit het verhoor bleek bovendien dat z’n verleden „niet al te fraai” is geweest. De rechter had een dossier voor zich liggen, waarvan in inhoud alleen hem en v. d. Groep bekend was... Zóó iemand gaat een ander belasteren! 'Door dit rechtsgeding zullen wij wel niet tegen verdere laster gewaarborgd zijn, maar dat neemt niet weg dat het geval tot leering kan strekken. Hieronder volgt een uittreksel uit het verslag: „Wat sloeg die snaak een figuur! Al dadelijk op de eerste vraag van de politierechter begon het gekronkel. — Zóó heb ik het niet gezegd. Edelachtbare. De politierechter, Mr. Huyser: Hoe dan wel? Verdachte v. d, G.: Ik heb gezegd: „Mij is medegedeeld, dat Wacht steekpenningen van de fascisten heeft aangenomen.” Mr. Huyser: Zoo en is dat dan niet beleedigend? Verdachte v. d. G.: Hoe u het opneemt. Wacht legt vervolgens een getuigeverklaring af. Verschillende leden zijn op het afdeelingskantoor de praatjes komen overbrengen. Vóórdat de aanklacht werd ingediend, is Van der Groep in de gelegenheid gesteld óf bewijzen bij te brengen, óf zijn woorden terug te trekken. Hij heeft geen van beide gedaan. Van de vele metaalbewerkers, die de lasterpraatjes hebben aangehoord, zijn er twee als getuigen opgeroepen, t.w. Van Drie 1 en De Bruin, die beide nog eens precies verklaren wat zij gehoord hebbeh. Mr. Huyser tot verdachte: is uw verleden zoo fraai, dat u zulke dingen maar over uw medemenschen durft zeggen? Verdachte v. d. G.: Nee meneer. Mr. Huyser kijkt het dossier nog eens door en zegt; Nee, dat zou ik ook denken! De officier van justitie, mr. Schutter, acht de ten laste legging bewezen en eischt ƒ 30.— boete of 10 dagen hechtenis. Verdachte v. d. G. vertelt dan, dat „iemand op de Dordtsche straatweg” het hem had verteld, legt een krantje over van ds. Krop en wil een betoog opzetten dat hij de klassenstrijd verwerpt. Mr. Huyser: Dat is nu niet aan de |iiiiiiiiiinniiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiuiiiiiiiiiiii>iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiitimiiiiiiiiiiinimiiiiiiimiiiniiiiiiniiiimnniiin I Wij willen Hitler niet – en even- j | min zijn waren! Boycot Duitsche | | goederen!

orde. Bent u bereid die woorden in te trekken en excuus aan te bieden? Verdachte v.d. G.: Ja. Ik trek die woorden in, meneer Wacht en bied u mijn excuus aan. Wacht ' aanvaardt dit excuus, maar voegt er aan toe, voor herhaling te vreezen. De politierechter: Dus dat gebeurt niet meer? Verdachte v.d. G.: Nee, Edelachtbare. Mr. Hu ys er: Dan veroordeel ik u voor dit keer tot èen gevangenisstraf van veertien dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Maar dan moet het ook niet meer gebeuren! Wat een figuur! Wat een figuur! De man, die overal verkondigde wel met „bewijzen” te zullen komen als hij maar eenmaal voor de rechter stond, trok zijn woorden in en bood excuus aan! Een lasteraar in zijn hemd.” Kort verslag van de vierde jeugdleidersconferentie. (Br. K.) Op Zondag 3 December j.L heeft te Amsterdam in het Coöperatief Restaurant op het Molenpad de vierde jaar lij ksche jeugdleidersconferentie van onze Bond plaats gehad. De bondsvoorzitter F. Danz wees er in zijn openingswoord op, dat de toestand en de vooruitzichten in onze industrie niet bepaald rooskleurig genoemd kunnen worden, maar dat dit geen reden mocht wezen om te versagen. Integendeel, in deze benarde tijd, waarin er door linksche en rechtsche extremisten pogingen worden in het werk gesteld om de jonge arbeiders voor hun denkbeelden te winnen, moet de moderne vakbeweging meer dan ooit aandacht schenken aan het jongerenprobleem. Overeenkomstig de bij vorige gelegenheden door de jeugdleiders geuite wensch, was ook dit keer de agenda van de jeugdleidersconferentie weer zóó ingedeeld, dat de meeste tijd beschikbaar bleef voor twee inleidingen en de daarover te voeren discussies. In snel tempo werd het verslag van de vorige vergadering goedgekeurd en door de voorzitter een aantal mededeelingen gedaan over de gang van zaken in ons jeugdwerk. Wij releveeren uit deze mededeelingen dat de bondsjeugdleider Q. v.d. Hou ven een brochure voor de jeugd zal schrijven en welke binnen niet al te lange tijd het licht zal zien. Verder dat inde jeugdcommissie van onze Bond, die het bondsbestuur terzijde staat bij de behartiging van het jeugdwerk, inde plaats van C. A. Heemskerk (Haarlem), die zich terugtrok uit het jeugdwerk, gekozen is J. H. Canton (Amsterdam). Deze commissie bestaat nu uit de volgende leden: G. v.d. Hou ven, B. H. Stokman, J. Landman en J. H. Canton. Hierna was het woord aan G. v.d. Houven voor het houden van zijn inleiding over het onderwerp: „Hoe versterken wij in- en uitwendig onze jeugdgroepen?” Sprekér wijst er in het begin van zijn rede op, dat de jeugd altijd ontvankelijk is voor luidruchtige demagogie en dat dit feit onze strijd bemoeilijkt. Maar juist de strijd tusschen democratie en dictatuur, dié op dit óogenblik zoo fel gevoerd wordt, moet ons aansporen om onze vakbondsjeugd tot goede strijders voor onze beweging te maken. Inleider heeft bij de voorbereiding van zijn onderwerp een onderzoek ingesteld naar de achteruitgang van het ledental in onze Bond en daarbij bleek hem dat terwijl de Bond in zijn geheel van 1 Januari tot 1 October 1933 2i pCt. van zijn leden verloren heeft, het aantal jeugdleden achteruitgegaan is met 13.9 pCt. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat er geen jongeren meer inde fabrieken en werkplaatsen aangenomen worden. Ook het aankweeken van leerlingen ondervihdt een belangrijke stagnatie. Dit is voor de toekomst een groot gevaar voor onze industrie, want naar alle waarschijnlijkheid zullen wij hoe langer hoe meer aangewezen zijn op kwaliteitsarbeid als eenigste redmiddel tegen de ontzaggelijke concurrentie der sociaal-achterlijke landen (China en Japan). Hiervoor zijn echter geschoolde arbeiders noodig, maarde industrieelen maken op het oogenblik bezwaar tegen tyet opkweeken van jongeren. De regeering die de landbouw zoo rijkelijk steunt, zou ook de industrie maar eens op een behoorlijke manier moeten helpen. In het vervolg van zijn inleiding wees spr. er op, dat het voornaamste doel van ons jeugdwerk moet zijn het aankweeken van besef en inzicht bij de jonge menschen, opdat zij het werk van de ouderen later kunnen overnemen. Daarom is volgens hem het aantal niet de hoofdzaak. Hoofdzaak is het gehalte. Bij spreker gaat de kwaliteit , boven de kwantiteit.

Als speciale eisch voor de jeugd noemde de inleider de vaeantie-eisch, eender punten van het internationale jeugdeischenprogram, maar die in deze tijd speciaal naar voren gehaald zou kunnen worden. Ook aan het stopzetten der periodieke verhoogingen moet de noodige aandacht besteed worden en tezamen met de eisch: meer jongeren in onze industrie, vormt dit een practisch eischenprogram dat waard is door alle jongeren uit onze Bond ondersteund te worden. Spreker gaat vervolgens uitvoerig in op de mogelijkheden van het ontwikkelingsen ontspanningswerk in onze jeugdgroepen, waarbij hij menige aardige herinnering uit zijn eigen jeugd vertelt. Hij vestigt vooral de aandacht op de practlsche handenarbeid, die veel meer dan tot nu toe inde jeugdgroepen beoefend zou moeten worden. Het bouwen van kano’s, het drijven van koper, kortom het vervaardigen van practische en fraaie gebruiksvoorwerpen, heeft altijd de belangstelling van jeugdige arbeiders. Verder is het ook goed dat de jongeren voortaan actief deelnemen aan het plak-, verspreid- en ander propagandistisch werk voor de, Bond. Ook kunnen zij de jeugdbladen zelf bjj de leden thuis bezorgen, ten einde op die manier een beter onderling contact te bewerkstelligen. Aan het slot van zijn betoog wees de inleider er nogmaals op, dat wij alles moeten doen om dé democratie, het kostbaarste goed dat wij bezitten, te behouden. Een spontaan applaus beloonde spreker voor zijn goed gedocumenteerde inleiding, waarvoor hij van het begin tot het einde de volle aandacht Van zijn toehoorders had. Uit de gedachtenwisseling die hierop volgde en waaraan een groot aantal jeugdleiders deelnam, bleek wel dat men het in groote lijnen met de inleider eens was. Om één uur werd de gedachtenwisseling onderbroken voor het nuttigen vaneen warme maaltijd, die besloten werd met een kwartiertje gemeenschappelijke zang. Natuurlijk werd er gezongen aan de hand van de pas verschenen liederenbundel voor de vakbondsjeugd, die elk jeugdlid zich behoort aan te schaffen. Vraagt er je groepsbestuur naar! Na de maaltijd werd de gedachtenwisseling voortgezet en wij releveeren hier nog uit dat de voorzitter naar aanleiding van een gemaakte opmerking kon mededeelen, dat de op 17 September inde jeugddemonstratie uitgedragen eischen niet „naar de rommelzolder” verhuisd zijn, maar op het oogenblik wei degelijk het onderwerp uitmakén van ernstige besprekingen met de betrokken departementen. Het is al ver inde middag, als de voorzitter het woord verleent aan onze vriend B. H. Stokman uit Hilversum, die spreekt over het onderwerp: „Is het houden van een Pinksterfeest in 1934 gewenscht?” Inleider begint met vast te stellen dat deze vraag voor de deelnemers aan het vorige kamp reeds lang geen vraag meer is. Deze jongeren hebben die vraag al lang bevestigend beantwoord. Wij hebben inderdaad in 1933 een geweldige vooruitgang kunnen constateereh, niet wat betreft de deelname aan het kamp, maar wel wat betreft de geest die er heerschté onder de aanwezigen. Het- was opmerkelijk zoo goed als de bonte programma’s door de jeugdgroepen zelf gevuld werden. Met verrassende snelheid hebben de jonge metaalbewerkers begrepen welke kant het hiermede uit moet en er was eer een teveel dan een tekort aan leekenspelen e.d. Er zijn in het laatste kamp ook hoogtepunten geweest, zooals wij ze nooit tevoren hebben gekend en zooals ze inde strijd van de arbeidersbeweging maar zelden voorkomen. Spreker herinnert nog eens aan het kampvuur en tevens aan de slotbijeenkomst. Tijdens de besprekingen inde jeugdcommissie was men algemeen de meening toegedaan, dat de beslissing over het al of niet houden van het kamp niet in z.g. klein comité genomen moest worden, maar dat deze vraag eerst aan de jeugdleidersconferentie voorgelegd diende te worden. Wanneer de jeugdleiders van meening zijn dat het Pinksterkamp wel gehouden moet worden inde commissie was de stemming ook voor doorgaan —, dan moeten zij evenwel begrijpen dat de logische consequentie hiervan is, dat zij ook met al hun kracht werken voor het welslagen van het feest en nu reeds in hun groepen beginnen met de noodige propaganda. Het vorige jaar hebben wij elkander beloofd hard voor het welslagen van het feest te werken en daaraan heeft soms wel eens een kleinigheid ontbroken. Laten we zorgen dat het dit keer met de volle honderd procent medewerking van de jeugdleiders gaat. Spreker brengt in dit verband hulde aan de jeugdgroep te Groningen, die in het laatste kamp met een buitengewoon groot aantal leden tegenwoordig is geweest. Laat dit een voorbeeld zijn voor de andere groepen, die niet zoo ver van Huizen verwijderd zijn.

Wie tot zijn winkelier zegt: | „Ik wil geen Duitsch!", zegt | tot Hitler: „Ik wil geen fas- Jj * |W cisme! | De inleider oppert dan het denkbeeld om voor het komende Pinksterkamp een massaal feestspel in te studeeren onder deskundige leiding, zooals de Fabrieksarbeidersbond het vorige jaar gedaan heeft. Hij geeft een korte uiteenzetting van dat spel, getiteld: „Er wordt een licht ontstoken” en ■ geschreven dooreen bestuurder van bedoelde bond. Spreker verwacht dat de instudeering vaneen der gelijk massaspel, waaraan alle deelnemers aan het kamp behooren mee te doen, de deelname aan het kamp ook zal bevorderen. In het slot van zijn gloedvol betoog zet spreker nog eens uiteen waarom het volgens hem zoo noodlg is in deze tijden elk jaar een landelijk feest voor de jongeren te organiseeren. Het idealisme en de strijdlust van de jonge generatie van arbeiders wordt hierdoor grooter en dit is in het belang van onze geheele arbeidersbeweging. Uit de discussie, die op deze eveneens met applaus beloonde inleiding volgt, blijkt dat het probleem de volle aandacht der aanwezigen heeft. Uitvoerig wisselt men van gedachten over de verschillende mogelijkheden om de kans van slagen van het feest te vergrooten, terwijl algemeen verondersteld wordt dat het feest ook zal plaats grijpen. Wanneer de voorzitter de discussies dan besluit en er de conclusie uit trekt, is deze met algemeene instemming: dat het Pink* sterf eest in 1934 moet plaats hebben. In zijn slotwoord bedankt de voorzitter de beide inleiders voor hun uitstekends j betoogen en wekt de jeugdleiders op om, teruggekeerd in hun woonplaatsen, weer I' met frissche moed aan het werk te gaan voor onze Bond en zijn jeugdbeweging. Het Nederlandsch-Belgisch verdrag betreffende de sociale verzekering. De Raad van Arbeid te Amsterdam schrijft ons; In meerdere, gevallen is thans reeds gebleken, van hoeveel belang het op 1 April 1933 tot stand gekomen gelijkberechtigingsverdrag tusschen Nederland en België betreffende de sociale verzekering is voor de arbeiders, die in beide landen verzekerd zijn geweest. Een Nederlandsch arbeider verhuisde in 1929 op 62-jarige leeftijd naar België. Hij was toen in Nederland reeds gedurende pl.m. 10 jaar verplicht verzekerd geweest, maar door verschillende oorzaken was er zeer onvoldoende voor hem geplakt. Toen hij in September 1932 de leeftijd van 65 jaar bereikte, kon hij dan ook het minimum aantal premiën, dat voor de toekenning vaneen ouderdomsrente wordt verplacht, niet in rekening brengen. In het allergunstigste geval moest hij, om voor ouderdomsrente in aanmerking te kunnen komen, nog totdat hij bijna 66| jaar zou zijn, doorplakken. Eerst daarna zou de rente kunnen ingaan. Dit beteekende voor deze arbeider een schade van bijna li X ƒ 156. is pl.m. ƒ 225. aan rente. Bedoelde arbeider had echter het geluk in België, al was het voor korte tijd, werk te vinden. Gedurende zes weken was hij in loondienst, viel daardoor inde Belgische verplichte verzekering en kreeg een Belgische rentekaart. Verder bleef hij werkloos. Hij was echter zoo verstandig in België na de 6 weken loondienst voor eigen rekening door te plakken, hetgeen hij vréémd genoeg in Nederland had nagelaten. Toen nu op 1 April 1933 het Verdrag In werking trad, konden op grond van de wederkeerigheidsbepalingen ten aanzien van betaalde premiën zijn Belgische premiën tezamen met de Nederlandsche zegels worden opgeteld. Dit gezamenlijk aantal bleek voldoende om hem recht te geven op de Nederlandsche ouderdomsrente. Deze repte kon ingaan tegelijk met dein werking treding van het Verdrag op 1 April 1933, inplaats van omstreeks Maart 1934, het tijdstip waarop hij QQi jaar zou zijn geworden. Het Verdrag geeft deze arbeider derhalve een direct voordeel van pl.m. ƒ 135.—, terwijl hij bovendien van April 1933 tot Maart 1934 geen premie behoeft te betalen. Zijn schade bedraagt thans nog omstreeks ƒ 90. inplaats van ƒ 225.—. Deze verliespost van ƒ 90, had kunnen worden voorkomen, indien hij, juist zooals hij in België deed, ook in Nederland beter , voor zijn verzekering had gezorgd.

Sluiten