Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een liberaal jurist schrijft... (N.C.J.H) In ’t algemeen kan het bekend zijp, dat de redacties van dagbladen met een zekere journalistieke standing nogal kieskeurig zijn bij de keuze van medewerkers. Niemand slaat graag een flater en men weet in ’t algemeen maar al te goed, dat b.v. een wetenschappelijke titel niet steeds beteekent dat de drager van zoo’n titel ook absoluut deskundig is t.a.v, het onderwerp waarover hij schrijft. Er kunnen echter factoren zijn, waardoor de gewone voorzichtigheid uit het oog wordt verloren en wanneer men nu weet dat vakbonden (van arbeiders wel te verstaan) een voortdurende ergernis zijn van de liberale ..Nieuwe Rotterdamsche Courant”, dan kan het geen verwondering wekken dat deze vakbonden de oorzaak zijn geweest dat in dit deftige orgaan een beschouwing is verschenen, die een goed figuur gemaakt zou hebben in het zondagsblad van „De Tribune”. De directe aanleiding is de organisatie van de werkloosheidsverzekering, die in de parlementaire werkzaamheden weer eens naar voren is gekomen en waaraan de redactie van de „N. R. Crt.” reeds een hoofdartikel had gewijd dat niet vrij was van insinuaties. In verband met dit redactioneele artikel verscheen eenige dagen daarna een beschouwing vaneen „vooraanstaand liberaal” onder de titel „Steun en vakbondscontributies”, wTelke beschouwing zoomin als het artikel van de redactie ons tot schrijven geïnspireerd zou hebben. In het avondblad van 2 dezer verscheen echter een beschouwing over „Steun en vakbond” van iemand die zich aandiende als een liberaal jurist en dat letterlijk druipt van demagogie. De bedoeling van het artikel is om de aandacht te vestigen op een gevaar van moreele aard, dat verbonden is aan de uitkeering van de steunbedragen door de betrokken vakbonden. l) Als inleiding wordt dan medegedeeld door de schrijver dat hij het niet onverdeelde genoegen heeft als raadsman te zijn toegevoegd aan een werkloos arbeider, die in ongeveer een jaar tijds ƒ 700. onrechtmatige steun had genoten. Vanzelfsprekend heeft hij zich voor dat geval dat hem door beróepsomstandigheden voor de voeten kwam, ook op de hoogte moeten stellen van eenige administratief technische bijzonderheden, de steunverleening betreffende. En wat hij er over mededeelt, bewijst dat hij zich inde betrekkelijke kwestie niet heeft verdiept en tevens dat het een geval betreft dat niet te Rotterdam speelt. Wij hebben trouwens sterk de indruk gekregen, dat wanneer deze rechtskundige niet als toegevoegd verdediger moest optreden, het onderwerpelijke artikel nimmer de „N. R. Crt.” ontsierd had. Hoewel dat laatste ons geen zorgen brengt. De schrijver vertelt dan verder dat de steuntrekkende bij het in ontvangst nemen van de steun een schriftelijke door hem onderteekende verklaring moet afgeven omtrent de gezinsinkomsten en dat met deze verklaringen bedenkelijk wordt geknoeid. Wat verder is het knoeien al hopeloos geworden, maar aangezien wij intusschen het terrein van „behoorlijke contróle” zijn betreden, schijnt het hopelooze niet zoo erg te zijn. De schrijver concludeert verder dat er aan de controle veel ontbreekt en stelt vast dat de bestaande controle is: le. die van de zijde van het overheidsorgaan dat de steunbedragen bepaalt voor iedere werklooze; 2e. die van de zijde van de betrokken vakbond en wel de bestuurder die met de uitbetaling is belast. Dit laatste is in deze vorm geheel onjuist en bewijst dat de schrijver zich niet behoorlijk op de hoogte heeft gesteld van de werkelijke bemoeiing van de vakbeweging met de steunverleening. Maar het is er niet om begonnen om een en ander eens ernstig onder oogen te zien, maar om eens behoorlijk af te kunnen geven op de vakbond, de vakbondscontributie en vooral niet te vergeten de vakbondsbestuurder. De volgende ontboezeming, waarbij wij onze jurist rechtstreeks aan het woord laten, brengt ons al dichter bij het doel: ,) Deze omschrijving Is van de liberale schrijver. Niet alleen achter de fabriekspoort, maar ook achter de helverlichte étalages van de Winkel-Maatschappijen, grijnst het kapitalistische spook u tegen. Ook daartegen u gewapend, door LID en VERBRUIKER van de COÖPERATIE te worden. En dan vooral eischen, dat u het bekende HAKA-MERK geleverd wordt.

„Bij onderzoek bleek mij, dat m het onderhavige geval eerst een controleur van het B.A. bij de man was geweest, nadat hij een jaar lang steun had ge* trokken en tevens inkomen had genoten van bij hem inwonende kinderen. Dat is natuurlijk onjuist. Het is wel niet mogelijk de controle vanwege de overheid zoo te doen zijn, dat er nooit sprake kan zijn van fraude, maar een jaar lang iemand steun te laten trekken, zonder eens een controleur op zijn dak te sturen, is toch wel erg bar. ledere keer, dat de man zijn steun ging halen op het bureau van zijn vakbond, gaf hij een verklaring af; Geen gezinsinkomen. En nu behoort m.i. de vakbondsbestuurder (meestal vrijgestelde) die de uitbetaling doet, aan ieder af te vragen, of inderdaad zijn opgave met de werkelijkheid strookt en hem te wijzen op het groote gevaar hetwelk hij loopt indien hij een foutieve verklaring aflegt. , Men moge zeggen: daarvoor heeft hij geen tijd, want er zijn er zoo veel die in de rij staan; hij heeft óók tijd om de vakbondscontributie in te houden en daarover zal waarschijnlijk ook wel eens van „gedachten” worden gewisseld tusschen hem en de steuntrekker. Daarin zou dus al een groote preventieve kracht kunnen schuilen.” De laatste zin heeft natuurlijk betrekking op het alsmaar de leden voorhouden dat zij de waarheid en niet anders dan de waarheid moeten spreken, want de schrijver zal wel niet bedoelen dat er vaneen gedachtenwisseling over vakbondscontributie inde een of andere richting preventieve kracht uitgaat. Wij hebben intussehen het doel bereikt, want thans barst de bom en slingert ons de volgende lieflijkheden naar ons hoofd: geen moed om de leden op een verkeerde handeling te wijzen, niet voldoende verantwoordelijkheidsgevoel met betrekking tot gemeenschapsgelden, angst voor het baantje met het witte boordje, een en ander opgediend met wat gemoraliseer over gemeenschapsplicht en vrijmoedige brutale steuntrekkers. Het is een fraai stuk en als deze jurist zoo goed kan pleiten als verdachtmaken, is het een heele baas. Natuurlijk kan hij, nadat hij zich in edele verontwaardiging over de „vrijgestelde” heeft geuit, niet meer stoppen en hieronder volgt de rest van ’s mans betoog; „Het is vooral ook om deze reden, dat het niet slechts gewenscht, doch absoluut noodzakelijk is, dat de uitbetaling van de steunbedragen wordt onttrokken aan de vakbonden en gelegd in handen vaneen officieele instantie, beschikkende overeen contróle-apparaat, dat elke fraude onmiddellijk achterhalen kan en het ook doet. De uitgaven daarvoor gedaan, zullen ten- slotte blijken winst te zijn, zoowel financieel, als moreel. Wil men vertegenwoordigers der vakbonden in die officieele instanties opnemen, mij wei, maar niet meer en nooit meerde vakbonden laten beschikken over gelden, die voor het grootste deel komen van de gemeenschap. Dat is een van de grootste fouten geweest, ooit door de overheid begaan. Trouwens u heeft het in uw hoofdartikel in het Avondblad D van 23 September j.l. zoo juist aangegeven en zoozeer de vinger op de wonde plek gelegd, dat het onbegrijpelijk is, dat de betrokken minister niet dadelijk heeft gezegd: „nu is het uit. Daaraan moet een einde kómen, zoowel in het belang van de moraliteit als in het belang van de gemeenschapsgelden.” Met alle mogelijke en ónmogelijke middelen wordt door de overheid gezorgd voor ons zedelijk heil, doch om het eenige middel aan te wenden, waardoor tientallen van menschen worden weerhouden gemeenschaps-dief te worden, zoover schijnt men niet te komen.” Het lijkt ons overbodig op het bovenstaande nog verder commentaar te leveren. Het is zoo stom, belachelijk en tegenstrijdig en verder zoo immoreel, dat wij deze lasteraar gevoegelijk kunnen indeelen bij zijn fascistische geestverwanten van „De Telegraaf”. Maar hij is liberaal en dus heeft de „N. R. Crt.” de primeur van zijn pennevruchten. In Duitschland heeft naast de geweldmethode, het uitstorten vaneen stroom van laster en verdachtmaking over personen, om met die personen de organisaties te treffen die zij vertegenwoordigden, er het hare toe bijgedragen om de nationaalsocialisten vaste voet te geven. De hierboven besproken „bijdrage”, die de redactie van de „N. R. Crt,” een plaats gaf op de eerste pagina, eerste kolom, is een sterk staaltje van het ergste politieke bederf, wat op het oogenblik in ons land ingang probeert te vinden.

miiiiiiniMniiiiiimiinniiiinniüTifiiiniiiiiiiinifiiiiMiiiiiiiiiiimnniiirinimirmiiniimriiriiiiiiiiimimrfininiiifiifTniiiimiifr | Geen keten is sterker dan zijn j | zwakste schakel. Boycot den | J Duitschenexport,Hitler'szwak- | i ste plek. I I nriiiiiiiii(iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiii(!i(iiniiiiiii(iifiiiiiiiiiiiiiiiiiiiitii)iiiiiii(ii(ri(miiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiifniimfiiiifii(iiniiiu Dat hebben de socialisten gedaan. De redactie van het christelijk orgaan „Dé Nederlander”, een blad dat vooral in burgerlijk-ehristelijke kringen nogal lezers trekt, is de laatste tijd zeer scheutig met het af staan van plaatsruimte aan schrijvers van ingezonden stukken, waardoor zij haar lezers gelegenheid biedt allerlei, tot zelfs de meest idiote meeningen, uitte spreken. ’t Heeft dit voordeel dat iedereen die ’t maar lezen wil daardoor kennis kan nemen van het geestelijk peil dat een zeker soort lezers en abonnees van dit nette burgermansblad vertegenwoordigt. Een zekere mijnheer Reijers, woonachtig fo droeve speling van het lot) te Zwijndrecht, fulmineert in het nummer van 30 November tegen de gelijkstelling van man en vrouw. Daar is ie „teugen” en zegt: „Dit socialistisch wanproduct heeft ops de denaturatie gebracht van de jonge vrouw en de wanhoop en opstand van de jonge mannen. Christelijk Nederland moet het als een zonde gevoelen, dat inde fabriek het meisje gedenatureerd wordt, slavinnen worden van de machine, een walg krijgen van het moederschap en straks de bioscoop hooger waardeeren dan de echte vrouwelijke gezinszorg. Waarvoor zal ze dan ook gezinszorg hebben, want als ze per ongeluk trouwt, is het toch slechts met een werklooze man.” Nietwaar lezers, dat; is een fraai stukje, hetwelk de redactie zoo maar laat passeeren zonder een regel onderschrift. Dat wist ge nog niet hè, dat het de socialisten geweest zijn die de vrouw en het meisje uit het gezin en inde fabriek gebracht hebben. De lezers van „De Nederlander” zullen het ook misschien niet geweten hebben. Maar nu weten zij het dan wèl. ’t Is het oude refrein: „dat hebben de socialisten gedaan.” Wel is waar heeft de kapitalistische ontwikkeling, lang vóór dat het socialisme z’n intrede inde wereld deed, de man werkloos gemaakt en de vrouw en het kind uit de gezinnen gesleurd en inde fabrieken gebracht, maar dat bèlet deze Zwijndrechtsche intellectueel niet te schrijven dat de socialisten de schuld dragen. De emancipatie-gedachte, het streven tot gelijkstelling van man en vrouw, is misschien nog sterker en nog vroeger van burgerlijke dan van socialistische kant gekomen. De laatsten hebben hun eisch tot gelijkstelling in elk geval gebaseerd mede op het maatschappelijk verschijnsel dat de vrouw uit het gezin en in het openbare leven bracht. De vrouwen nemende plaatsen in van de jonge mannen, in sommige bedrijven althans, maar daaraan zijnde socialisten even onschuldig als aan de overstrooming van het land van Maas en Waal. Wie, of liever wat zijnde ondernemers die deze vrouwen exploiteeren? Zouden het niet veeleer christelijken dan wel socialisten zijn? Persoonlijk staan wij op het standpunt dat de gehuwde vrouw in haar gezin behoort en dat vooral in deze tijd dubbele inkomsten uit de booze zijn. Maar dragen de socialisten daar de schuld van? En dan nog iets, een kleinigheid maar toch niettemin van groot belang. Als het aantal jeugdige werkkrachten, d.w.z. de jongens van 14—15 en 16 jaar dat thans in onze bedrijven, aangesloten bij de Metaalbond, werkt, ruim 70 procent minder bedraagt dan 4 jaar geleden, zou die christelijke Zwijndrechtenaar dan willen volhouden dat die 70 procent werk kan vinden indien de vrouw in ’t gezin blijft? In ’t algemeen gesproken kunnen wij vaststellen, dat in onze industrie, uitzonderingen daargelaten, de vrouw geen concurrente is van de man. Maar geen andere industrie is juist zoo zwaar door werkloosheid getroffen als juist de onze. Wgt Wil deze praatjesmaker uit het wereldcentrum Zwijndreeht dan doen? Opze duizenden jonge en oudere werkloozen helpen door z’n leugenachtig gekwebbel over gelijkstelling van man en vrouw? Deze Zwijndrechtsche kletsmeier, die blijk geeft nog nooit een boek betreffende j eenig maatschappelijk of economisch vraagstuk gelezen te hebben, wordt door de redactie vaneen orgaan dat voor ernstig genomen wil worden, inde gelegenheid gesteld de grootst mogelijke nonsens aan de markt te brengen. Als het tegen de socialisten gaat is ieder blijkbaar welkom. ’t Is heel fraai, dat moeten wij zeggen.

De moeilijkheden in Amerika. Henry Ford, de overwinnaar. In „De Sociaal-Democraat” veertiendaagsch orgaan van de S.D.A.P. van Zaterdag 11 November troffen wij een artikel aan van J. v.d. W(ijk), gewijd aan de moeilijkheden in Amerika en meer speciaal aan het verzet dat Henry Ford geboden heeft tegen de „Herstelcampagne” van generaal Johnson. Ford wenscht zich namelijk niet te onderwerpen aan de voorschriften die generaal Johnson voor de automobielindustrie heeft uitgevaardigd. Wij zullen hieronder het gedeelte uit het artikel van J. v.d. W. dat speciaal voor ons van belang is, weergeven. Onder de titel „Henry Ford Triomfator” aldus v.d. W. bracht het „Handelsblad” van verleden Zondag ons het volgende bericht: „De beslissing van Ford, om 45.000 arbeiders te ontslaan en om de fabriek te Dearborn gedurende een week te sluiten, hebben hem in zijn strijd met generaal Johnson doen zegevieren. De laatste heeft n.l. een verklaring gepubliceerd, waarin wordt gezegd, dat indien Ford bereid is de 45.000 arbeiders in dienst te houden, de regeering harerzijds bereid is de mogelijkheid te onderzoeken om Ford van de automobielcode vrij te stellen.” De beteekenis van dit bericht zoo gaat •v.d. W. verder moet niet onderschat worden. Daar is inde eerste plaats het merkwaardige feit, dat één man, door te dreigen met wat men een „partieele staking” zou kunnen noemen, de regeering vaneen machtig rijk naar zijn hand weet te zetten. En nog wel op een gebied waarop de regeering bijna dictatoriale volmacht heeft gekregen, op het gebied namelijk van de saneering (gezondmaking) der economische verhoudingen! .Dankt hij die invloed aan zijn geestelijk overwicht, aan de overtuiging dat hij beter dan president Roosevelt en diens staf van medewerkers weet te beoordeelen wat voor die saneering al dan niet noodig is? Geen mensch die het gelooft. Het is enkel de beschikking over de arbeidsmiddelen en daardoor tevens over de levende arbeidskrachten van zooveel duizenden, die hem deze oppermacht verleent. Om de volle beteekenis van dit ondernemersverzet te erkennen, moet men bedenken dat ze niet alleen staat. Integendeel maken de kranten hoe langer hoe meer melding van verzet der industrieelen en andere kapitalisten tegen de herstel-poglngen van Roosevelt. Die tegenstand blijkt haar oorsprong niet op de eerste plaats in zuiver economische overwegingen te hebben, maar inde vrees dat de vakbeweging er zijde bij zal spinnen. V.d. W. toont dan aan dat die vrees van hun kant niet ongerechtvaardigd is. Hij wijst hierbij op de enorme groei die de vakbonden inde laatste maanden hebben doorgemaakt. In zoo een situatie zegt v.d. W. ten slotte behoeft het geen betoog dat een geslaagd verzet vaneen der industrieraagnaten (Lat. magnus = groot) het sein kan worden voor een algemeene aanval van hun kant op de regeeringspolitiek. Wij gelooven dat het goed zal zijnde Amerikaansche gebeurtenissen met aandacht te volgen. (Eigen Documentatie) O ABONNEERT UOP HZEGIDS Sociaal-economisch-tech' nisch maandblad. Uitgave van de Alg. Nederlandsche Me taal bewerkers bond Prijs voor leden f 1.00 per jaar, desgewenscht te voldoen in vier termijnen Meldt U als abonné bij' Uw B afdeelingsbestuur

Sluiten