Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een fraaie en doelmatige uitgave van onze Bond. Ter uitreiking aan alle leden alsmede aan alle toekomstige nieuwe leden, heeft het bondsbestuur een heel fraai uitgevoerd boekje doen verschijnen. Die fraaie uitvoering geschiedde met het oogmerk dat de leden dit boekje zuinig zullen bewaren, opdat zij het zullen lezen en hèrlezen en bij voorkomende gevallen van twijfel of onwetendheid, zullen raadplegen. De titel luidt; „De A.N.M.B. en zijn beteekenis voor de leden”. Dat staat in fraaie letters op het luxueus uitgevoerde omslag en binnenin op het titelblad, beide door Fré Cohen op uiterst bekwame en kunstzinnige wijze geteekend. Het geschrift, dat 40 bladzijden omvat, is onderverdeeld in acht hoofdstukken, waarin het volgende wordt behandeld: HOOFDSTUK I. HET LIDMAATSCHAP. Formaliteiten. Gewone leden. Adspirantleden. Admittent-leden. Overschrijving van leden. Wezen van het lidmaatschap. Bedanken. Vervallenverklaring. Royement. Contributiezegel. Contributieschuld. Groei van het ledental (beeld). HOOFDSTUK 11. BESTURENDE COLLEGES Invloed op de leiding. Het bondsbestuur. De bondsraad. De algemeene bondsvergadering. Bezoldigde bestuurders en gebouwen (beeld). HOOFDSTUK 111. HET WEZEN VAN DE BOND Een bedrijfsorganisatie. De afdeelingen. Groepen en verspreide leden. De jeugdgroepen. Propaganda en actie. Onze bladen. Ontwikkelingsarbeid. Ledentallen ingedeeld naar de provincies (beeld). HOOFDSTUK IV. GELDMIDDELEN Beteekenis van het inkomen. De contributie. Waar het geld blijft. A.N.M.B. orga-Bond betrokken was (beeld). HOOFDSTUK V. BETEEKENIS ONZER FONDSEN De weerstandskas. De werkloozenkas. Het overlijdensfonds. Het T.8.C.-fonds. Steunfonds voor bijzondere doeleinden. Het pensioenfonds. Inkomsten, vermogen, uitkeeringen (beeld).: HOOFDSTUK VI. DOEL EN STREVEN... Vakactie. Sociale maatregelen. Bedrijfsvereeniging voor uitvoering der ziektewet. Politieke invloed. Conflicten waarbij de bond betrokken was (beeld). HOOFDSTUK VII. ONZE VERBINDINGEN Het N.V.V. Plaatselijke bestuurdersbonden. Bureaux van arbeidsrecht. Verhouding tot de "5.D.A.P. De Arbeiderspers. Instituut voor Arbeidersontwikkeling. V.A.R.A. Overige verwanten. Internationale verbindingen. Collectieve contracten (beeld). HOOFDSTUK VIII. RICHTINGEN IN DE VAKBEWEGING Verdeeldheid. De kerkelijke vakbeweging. De syndicalistische en communistische vakbeweging. Onze richting. Omtrent tal van vragen zal dit boekje derhalve een bron van inlichtingen zijn. Naast het mooi geteekende titelblad, waarop ons bondsgebouw te Amsterdam is afgedeeld, bevat het niet minder dan zeven z.g.n beeld-statistieken, waarin op aanschouwelijke en zeer duidelijke wijze de omvang van onze Bond, die van zijn bezittingen en werkdadigheden, is uitgebeeld. Van deze geteekende statistieken is er één van de hand van Fré Cohen, die overigens het geheele boekje kunstzinnig verzorgde en fraaie monogrammen aan de kop van elk hoofdstuk teekende. De andere beeldstatistieken zijn vervaardigd door het bureau „Mundoneum” (sociaal-economisch museum) te Weenen. Moge het boekje ten volle beantwoorden aan het doel waarvoor het geschreven is, n.l. de leden en nieuwe leden volledig in te lichten omtrent de Bond en zijn beteekenis. Niet minder dan 55.000 exemplaren zullen er van worden gedrukt, zoodat er een voldoend aantal over is om de nieuwe leden bij hun toetreding een exemplaar te verschaffen. Vrienden, leden van onze Bond, bewaart dit boekje zuinig en zorgt er voor het altijd bij de hand te hebben. Behandelt en bewaart het met dezelfde gevoelens waarmede het geschreven, geteekend en gedrukt is. Het is mooi werk, voor de uitvoering waarvan ook onze drukkerij „De Arbeiderspers” alle lof toekomt.

Toestand van de V.A.R.A. Wij ontvingen het zeer uitvoerige jaarverslag 1933 van de omroepvereeniging die wij „de onze” plegen te noemen en die dat ook inderdaad is. Reeds op de eerste bladzijde worden sombere klanken vernomen. De Vara is in ledental niet onbelangrijk achteruitgegaan. Zij daalde van 139.808 op 129.039 en verloor dus 10.769 leden. Dat is zeker geen kleinigheid. De oorzaken? Och, crisis en maatregelen van minister Deckers, die ook onze Vara niet onberoerd lieten. Wij mogen ons echter op dit verlies niet blind staren. Het bestuur deelt in z’n verslag mede, dat na 1 Januari j.l. het verlies weer plaats heeft moeten maken voor nieuwe aanwinsten. Laat ons daar ’t beste maar van hopen, want wij kunnen het toch maar moeilijk verzetten, dat de arbeidersomroep zoo slecht heeft geboerd. Ofschoon, wij mogen niet uit het oog verliezen dat de Vara jaren van geweldige groei achter zich heeft liggen. Zij is misschien ook wel wat al teveel verwend. In niet minder dan 477 plaatsen heeft onze omroepvereeniging afdeelingen en zij is dus wel overal doorgedrongen. Voor de rest moeten wij naar het verslag zelf verwijzen, want dit bevat zóóveel interessants, dat wij heusch geen kans zien het allemaal ineen klein hoekske te verwerken. Kosten van levensonderhoud in Engeland en Nederland. In De Economist van Februari maakt mr. dr. H. J. von Brucken—Fock, aan de hand van het rapport van het „Nutrition Committee” voor de British Medical Association, een vergelijking tusschen de voedingswaarde der budgetten van arbeidersgezinnen in Engeland en Nederland. Door vorengenoemde commissie wordt aangenomen, dat er, na het verlies bij het toebereiden en verteren der spijzen, netto 3000 calorieën voor het menschelijk lichaam overblijven, wat voldoende geacht wordt om een man in staat te stellen een gezond leven te leiden bij gematigde inspanning der spieren. Voorts neemt de commissie aan, dat tusschen 10 en 15 pCt. der benoodigde calorieën afkomstig moeten zijn van „proteïnen”, zonder welke de groei en de slijtage van weefsel niet voldoende zou worden bevorderd, resp. goedgemaakt. Wat betreft het vetgehalte, wordt een gewicht van 100 gram per dag voldoende geacht, terwijl van de koolhydraten een hoeveelheid van 500 gram per dag benoodigd is. De schrijver maakt nu een vergelijking tusschen de prijzen van het door de Engelsche commissie vastgestelde budget betreffende een Engelsch arbeidersgezin van 2,53 „man-values” (gezinseenheden) en die vaneen overeenkomstig budget vaneen evenzoo samengesteld Nederlandsen arbeidersgezin (2,55 gezinseenheden als het kind 9 jaar is), berekend naar de prijzen, geldende inde kleinhandel te ’s Gravenhage (volgens laatst gepubliceerde Gemeentelijke Statistiek, of, zoo die goedkooper zijn, naar de prijscourant van de coöperatieve winkelvereeniging „De Volharding” van begin December 1933). De vergelijking valt, aldus de schrijver, zeer ten ongunste van Nederland uit. Vergeleken met de Hollandsche prijzen, zouden de kosten in Engeland slechts twee derden bedragen. „Er is echter, vervolgt hij, nog een ander bezwaar tegen het Hollandsche „budget” te maken: dit geeft n.l. een niet onbelangrijk geringere voedingswaarde dan het door de B.M.A. opgestelde. Per gezinseenheid worden door het Hollandsche budget van een gesteund gezin te ’s Gravenhage slechts 2900 calorieën per dag bereikt, tegenover het Engelsche van 3408 cal. per dag. Trekt men van de genoemde 2900 cal. nog het verlies bij toebereiding en vertering, der spijzen (door de B.M.A. op circa 12 pet. geschat) af, dan blijft er een nettovoedingswaarde van 2550 cal. per dag over, of slechts 85 pet. van het vereischte minimum van 3000 cal. Voor het ’sGravenhaagsche (niet gesteunde) arbeidersgezin komt het aantal calorieën op 3327 per dag (netto 2928 cal.), zoodat het slechts 2,4 pet. beneden het vereischte minimum van 3000 cal, blijft.” Het verbruik van brood ineen Hollandsch gesteund gezin levert een nadeelig verschil met het Engelsche budget op van 3519 calorieën. „Het gemis van rond 3500 cal. (bij het brood verbruik) per gezinseenheid per week zou opgeheven worden, indien het broodverbruik inde gesteunde gezinnen

kon worden opgevoerd tot het Engelsche. Daartoe zou het broodverbruik per gezinseenheid per week van 2J K.G. met rond 1| K.G. tot 4 K.G. moeten toenemen, hetgeen bij de tegenwoordige broodprijzen rond 34£ cent meer uitgaven per gezinseenheid per week zou medebrengen. Het toch al geen ruimte voor meer uitgaven biedende gesteunden-budget geeft evenwel tot zulk een grooter broodverbruik geen mogelijkheid. Ware in Nederland de broodprijs niet hooger dan in Engeland, waar het Engelsche pond brood (ca. 9/10 Ned. pond) nog geen 6 cent kost (13| cent per K.G.) tegen 23J cent per K.G. bij ons, dan zou het gebruik van 4 K.G. brood per gezinseenheid per week op slechts 53 £ cent te staan komen, dus nog goedkooper zijn dan bij ons de 2| K.G. kosten (50 cent), die de gesteunden thans nuttigen.” Zuivelproducten leveren in Nederland tegenover Engeland een voordeelig verschil op van 1642 calorieën en aardappelen van 1348 cal. per week. Deze voordeelige verschillen worden echter nagenoeg opgewogen door de nadeelige verschillen bij de groepen vleesch, vet en olieën, visch en grutterswaren (tezamen een minus van rond 900 cal.), doch voornamelijk door het meer dan dubbele kwantum aan suikercalorieën. Samenvattend stelt mr. Von Brucken vast, dat bij het Haagsche gesteundenbudget de totaal 2900 calorieën per dag bereikt worden door; 69 gr. proteïne X 4.1 = 284 calorieën (126 te weinig). 120 gr. vet X 9,3 = 1116 calorieën (186 te veel). 366 gr, koolhydr. X 4,1 = 1500 calorieën (550 te weinig). Totaal 2900 calorieën en bij de arbeidersgezinnen de totaal 3327 calorieën per dag door: 82 gr. proteïne X 4,1 337 calorieën ( 73 te weinig). 126 gr. vet X 9,3 = 1170 calorieën (240 te veel). 444 gr. koolhydr. X 4,1 = 1820 calorieën (230 te weinig). Totaal 3327 calorieën. Het gemis aan eerste klas proteïne vindt bij ons voornamelijk zijn oorzaak in het, in vergelijking met Engeland, lage vleeschverbruik, dat daar 0,54 K.G. per gezinseenheid per week bedraagt, tegen bij ons 0,275 K.G., terwijl ook het lagere kaasgebruik bij ons (0,1 K.G., nog wel in het land, dat met zijn kaas geen weg weet), tegen 0,36 K.G. in Engeland, een nadeelig verschil oplevert. Deze verschillen zijn aansprakelijk voor resp. 15,3 gr. en 9,5 gr. eerste klas proteïne per dag en verklaren reeds het tekort, dat 23 gr. eerste klas proteïne per dag bedraagt. De mankeerende koolhydraten vinden hun oorzaak ten eerste in het broodverbruik, dat bij ons 2J K.G. per gezinseenheid per week bedraagt (bij arbeidersgezinnen 3 K.G.), tegen 4 K.G. volgens het Engelsche budget. Het resultaat is een verschil aan koolhydraten van 107 gr. (90 gr.) per dag, terwijl het mindere suikerverbruik (in Engeland bijna 2 maal resp. 11 maal zooveel als bij ons, waar 0,4 resp. 0.5 K.G. per week verbruikt wordt), een gemis aan koolhydraten van 45 gr. (resp. 31 gr.) per dag verklaart. Het resultaat van vorenstaand onderzoek schijnt de schrijver, van volkshuishoudkundig ' oogpunt bezien, niet zonder bedenking. Voor de medici, meent hij, bestaat hierin wellicht aanleiding, hun bijzondere aandacht aan dit vraagstuk te wijden. Er bestaat verder geenerlei aanwijzing, dat de duurdere kosten van noodzakelijke levensmiddelen gecompenseerd worden door goedkoopere bevrediging van de overige levensbehoeften (als huishuur, belastingen, kosten van kleeding, schoeisel en huisraad e.d.). Ook t.a.v. deze laatste kosten verkeert het Hollandsche arbeidersen werkloozengezin in geen gunstiger omstandigheden dan het Engelsche. Huishuren van 6 sh. (F. 2.40) per week steken gunstig af bij die, welke gemiddeld door onze Hollandsche arbeiders moeten worden betaald. „De bedoeling van het vorenstaande, aldus eindigt de schrijver zijn artikel, was hoofdzakelijk het licht te werpen op het relatief dure en toch niet voor voldoende voeding toereikende levenspeil van het Hollandsche gesteunde werkloozengezin. Moge het hier aangevoerde de aandacht van de bevoegde kringen er op vestigen, dat er in dit opzicht nog veel te doen valt.” (Doc.bur. N.V.V.).

Offervaardigheid ten behoeve van t.b.c.-patiënten. Namens de door het N.V.V. ingesteide Commissie van Advies inzake het Vraagstuk der t.ta.c.-bestrijding en -verpleging, schrijft men ons: „Dr. N. M. Eykel, hoofd-inspecteur van de Volksgezondheid, schreef in zijn jaarverslag over 1931; „Het niet te ontkennen feit, dat de tuberculose haar beste voedingsbodem vindt in slechte economische omstandigheden, doet mij de ernstige hoop uitspreken, dat, wil de volksgezondheid niet aan groote gevaren blootstaan, de Overheid haar zoo hoog noodige steun aan de tuberculosebestrijding niet zal verminderen, doch zoo eenigszins mogelijk nog zal uitbreiden,...” Hebben deze woorden vaneen zoo bij uitstek deskundige succes gehad? Integendeel! Na Mei 1931 is de economische toestand voortdurend slechter gewroden. De loonen van groote groepen arbeiders en bedienden en de inkomsten van andere bevolkingsgroepen zijn verminderd, de nood is grpoter geworden. Zijnde financieele bijdragen van de Overheid nu ruimer gaan vloeien? Neen, ondanks de verslechting inde. algemeene toestand zijnde steunbedragen belangrijk verminderd. De Overheid blijft daarmede beneden haar taak. Uit bovenstaand citaat blijkt ook hetgeen trouwens vanzelfsprekend is —, dat de strijd voor verhooging van het levenspeil der arbeidersklasse de beste wijze van bestrijding der zoo gevreesde volksziekte, de tuberculose, is. In deze strijd staat het N.V.V., meer dan welke andere richting in de vakbeweging ook, vooraan. Daarmede volstaat de moderne vakbeweging niet. Het ware te wenschen, dat dit mogelijk was, dat de Overheid inderdaad haar taak op het gebied van de gezondheidszorg zou verstaan en er voor zou zorgdragen, dat de werkelijk noodige middelen voor de bestrijding van de tuberculose en de verpleging van tuberculeuze patiënten beschikbaar worden gesteld. Zoo is het echter niet en daarom blijft hulp geboden. Een aantal der bij het N.V.V. aangesloten organisaties is dan ook op dit terrein actief werkzaam. Wij noemen de bakkers, de diamantbewerkers, de „Algemeene”, de lithografen, de metaalbewerkers, de sigarenmakers, het spoor- en tramwegpersoneel, de transportarbeiders en de typografen. De leden van deze organisatie brengen voortdurend, week in week uit, een klein offer, waardoor het mogelijk is geworden, dat alleen door de moderne vakbeweging jaarlijks een ƒ 60.000 a ƒ 70.000 wordt uitgegeven voor de verpleging van leden (of hun gezinsleden), die t.b.c.-patiënt zijn. Heel veel leed is daardoor voorkomen en zal ook inde toekomst voorkomen worden. Daarvoor was en is een klein offer, door een groot aantal leden bijeengebracht, voldoende. Daarvoor betalen de bakkers, de lithografen, enz. een bedrag, dat veelal 1 of 2 cent, in enkele gevallen wat hooger is. Tóch kan en moet nog veel meer worden gedaan. Wanneer de heer Serrarens, de secretaris van de Christelijke vakbewegings-internationale, smalend spreekt over het weinige werk dat het N.V.V. doet op het gebied der t.b:c.-bestrijding en -verpleging, wijzen wij op onze algemeene strijd voor verbetering van de economische toestand, alsmede op het feit dat een aantal onzer bonden, ieder afzonderlijk, op dit terrein heel wat werk verzet. Wat dat betreft, valt ons niets te verwijten. Toch moeten wij ook respect hebben voor de offers welke de katholieke arbeiders voor het werk van de t.b.c.-bestrijding en -verpleging brengen. Alle leden van het R.K. Werkliedenverbond (werkloozen inbegrepen) betalen 1 cent per lid en per week, terwijl een groot aantal bovendien nog eens vrijwillig 5 cent per week stort. Diezelfde offervaardigheid en bereidheid zijn ongetwijfeld ook bij onze leden aanwezig. Een groot aantal onzer geeft daarvan trouwens reeds blijk. Dat aantal is echter nog onvoldoende. Het moet, wil men de tuberculeuze patiënten helpen, wil men de tuberculose krachtig bestrijden, veel grooter worden. Daarvoor zullen al onze leden, zooais dat met die vaneen aantal onzer bonden reeds het geval is, zich offers moeten getroosten. Dan zal het mogelijk zijn, de tuberculoselijders onder onze leden de zoo hoog noodige bijstand te verleenen Binnen niet te lange tijd zal hiertoe een beroep op ü worden gedaan. Weest dan bereid!

Sluiten