Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Loonpeil en werkloosheid in het Duitschland van de Socialistenwet. Door Otto Burgemeister-Amsterdam. Om de uitwerking van de Duitsche gebeurtenissen van verleden jaar op het levenspeil der arbeidersklasse beter te kunnen begrijpen, is het buitengewoon be- • langrijk een vergelijking te maken met de positie der Duitsche arbeiders na de afkondiging der Socialistenwet inde zomer van 1879. Door deze wet werd de Duitsche sociaal-democratie plotseling een verboden partij, de vakvereenigingen werden ontbonden en er was geen sprake meer noch vaneen sociaal-democratische pers noch van vakbladen. Ondanks groote historische verschillen bestaat nu toch een bepaalde gelijkheid ten opzichte van de uitwerking tusschen de economische gevolgen van de Bismarckwet en van de Hitjerdictatuur. Ook destijds werd Europa geteisterd door een geweldige economische crisis, die haar aanvang had genomen in 1874 met de ineenstorting van groote banken in Duitschland en andere landen. Geleidelijk kwam werkloosheid op, die haar hoogtepunt bereikte inde jaren van 1880 tot 1885, dus juist inde tijd van de Socialistenwet. De achteruitgang van deze werkloosheid na 1885 is niet te wijten aan het feit dat de toestanden over ’t algemeen beter waren geworden, maar vanaf begin 1880 tot en met 1885 had Duitschland een jaarlijksche emigratié naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika van gemiddeld 400.000 menschen. Ruim 2,5 millioen Duitschers hebben in dit tijdperk hun vaderland verlaten. De emigratie naar Noord-Amerika was destijds heel gemakkelijk. De emigrant behoefde niet over geld te beschikken. Hij teekende een arbeidscontract voor een jaar of drie met een Amerikaansche immigratiémaatschappij en de overvaartkosten werden voor hem en zijn gezin betaald. Door dit yentièl, dat thans niet meer bestaat, was het mogelijk omstreeks 1890 tot een evenwicht te komen inde verhouding van vraag en aanbod van werkkrachten. De loonen liepen vanaf 1875 eerst meer langzaam terug, om na 1880 naar beneden te kletteren, terwijl juist vanaf 1880 alle prijzen sterk stegen. Dit was het gevolg vaneen zeer hoog protectionisme, dat door Bismarck in 1879 werd ingevoerd en eerst in 1893 werd opgegeven door de opvolger van Bismarck, generaal van Gaprivi. Lage loonen, hooge prijzen en groote werkloosheid waren dus het kenteekeit van het tijdperk der Socialistenwet. Hadden de meest inteliigenten onder deze door weergalooze ellende geteisterde menschen niet kunnen vluchten naar Amerika, dan zou èen revolutie het gevolg zijn geweest van deze toestanden. Het laatste jaar van hoog-conjunctuur vóór de crisis van 1874 had omgekeerd bij betrekkelijk hooge loonen, lage prijzen. Al zijn er ook maar weinig beroepen waarvan wij over goede gegevens beschikken, zoo valt toch een betrekkelijke overeenkomst met de jaren 1926—’27 duidelijk te erkennen. Zoo hadden de schilders te Berlijn in 1873 een uurloon van 50 pfennig (30 cents), een dagloon van M. 4,50 (ƒ2.70) bereikt: in 1886 was het uurloon gedaald tot 39 pfennig (23 cents), het dagloon tot M. 3,50 (ƒ2.10). Het loon van 1873 werd pas weder bereikt in 1900, dus 27 jaar later! Eerst in 1903, 30 jaar later, werd dit loonpeil overschreden, maar omdat juist met 1903 het hooge protectionisme van de rijkskanselier Bülow wederom opgebouwd was op de principes van Bismarck, liep het reaalloon of de koopkracht van het loon reeds weder achteruit in vergelijking met de loonen van 1900. Vanaf 1903 stegen immers de prijzen van de levensmiddelen in Duitschland met 30, 40 en meer procenten, zoodat het reaalloon misschien eerst in 1908—'10 weder overeenkwam met dat van 1873. In Zuid-Duitschland kon niet in die mate gesproken worden van een achteruitgang van de loonen tengevolge van de crisis, want te Neurenberg bedroeg het gemiddeld uurloon van de schilders in 1871 maar 20£ pfennig (12£ cents) en het dagloon bij 10 uur werktijd gemiddeld M. 2,23 (ƒ1.40). Het spreekt vanzelf dat deze hongerloonen niet nog verder mochten dalen. Zoodoende zien wij op deze plaatsen het uurloon zelfs langzaam stijgen, maar het loon van de Eerlij nsche schilders van 1873, 50 pfennig per uur, werd door de Neurenbergsche schilders eerst bereikt in 1907, toen de koopkracht van het geld door het Bülow-protectionisme reeds weder was gedaald. De loodgieters te Hamburg hadden in 1873 een uurloon van 30 pfennig (18 ct.) en bij een werktijd van 10 uur een dagloon van M. 3, (ƒ 1.80). Dit loon, dat op zichzelf laag was, steeg ondanks de crisis nog in 1875 op 40 pfennig (24 cents) per uur of M. 4, (ƒ 2.40) per dag. In 1885 was het dagloon van deze arbeidersgroep te Hamburg weder gedaald tot M. 3,50 (ƒ210) bij veel hoogere prijzen dan 10

jaar tevoren. Eerst in 1899 bereikten Hamburgsche loodgieters het uurloon va de Berlijnsche schilders in 1873, n.l. pfennig (30 cents). Nog duidelijker ta spreekt een statistiek van de loonen de bomv-hulparbeiders te Neurenberg van 187 tot 1908. Deze arbeiders hadden in 187 een uurloon van 14 pfennig (8i cents) e bij een werktijd van 11 uur een dagloo van M. 1,54 ( ƒ 0.95)! In 1875 bereikten zi. het destijds hoogste loon van 20J pfenni (13 cents) per uur, of bij een werktijd va 11 uur M. 2,24 ( ƒ 1.35) per dag. Dan daald het loon op 18 pfennig (11 cents) per uu om eerst in 1889, dus 14 jaar later, wede het schamele peil van 1875 te bereiken Zelfs in 1900 hadden deze arbeiders maa 27 pfennig (16 cents) per uur, of bij ee werktijd van 10 uur per dag M. 2,7 (ƒ 1.60). Nog in 1908 hadden zij het boven vermelde peil van de Berlijnsche schilder in 1873 en 1900, 50 pfennig uurloon, nie bereikt. Deze cijfers zou men nog kunne aanvullen met loonen van deze arbeiders groep te Elberfeld (Rijnland), Rostoc (Mecklenburg) en op andere plaatsen Over ’t algemeen waren de loonen in Zuid Duitschland altijd iets lager dan in he Noorden, maarde beweging van de loonen was gelijk. Ten opzichte van het levenspeil heef de Socialistenwet van 1879 zoodoende d Duitsche arbeidersklasse teruggeworpen met tenminste één generatie, want zelf d voorheen best georganiseerde arbeider hadden de loonen van 1873 en 1875 eers herwonnen omstreeks 1900. Lage loonen en brutale onderdrukking van de arbei dersbeweging zijn geen beletsel gewees voor een reusachtige werkloosheid; juis na de opheffing van de vakvereenigingen door de wet van 1879 bereikte de werkloos heid haar hoogtepunt inde 20 jaa crisistijd van 1874 tot 1893. Een gelijk ver schijnsel zal ook de Hitlerdictatuur too nen, want inde officieele Duitsche propagandacijfers gelooft niemand. Maar dit kort overzicht bewijst wel meer dan genoeg, dat de vakvereenigingen haast nog noodzakelijker zijn in tijden van crisis dan onder normale omstandigheden en dat zij een kostbaar bezit zün dat de arbeidersklasse moet trachten te handhaven met alle middelen en onder alle omstandigheden. Arbeidersjaarboekje 1934. Arbeidersjaarboekje 1934, onder redactie van Is. Santcroos Dlz Prijs 40 cent. Uitgave N.V. „De Arbeiderspers”. Daar is hij weer,, deze ieder jaar terugkomende gids voor allen die inde moderne arbeidersbeweging zijn georganiseerd. En evenals de 35 vorige jaren het is reeds de 36ste jaargang brengt hij weer een schat van feiten ep gegevens. A. B. Kleerekoper schreef een artikel, getiteld „Hoofdelijke oproeping”, waarmee hij de uitgave opent, daarna is de rubriek personalia aan de beurt. Zij, die ons in het afgeloopen jaar ontvielen, worden herdacht, terwijl de jubilarissen nog eens de revue passeeren. Hierop volgen de sociaal-democratlsche organisaties en instellingen, verslagen van partijsecretaris, gewestelijke en stedelijke federaties geven een beeld van activiteit die in het afgeloopen jaar werd ontwikkeld en lichten de lezer over vele belangrijke zaken in. Vrijwel onmiddellijk daarop is de moderne vakbeweging aan bod. Alle organisaties zijn vertegenwoordigd en ieder gaf een kort overzicht van de door haar in het afgeloopen kalenderjaar verrichte arbeid. Natuurlijk treffen wij ook weer de adressen van de bestuurdersbonden en bureaux voor arbeidsrecht aan, alsmede die van volks- en andere gebouwen der moderne arbeidersbeweging. Deze zeer belangrijke uitgave besluit ten slotte met de rubriek „De cultureele instellingen der moderne arbeidersbeweging” en „Diverse organisaties”. Wij kunnen niet anders zeggen, dan dat dit boekje in het bezit behoort te zijn van iedere vakvereenigingsbestuurder, die er veel uit kan leeren en er bovendien groot gemak van zal hebben. Voor de prijs behoeft hij het niet te laten. Veertig cent voor 240 pagina’s, oftewel 6 pagina’s voor één cent, is werkelijk een koopje. Wij begrijpen dan ook volkomen dat de uitgeefster, om tot deze prijs te komen, een flinke oplaag moest laten maken. Laten onze bestuurders, dooreen exemplaar van deze uitgave, die zij werkelijk niet kunnen missen, te koopen, er voor zorgen, dat de N.V. „De Arbeiderspers” niet met haar oplage blijft zitten. Ten slotte raden wij ook onze leden, die actief aan het vereenigingsleven deelnemen, de aanschaffing ten sterkste aan. niiiiiiiiiiiiiiiiiuiii.iijiiiijiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiHtiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiliiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiimiiiiiiiiiiiiijrtinin g ss | Wij willen Hitler niet -en even- | | min zijn waren! BoycotDuitsche | J goederen! j ïïiiiiiiiiiiiuiiiiiininiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiimiiimiiiiiiiiuiiimiiMiiiiiiiiiHiliiaiiS

Resultaten V.E.V.-monteurs-0 examens. Wij ontvingen een zeer uitvoerig verslag, benevens een overzicht van dein de maanden Juli en Augustus 1933 gehouden examens voor electro-monteurs, uitgaande van de Vereeniging tot bevordering van .. Electrotechnisch Vakonderwijs in Nederg land. n Aangezien wij dat geheele verslag niet e kunnen overnemen, volstaan wij met uitsluitend plaats in te ruimen voor het adr ministratieve gedeelte, dat wij hieronder laten volgen: r a „De deelname aan de examens 1933 0 heeft die van alle vorige jaren verre over, troffen. Niet minder dan 333 deelnemers s voor het Sterkstroomexamen en 37 voor t het Zwakstroomexamen gaven zich op. 1 Hiervan trokken zich terug 23 voor de – Sterkstroom- en 1 voor de Zwakstroomj examens, zoodat ten slotte 310 Sterki. stroom- en 36 Zwakstroomcandidaten werden geëxamineerd. Hiervoor waren noodig t 14 examendagen voor Sterkstroom en 2 i examendagen voor Zwakstroom. De examens werden wederom gehouden t te Groningen inde Ambachtsschool, C. H, 3 Petersstraat 2; te Rotterdam inde Amr bachtsschool, Tamboerstraat 9en te Am-3 sterdam inde Electrotechnische School, s voorm. Stadstimmertuin 2. Voor de welt vóllende beschikbaarstelling der scholen zij i hier de Directeuren dank gebracht. ' De toeneming van het aantal examen. dagen tot 16 tegen in 1931 13 had tengevolge dat, wegens het niet beschikbaar zijn voor een zoo groot aantal dagen, de ' examencommissie uitbreiding heeft moe' ten ondergaan. Bij deze uitbreiding is getracht zooveel mogelijk leiders van nieuw ’ erkende cursussen te betrekken. Voor de „vaste kern” van de commissie wordt het wel bezwaarlijk zich gedurende zooveel dagen beschikbaar te stellen en zullen bij verdere uitbreiding van het aantal examendagen wellicht andere maatregelen ; dienen te worden overwogen. Ook deze maal liet de samenwerking der examencommissies weer niets te wenschen over. Er heerschte een prettige geest en aangename verstandhouding. Zooals uit het overzicht van de resultaten der examens blijkt, zijnde candidaten geleverd door 10 eigen- of erkende cursussen (1931, 7), terwijl als bijzonderheid moge vermeld worden, dat zoowel in Amsterdam als in Rotterdam één dag sterkstroomexamen is gehouden voor de werkloozencursussen dier plaatsen. Opmerkelijk hierbij is het groote percentage geslaagden van de Rotterdamsche werkloózencursus, n.l. 854 pCt. De eigen Sterkstroomcursus te Rotterdam heeft overigens ditmaal eveneens met 80 pCt. geslaagden een uitstekend resultaat bereikt. Goede cijfers werden behaald door Utrecht 85pCt., Leiden 78pCt., Hengelo (2 deelnemers) 100 pet. en Arnhem 83 pCt, Onder het gemiddelde van 70 pet. bleven Den Haag 69 pCt., Haarlem 50 pCt. en Amsterdam 55a PCt., terwijl Groningen juist 70 pCt. bereikte. Verder slaagde van de Amsterdamsche werkloozencursus 564 pCt. Van de candidaten, die geen V.E.V.-cursus hebben gevolgd, slaagde 564 pCt., waardoor het totaal percentage geslaagden op 68 kwam. Het percentage geslaagden van het Zwakstroomexamen bedroeg ditmaal ruim 70 pCt., hetgeen bij vergelijking met het resultaat van 1931 (53 pCt.) een belangrijke verbetering genoemd mag worden. Deel namen 34 ex-cursisten en 2 van buiten af. Deze laatsten slaagden beiden niet. De cursus Amsterdam behaalde hier het beste resultaat, n.l. 784 pCt. geslaagden, gevolgd door Den Haag met ruim 73 pCt. Rotterdam bleef met 50 pCt. ver onder het gemiddelde. Evenals in het examen verslag over 1931 volgt hier een overzicht van de categorieën van monteurs die aan de Sterkstroomexamens hebben deelgenomen, n.l. a. monteurs in overheidsdienst, b. monteurs werkzaam in fabrieken, c. monteurs bij installatiefirma’s en d. werklooze monteurs. Deze aantallen waren: voor a. 91 of 294 pCt., voor b. 51 of 16 pCt., voor c. 91 of 294 pCt. en voor d. 77 of 25 pCt. De werklooze monteurs zijn nog te splitsen in 18 fabrieksmonteurs en 59 installatiemonteurs. Voor de Zwakstroomexamens was de verdeeling als volgt: voor a. 23 of 64 pCt., voor b. 7 of 20 pCt., voor c. 4 of 11 pCL en voor d. 2 of 5 pCt. Vermeld zij nog dat aan een 9-tal candidaten, die een V.E.V.-cursus hadden gevolgd, een reductie op de examengelden is toegestaan, terwijl de candidaten van de Werkloozencursus Amsterdam geheel waren vrijgesteld hiervan. Dit laatste was mogelijk, doordat de examinatoren zich die dag vrijwillig ter beschikking stelden.

De loonfactor inde metaalindustrie. . Loonsverlaging een mes met een snijdend handvat. . In het „Algemeen Handelsblad” (Algemeen Bijvoegsel van l-11-’33) troffen wij een artikel aan van de hand van dr. ir. H. J. Prins over de ontwikkeling van onze metaalindustrie. Wij zullen uit het laatste van dit artikel enkele regels overnemen, daar het goed is de uitspraak van dr. ir. H. J. Prins in onze bondsdocumentatie vast te leggen. Na inde loop van het artikel uiteengezet te hebben hoe onze metaalindustrie gedeeltelijk ontstaan is uit de speciale behoeften van ons waterland (men denke aan het bouwen van bruggen, sluisdeuren, haveninstallaties, schepen enz.) en na de ontwikkeling der diverse en voornaamste takken van metaalindustrie in Nederland de revue te hebben laten pagseeren, komt de schrijver van het artikel tot de conclusie, dat er eigenlijk twee soorten metaalindustrie te onderscheiden zijn. Dit zijn namelijk de ondernemingen, wier werk zeer verschillend van aard is, waarvan de leiders telkens weer voor nieuwe problemen komen te staan en andere, die dag in dag uit hetzelfde artikel fabriceeren. Als voorbeeld van de’ eerste soort noemt hij dan de vele machinefabrieken en constructiewerkplaatsen. De oorzaak vaneen dergelijke diversiteit is gelegen inde omstandigheid, dat voor ieder afzonderlijk de vraag naar één artikel totaal onvoldoende zou zijn om te kunnen voortbestaan, zoodat de meeste en vooral de oudere van de aanvang af gewend zijn geweest van alles te fabriceeren. Een dergelijke organisatie komt volgens ir. Prins ongetwijfeld de uitgebreidheid der technische ontwikkeling van de leiders ten goede, maar zij is gezien de steeds hooger wordende eischen, die dé gebruikers der metaaltechnische voortbrengselen moeten stellen —niet ongevaarlljk en bevordert het verplaatsen van orders naar gespecialiseerde buitenlandsche fabrieken. „Sommige groote bedrijven, die dit gevaar erkennen, hebben getracht hieraan tegemoet te komen door samen te werken met andere en bepaalde afspraken te maken, waardoor ieder zijn terrein meer inkrimpt en specialiseering mogelijk wordt, een besluit dat toejuiching verdient. Er is nog een ander voordeel aan verbonden voor de koopers! Niet alleen is er meer deskundigheid te verwachten bij de uitvoering, maar ook de snelheid van uitvoering der opdracht, een geweldige factor in het moderne bedrijf, wordt er belangrijk grooter door. Des te grooter de diversiteit der opdrachten, des temeer orders moeten er zijn, ten einde aan de arbeiders voldoende werk te kunnen geven. Dit is begrijpelijk, omdat een rationeele verdeeling van het zeer verschillende werk buitengewoon moeilijk, zoo niét onmogelijk is, zoodat alleen bij een overmaat werkperioden van leegloopen kunnen worden voorkomen. Daardoor en door andere factoren, die de bedrijfsanalyse van dergelijke werkplaatsen ons leeren, zijn zoowel de regiekosten als de directe loonkosten veel hooger dan in gespecialiseerde bedrijven. Wil men dan ook tot lagere productiekosten komen, dan moet het historisch gegroeide oneconomische worden uitgesneden. Gemakkelijk is dit niet, daar ook hier de traditie de vijand der ontwikkeling is. Verlaging der productie-kosten is slechts mogelijk door verlaging der loonen en der regie of door intensificeeripg der productie, d.w.z. vergroeiing der productie per loon- en regieeenheid. Verlaging der loonen en salarissen is de eenvoudigste weg die door iedereen zonder kennis van zaken kan worden betreden. Het is echter in onze tijd een mes met een snijdend handvat, waarvan de wonde door degene, die het hanteert, gewoonlijk eerst bemerkt wordt, als het te laat is. Immers alleen een bedrijf, dat uitsluitend exporteert en zeker is van zijn afzetgebied in het buitenland, heeft persoonlijk belang bij verlaagde loonen in eigen, maar bij verhoogde loonen in het land, waar zijn loontrekkende koopers wonen!” Aldus de meening van dr, ir. H. J. Prins. (Eigen documentatie), | Als 100.000 Nederlanders bij | | elke aankoop zeggen: „Wij | | willen geen Duitsch!" – zullen | | hun stemmen in Berlijn gehoord \ | worden.

Sluiten